Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.4.4
3.4.4 Gevolgen: res judicata en disclosure
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS598446:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rule 19.12 (1) (a) en (b).
Rule 19.12 1 (a) en (2), Loughlin & Gerlis 2004, p. 129, Andrews 2003, p. 982. Voor de complicaties indien partijen later ingeschreven worden op het GLO-register zie Anderews 2003, p. 982 en Mildred 2000, p. 423-4, Hodges 2001, p. 42-3, 46.
Rule 19.12 (3), Hodges 2001, p. 43-6, Mildred 2000, p. 423.
Over de ontwikkeling van de Engelse doctrine van issue estopel zie Hodges 2001, p. 43-46. In het kort komt de doctrine hier op neer dat een oordeel over een kwestie dat al een keer door een rechter is gegeven, bindend is ook in een eventueel opvolgend geschil tussen dezelfde partijen. Hierop zijn enkele uitzonderingen geaccepteerd die verband houden met nieuwe feitelijke of rechtsontwikkelingen na de totstandkoming van het oordeel. De doctrine is vergelijkbaar met ons leerstuk van het gezag van gewijsde.
Hodges 2001, p. 46.
Mildred 2000, p. 422-3.
Rule 19.12 (4), Loughlin & Gerlis 2004, p. 129, Andrews 2003, p. 982.
In oktober 2005 zijn nieuwe regels over elektronische disclosure in werking getreden. Afhankelijk van de manier waarop partijen hiermee omgaan zou deze ofwel tot veel extra kosten leiden, ofwel tot aanzienlijke kostenbesparingen. Zie voorts Sautter 2005, p. 1618-20.
In het bijzonder Rule 1.4 (2) (b), (c) en (d) CPR.
Mildred 2000, p. 423, Hodges 2001, p. 51, 95-6.
Hodges 2001, p. 51, 95-7. Zie ook Surti 2005, p. 1569 die het toenemende probleem van pre-action disclosure schetst in personal injury claims en tips geeft over hoe verweerders ermee om kunnen gaan.
Het uitvaardigen van een GLO heeft gevolgen voor de gebondenheid van partijen aan de uitkomst in de test cases en voor de disclosureverplichtingen van partijen. Deze komen hieronder aan bod. Aan de gevolgen van een GLO voor de kostenverdeling tussen de eisers wordt afzonderlijk aandacht besteed in 3.4.5.
Een GLO heeft allereerst een verruiming van de werking van de regels van res judicata tot gevolg doordat de rechterlijke beslissing in de test case niet alleen tussen de desbetreffende partijen geldt. De verruiming is echter in twee opzichten beperkt. Gebondenheid bestaat alleen ten aanzien van de beschikking in de gemeenschappelijke GLO-kwesties. Daarnaast zijn in beginsel alleen partijen daaraan gebonden die op het moment van het wijzen van de beschikking in de test case ingeschreven zijn op het register.1 Het is aan de rechterlijke discretie overgelaten in hoeverre gebondenheid ook voor nieuwkomers geldt. Wel kan een partij, ook een nieuwkomer, die zich hierdoor benadeeld voelt een verzoek indienen om hoger beroep in te mogen stellen, respectievelijk niet gebonden te zijn door de beslissing.2 In hoeverre de rechter rekening zal of dient te houden met dergelijke verzoeken is onduidelijk.3 Twee concepten die in het pre-Woolf tijdperk zijn ontwikkeld met betrekking tot `relitigation' van issues tussen dezelfde partijen in tweepartijen-verhoudingen en de ervaringen daarmee zouden hierop antwoord kunnen geven. Het betreft het 'misbruik van procesrecht' en 'issue estoppel' .4 Het is onduidelijk wat de betekenis van die concepten in de multi-party context zou moeten zijn, maar in de literatuur5 wordt verdedigd dat een en ander afhangt van verschillende factoren, zoals de selectiemethode die bij de keuze van de test case is gehanteerd en de vraag in hoeverre de test case representatief is voor de (relevante?) feiten die zich elders in de groep voordoen. Het zou immers onredelijk zijn om partijen te binden aan uitspraken in test cases die op voor de kwestie relevante aspecten net een ander feitelijk complex kennen. Anderzijds dient men te voorkomen dat de werking van een GLO ondermijnd wordt doordat partijen zich te gemakkelijk aan onwelgevallige beslissingen zouden kunnen onttrekken.6
Een ander belangrijk gevolg van de uitvaardiging van een GLO is dat partijen die geregistreerd zijn documenten mogen inzien ten aanzien waarvan de rechter disclosure heeft bevolen.7 De gebruikelijke disclosure regels kunnen in multi-party verhoudingen tot onwerkbare situaties leiden. Denkbaar is daarom dat de rechter specifieke aanwijzingen geeft voor de manier waarop aan die verplichting vorm en inhoud dient te worden gegeven.8 Daarbij zijn de verplichtingen die op de rechter rusten ingevolge Part 1 CPR9 van belang: zo vroeg mogelijk de relevante vraagpunten selecteren, en een rangorde aanbrengen zowel ten aanzien van de tijd die aan de vraagpunten besteed mag worden, als ten aanzien van de volgorde van behandeling. Verzoeken en bevelen voor disclosure zullen tegen deze achtergrond moeten worden beoordeeld.
Een aspect waarmee rekening dient te worden gehouden, is dat disclosure-verplichtingen reeds uit hoofde van eventuele toepasselijke pre-action protocols zouden kunnen gelden, waardoor verweerders zich reeds in een vroeg stadium geconfronteerd kunnen zien met talloze onvoldoende gespecificeerde verzoeken voor het inzien van stukken.10 Het omgaan hiermee vormt misschien wel een grotere uitdaging dan disclosure in het kader van het proces. Bij de laatste is reeds rechterlijke interventie aanwezig en daarvan kan, zoals hiervoor betoogd werd, stroomlijnende werking worden verwacht. Bovendien zijn de pre-action protocols geschreven met het oog op individuele gevallen die onder een andere processpoor (the fast track) worden behandeld dan multiparty actions (multi track). Het zal naar mijn mening vooral de kunst zijn om de omvang en kosten van pre-action discoveries tijdig binnen proporties te houden.11 De kosten van de voorfase betreffen een zich breder manifesterend probleem, dat onderkend wordt. Daarover meer in 3.7.3.