Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.1.1
6.3.1.1 Bestuursaangelegenheden vs. besluitvormingsbevoegdheden van de algemene vergadering
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649911:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2009/10, 31 746, C (MvA), p. 6; Kamerstukken II 2008/09 31 746, nr. 6 (Verslag), p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 10. Zie ook punt 4.18 van de conclusie van A-G Timmerman voor HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.7.
Zie in gelijke zin Lafarre 2017, p. 56.
Behoudens eventuele weigeringsmogelijkheden zal het onderwerp wel ter bespreking geagendeerd moeten worden, zie over de weigeringsmogelijkheden par. 6.3.2.4.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7 (Nota n.a.v. Verslag), p. 12.
Garcia Nelen 2020, p. 298.
Garcia Nelen 2020, p. 298. Zie ook Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 252-253; punt 6 van de noot van Nowak bij Gerechtshof ’s- Gravenhage 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1531, JOR 2016/181 m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro) en Timmermans 2016, p. 437.
Overkleeft 2017b, p. 239.
Garcia Nelen 2020, p. 298.
Hezer & Kemp 2019a; Hezer & Kemp 2019b.
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6, laatste zin: “Voor zover bevoegdheden omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie toekomen aan het bestuur, valt de uitoefening daarvan samen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.”
Hij kan wel verlangen dat over de benoeming van een door hem voorgedragen persoon wordt gestemd onder de voorwaarde dat de bindende voordracht wordt doorbroken, zie par. 2.2.2.4.c.
Als een onderwerp onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt, kan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer in beginsel met recht verlangen dat dat onderwerp ter stemming (formeel of informeel) op de agenda wordt gezet.1 Is een onderwerp een aangelegenheid van het bestuur dan kan de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht verlangen dat het onderwerp ter stemming (formeel of informeel) op de agenda wordt gezet.2 Ik zou deze laatste regel zo willen begrijpen dat als een onderwerp niet onder de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering valt, de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht kan verlangen dat over het onderwerp zal worden gestemd.3 Zo hoeft het bestuur naar mijn mening een verzoek tot agendering van een stemming over het standpunt dat de rvc op bepaalde punten scherper toezicht zou moeten houden, niet te honoreren.4 Het houden van toezicht is immers een aangelegenheid van de rvc. Valt een onderwerp onder de restbevoegdheid van de algemene vergadering (zie art. 2:107/217 BW), dan kan de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer met recht verlangen dat dat onderwerp ter stemming op de agenda wordt geplaatst.5
Een eerste belangrijke beperking van het agenderingsrecht is dus dat agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffers slechts een stemming kunnen verlangen over onderwerpen die tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren.
Kritisch hierover is Garcia Nelen. In zijn proefschrift schrijft hij dat hij zich niet goed kan vinden in de keuze die de Hoge Raad in Boskalis/Fugro heeft gemaakt.6 Als de algemene vergadering besluitvormingsbevoegdheid mist, komt na een stemming geen besluit tot stand. Het bestuur en de rvc kunnen de uitkomst van de stemming gewoon naast zich neerleggen, aldus nog steeds Garcia Nelen.7 Het argument dat dit wellicht juridisch zo mag zijn, maar feitelijk het bestuur en de rvc door de uitkomst van de stemming met hun rug tegen de muur kunnen komen te staan,8 noemt Garcia Nelen niet doorslaggevend. Hij wijst erop dat dit argument gezien de tegenwoordige verhoudingen ook minder relevant is dan voorheen (ten tijde van ABN Amro, waarover par. 6.2.2.4). Thans hebben bestuurders een relatief sterke positie, waardoor er weinig reden meer is voor angst, aldus nog steeds Garcia Nelen.9
Sommige bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen in de statuten evenwel worden beperkt. Een voorbeeld is de bevoegdheid de statuten te wijzigen (art. 2:121/231 lid 2 BW). In statuten van beursvennootschappen komt veelal de beperking voor dat de statuten slechts kunnen worden gewijzigd op voorstel van het bestuur.10 Alsdan kan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht verlangen dat zijn voorstel tot statutenwijziging ter stemming in de agenda wordt opgenomen. Dat kan om twee redenen niet. Ten eerste is op grond van deze statutaire bepaling het doen van voorstellen tot statutenwijziging een aangelegenheid van het bestuur (geworden). Ten tweede is de bevoegdheid een voorstel tot statutenwijziging te doen een bevoegdheid omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie. Als deze bevoegdheid toekomt aan het bestuur (zoals in de geschetste situatie), dan valt de uitoefening van die bevoegdheid samen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap, en ook dat laatste is een aangelegenheid van het bestuur.11 Een ander voorbeeld is de bindende voordracht (art. 2:133/243 BW). Als in de statuten is bepaald dat de benoeming van bestuurders geschiedt uit een bindende voordracht, kan de agenderingsgerechtigde geen persoon aan die voordracht doen toevoegen.12 In de statuten kan de hoeveelheid onderwerpen ten aanzien waarvan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer een stemming kan verlangen dus worden teruggebracht. Zie hierover verder par. 6.3.1.3.