Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.4.2:17.4.2 Rechtspraak belastingkamer HR
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.4.2
17.4.2 Rechtspraak belastingkamer HR
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498285:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
HR 27 juni 2001, nr. 35 889; bewijsuitsluitingsregel voor verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR
In het arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889, was de samenloop van de belastingheffing en boeteoplegging aan de orde, in verband met belanghebbendes weigering om tijdens een fiscaal controleonderzoek inlichtingen te verstrekken en bescheiden over te leggen.1 Volgens de belastingkamer van de HR wordt de weigering om de inspecteur de gevraagde informatie te verstrekken, voor zover het de boeteoplegging betreft gerechtvaardigd door de waarborgen van het EVRM en IVBPR, in het bijzonder het Saunders-arrest. Dit heeft tot gevolg dat de door de belanghebbende afgelegde verklaringen ter voldoening aan de inlichtingenplicht ex art. 47, lid 1, onder a AWR niet mogen worden gebruikt voor het bewijs van de boete. Bij de beoordeling van de grondslag voor de boeteoplegging had het Hof belanghebbendes verklaring tegenover de inspecteur over de aanschafprijs van het kantoormeubilair dan ook buiten beschouwing moeten laten. Hiermee is de formulering van een op art. 6 EVRM steunende bewijsuitsluitingsregel voor Nederlandse fiscale boetezaken een feit.
HR 16 september 2005, nr. 38 156; elementen waarop de uitsluiting van verklaringen betrekking heeft
In het geschil dat aanleiding was voor het arrest van 16 september 2005, nr. 38 156, was ook de samenloop van heffing en boeteoplegging aan de orde.2 De belastingkamer van de HR is van oordeel dat de overwegingen van Hof ’s-Gravenhage de mogelijkheid openlaten dat ’s hofs vaststellingen en oordelen mede zijn gebaseerd op verklaringen van de belanghebbende, afgelegd ter voldoening aan de vordering van de inspecteur. Indien en voor zover die vaststellingen en oordelen bepalend zijn voor de grondslag van de verhoging en voor ’s hofs oordelen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven en dat sprake is van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude, heeft het Hof art. 6 EVRM geschonden. Daarbij verwijst de raad naar zijn arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek.
In zijn noot onder de uitspraak wijst Feteris erop dat nieuw is dat de HR uiteenzet dat de onbruikbaarheid van de verklaringen ziet op:
de grondslag voor de boete (= de ontdoken belasting);
de mate van verwijtbaarheid (in casu de aanwezigheid van opzet; naar hij aanneemt geldt dit ook voor grove schuld); en
de toepassing van een beleidsregel die leidt tot een hogere strafmaat (de aanwezigheid van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude).
HR 21 maart 2008, nr. 43 050; bevestiging bewijsuitsluitingsregel voor verklaringen
Het arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, lijkt te bevestigen dat voor de toepasselijkheid van de bewijsuitsluitingsregel enkel van belang is dat de inspecteur de verklaringen ex art. 47 AWR van de betrokkene heeft afgedwongen en die niet zonder diens (vrijwillige) medewerking zou hebben verkregen.3 Mogelijk geldt een uitzondering voor verklaringen waarvan aannemelijk is dat de betrokkene die ook zonder meewerkplicht zou hebben verstrekt. Dit volgt niet uit ’s raads overwegingen in het arrest noch uit andere arresten waarin de bewijsuitsluitingsregel aan de orde is.