Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/6.4
6.4 Formele en quasi-bestuurder materieel gelijk?
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631793:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de praktijk zal niet altijd sprake (kunnen) zijn van een strikte scheiding tussen wat ik de formele gelijkstelling en de materiële gelijkstelling noem. Het proces zal waarschijnlijk enigszins vergelijkbaar zijn met het schrijven van een proefschrift, waarbij het eerste hoofdstuk (met de centrale vraagstelling) gedurende het onderzoek steeds wordt aangepast op basis van de verworven inzichten. Aan het einde van de rit ziet het er dan, als het goed is, allemaal kloppend en gelikt uit. De methode verschilt van het geval dat wordt gekookt uit een kookboek, en simpelweg de voorgeschreven stappen worden gevolgd. Het voorbeeld is ontleend aan Kunneman (1991), p. 34, door hem gegeven in het kader van zijn uiteenzetting van het standaardbeeld van empirische wetenschapsbeoefening.
Zie nader par. 2.6.1: volgens de Hoge Raad wordt een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde gerechtvaardigd (i) door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en (ii) door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Zie verder de Kroeze bundel (2017).
Als in rechte is vastgesteld dat een persoon zodanige invloed op het bestuur heeft uitgeoefend dat hij als quasi-bestuurder is aan te merken en hij met een formele bestuurder dient te worden gelijkgesteld,1 dient de vraag zich aan wat die gelijkstelling inhoudt.
De vraagstelling die voorwerp van dit onderzoek is, komt voort uit een in de wet vastgelegde – op het oog materiële – gelijkstelling tussen formele bestuurders en quasi-bestuurders als aan in de wet gestelde voorwaarden is voldaan. In par. 3.2.1 heb ik er op gewezen dat de toelichting in de parlementaire stukken weinig helder is. De vraag dient zich aan of naast de toepassing van de regeling inzake bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de wettelijke gelijkstelling, de formele bestuurders en de quasi-bestuurders ook materieel een volledig gelijke positie innemen. De wet zelf geeft daarover geen uitsluitsel. De toelichting die in de parlementaire geschiedenis is te vinden, is niet alleen niet erg helder, maar lijkt in belangrijke mate te zijn geïnspireerd door gevallen van misbruik. Het fenomeen quasi-bestuurder bestrijkt echter ook allerlei andere gevallen die niets met misbruik te maken hebben. Ook gevallen die destijds niet onder ogen zijn gezien, zoals die van de principaal die vergaande afspraken inzake de uitoefening van de bestuurstaak maakt met de trustbestuurder. Om die reden ben ik begonnen met het in kaart brengen van de verschillende soorten quasi-bestuurders, en het zoeken naar juridische beginselen of uitgangspunten die zouden kunnen bijdragen aan theorievorming en -toetsing wat betreft het – in juridische zin duiden van het – fenomeen quasi-bestuurder.
Als wordt gekeken naar het beginsel dat een persoon niet behoort te profiteren van zijn eigen onrechtmatige handelen, kan een onderscheid worden gemaakt tussen quasi-bestuurders die deze hoedanigheid te goeder trouw hebben verworven en degenen voor wie dat niet geldt, ofwel tussen degenen die met en die zonder juridische basis of rechtvaardiging handelen. Degene die te goeder trouw meent een formele bestuurder te zijn, terwijl achteraf blijkt van een gebrekkig benoemingsbesluit, moet gelijk een formele bestuurder, indien hij persoonlijk wordt aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, aanspraak op toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf kunnen maken. Dat degene die zich eigenmachtig gedraagt als feitelijke bestuurder en daarmee bewust de bestuursautonomie schendt, uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid kan worden aangesproken, volgt uit de wet, maar daarmee is niet gezegd dat het logisch of zelfs gerechtvaardigd is dat hij ook moet kunnen profiteren van de hoge drempel voor aansprakelijkheid. In dat verband speelt ook, of: nog wel, de vraag met welke bedoeling de betrokken persoon zich als bestuurder is gaan gedragen. Hij kan daarvoor immers goede of zelfs nobele motieven hebben gehad. De schaduwbestuurder die gebruik maakt van een stroman als formele bestuurder om criminele activiteiten uit te oefenen, heeft allesbehalve goede, laat staan nobele motieven. Op basis van de wet wordt hij met een formele bestuurder gelijkgesteld, zodat hij met bestuurdersaansprakelijkheid kan worden geconfronteerd, maar los van de vraag of zijn handelingen niet reeds per definitie een ernstig verwijt opleveren, brengen genoemd beginsel en de ratio van de ernstig verwijt-maatstaf2 mee dat hij daarop sowieso niet met succes een beroep zou moeten kunnen doen.
Op grond van het voorgaande verdedig ik de stelling dat formele en quasi-bestuurders, als het gaat om de vraag naar de beoordeling van hun doen en laten met het oog op (mogelijke) persoonlijke aansprakelijkheid, in materiële zin niet per definitie gelijkgesteld (behoren te) zijn. In mijn benadering is het mogelijk dat er (rechts)personen zijn die wel kwalificeren als quasi-bestuurder, maar die niet met succes een beroep op de ernstig verwijt-maatstaf kunnen doen. Anders gezegd: in dat geval is niet sprake van een volledige gelijkstelling van quasi-bestuurders met formele bestuurders.