Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.2
3.2 Voorwaarden voor inbezitneming
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624974:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Clark e.a. 2014, p. 598, met verwijzing naar Law Commission Report (204) 1991, par. 7.28-7.38.
Harpum, Bridge & Dixon 2012, p. 1150, Clark e.a. 2014, p. 598, Burn & Cartwright 2011, p. 847 Gray & Gray 2011, p. 300.
Four-Maids Ltd v Dudley Marshall (Properties) Ltd [1957] Ch 317, 320, Dit citaat werd overgenomen in het recentere arrest National Westminster Bank plc v Skelton [1993] 1 All ER 242, 248. Zie ook Burn & Cartwright 2011, p. 847, Harpum, Bridge & Dixon 2012, p. 1150, McFarlane, Hopkins & Nield 2017, p. 281.
Bovendien hebben financiers te vrezen voor hun reputatie als zij op willekeurige momenten verhypothekeerd vastgoed in bezit zouden nemen, zie Wonnacott 2006, p. 79.
Clark e.a. 2014, p. 599.
Mits te goeder trouw handelend (in good faith), dat wil zeggen dat hij zijn bevoegdheid niet inroept voor een ander doel (terugbetaling van de vordering) dan waarvoor deze bestaat.
Clark e.a. 2014, p. 599 met vele verwijzingen naar rechtspraak, waaronder Birmingham Citizens Permanent Building Society v Caunt [1962] Ch 883 at 890, [1962] 1 All ER 163 at 168; Esso Petroleum Co. Ltd v Alstonbridge Properties Ltd [1975] 3 All ER 358 at 367; Western Bank Ltd. v Schindler [1976] Ch 1, [1976] 2 All ER 393 (uitstel op basis van S36 AJA); Ashley Guarantee plc v Zacaria [1993] 1 All ER 254, [1993] 1 WLR 62; Credit & Mercantile plc v marks [2004] EWCA Civ 568, [2005] Ch 81.
Western Bank Ltd. v Schindler [1976] Ch 1, [1976] 2 All ER 393, zie ook Harpum 1977, p. 357.
Clark e.a. 2014, p. 599, met verwijzing naar National Westminster Bank plc v Skelton [1993] 1 All ER 242, [1993] 1 WLR 72. De overweging van de rechter in deze zaak (nr. 77) steunt op eerdere rechtspraak, zoals Mobil Oil Co. Ltd v Rawlinson, 43 P. & C.R. 221; Barclays Bank Plc v Tennet (niet-gepubl.), 6 June 1984, Citibank Trust Ltd. v Ayivor [1987] 1 W.L.R. 1157, en Four-Maids Ltd v Dudley Marshall (Properties) Ltd [1957] Ch. 317- 320.
Aldus ook Hudson 2009, p. 1229.
Zij deden daarnaast een beroep op verrekening, zie hierna par. 3.3.1.
In het vorige hoofdstuk is al beschreven dat een Engelse hypotheekhouder bij het vestigen van een recht van hypotheek onmiddellijk een recht op het exclusieve bezit van het verhypothekeerde vastgoed verkrijgt. Dit recht dankt hij aan de wettelijke fictie dat een hypotheekhouder als tijdelijk eigenaar van het verhypothekeerde vastgoed wordt gezien.1 Vanwege dit onmiddellijke recht op bezit mag de hypotheekhouder het verhypothekeerde goed ook direct na het vestigen van het hypotheekrecht feitelijk in zijn macht nemen. Die bevoegdheid is niet afhankelijk van bijvoorbeeld wanprestatie of verzuim van de schuldenaar.2 Een in dit verband in de Engelse literatuur herhaaldelijk aangehaalde overweging is die van rechter Halman:3
‘The right of the mortgagee to possession in the absence of some contract has nothing to do with default on the part of the mortgagor. The mortgagee may go into possession before the ink is dry on the mortgage unless there is something in the contract, express or by implication, whereby he has contracted himself out of that right. He has the right because he has a legal term of years in the property (een tijdelijk eigendomsrecht: een leasehold estate, toev. SvB).’
In de praktijk wordt echter veelvuldig van deze hoofdregel afgeweken. Want bezit mag voor de hypotheekhouder op het eerste oog misschien aantrekkelijk lijken, toch zit hij meestal niet te wachten op de verplichtingen die met dat bezit gepaard gaan (zie hierna par. 3.4-3.6).4 Het is daarom gebruikelijk dat in kredietovereenkomsten wordt vastgelegd dat het bezit van het vastgoed (vooralsnog) bij de eigenaar/hypotheekgever blijft. Op die manier blijft de eigenaar verantwoordelijk voor het beheer van het vastgoed en blijft de rol van de hypotheekhouder beperkt tot die van financier.
Dat betekent echter niet dat de hypotheekhouder hiermee onvoorwaardelijk afstand doet van zijn recht op bezit. In de kredietovereenkomst wordt tevens bepaald in welke gevallen de hypotheekhouder het vastgoed terug mag nemen. De vrijheid van partijen om dat moment te bepalen is groot; de hypotheekhouder hoeft tenslotte alleen maar het bij overeenkomst toegekende bezitsrecht van de hypotheekgever weer te laten eindigen. Meestal wordt aangeknoopt bij het moment waarop de hypotheekgever jegens de hypotheekhouder in verzuim raakt (default), een begrip dat eveneens door partijen in de overeenkomst wordt gespecificeerd.5 Kredietovereenkomsten bevatten zo een vaak pagina’s lange lijst met events of default. Zodra een van de daarin omschreven situaties zich voordoet (zoals achterstallig onderhoud of een te hoge loan to value-ratio) en de hypotheekgever daardoor in verzuim raakt, ontstaat voor de hypotheekhouder de bevoegdheid om het vastgoed in bezit te nemen.
In een uitzonderlijk geval maken partijen in de kredietovereenkomst geen concrete afspraken over bezit van het vastgoed. Dan geldt in principe gewoon de hoofdregel en berust het recht op bezit van het vastgoed bij de hypotheekhouder, zodat die op elk gewenst moment het vastgoed in bezit kan nemen.6 Een rechter zal een hiervan afwijkende afspraak niet snel impliciet uit de overeenkomst (en de omstandigheden van het geval) afleiden. Het bezitsrecht van de hypotheekhouder wordt naar Engels recht niet zomaar beperkt; het wordt als een sterk en fundamenteel recht van de hypotheekhouder beschouwd:7
‘A mortgagee’s right to possession is a common law right which is an incident of his estate in the land. It should not, in my opinion, be lightly treated as abrogated or restricted.’8
In de zaak National Westminster Bank plc/Skelton verweerden de hypotheekgevers zich tevergeefs tegen inbezitneming door de hypotheekhouder met een beroep op een dergelijke afspraak die volgens hen impliciet uit de kredietovereenkomst moest worden afgeleid.9 In deze zaak was door het echtpaar Skelton ten behoeve van de bank een derdenhypotheek op hun woonhuis gevestigd, zulks ter verzekering van de vordering(en) die de bank op de vennootschap Leamington Construction Ltd had of in de toekomst zou verkrijgen. In de kredietovereenkomst was bepaald dat de vordering van de bank op deze vennootschap op verzoek moest worden terugbetaald: ‘a continuing security to the bank for the discharge on demand by the bank on the mortgagor’ (onderstreping SvB).
In 1987 wordt het bedrijf geliquideerd (via een compulsorywound up). Hierop besluit de bank het woonhuis van het echtpaar Skelton in bezit te nemen, nadat zij het echtpaar had laten weten dat de vordering van de bank op de vennootschap circa 100.000 pond betrof. De Skeltons verweren zich tegen deze inbezitneming met een beroep op de hierboven geciteerde bepaling uit de kredietovereenkomst. Uit deze bepaling moest volgens hen impliciet worden afgeleid dat, zolang er géén verzoek tot terugbetaling van de vordering was gedaan, de bank hun woonhuis ook niet in bezit zou mogen nemen.
De overweging die de rechter aan dit verweer wijdt, is vrij kort en duidelijk:
‘The reference to “demand” certainly makes it clear that the mortgagors will not actually be in default until demand is made. In my judgment, however, it does not suffice to show that the mortagee bank has deprived itself by contract of the right to immediate possession, which it enjoyed by virtue of the statutory equivalent of a legal term of years conferred on it by the mortgage.’ (onderstreping SvB)
Er geldt dus een strikt onderscheid tussen de voorwaarden waaronder het verzuim intreedt en die waaronder het onderpand in bezit mag worden genomen. Dat verzuim treedt op basis van de contractuele bepalingen pas in nadat een betalingsverzoek is gedaan. Maar als uit de overeenkomst niet duidelijk blijkt dat de hypotheekhouder daarmee tevens zijn recht op inbezitneming heeft willen beperken ten gunste van de hypotheekgever(s), dan geldt dat recht in volle omvang en is de hypotheekhouder vrij om het op een door hem gewenst moment in te roepen.10 Nu in deze overeenkomst volgens de rechter niet expliciet was bepaald dat óók inbezitneming pas na een verzoek tot betaling zou mogen plaatsvinden, hadden de Skeltons dus ‘gewoon’ te accepteren dat de bank – zelfs zonder betalingsverzoek – hun woonhuis in bezit nam.11 Deze uitspraak onderstreept mijns inziens de sterke uitgangspositie van de Engelse hypotheekhouder op dit punt: het recht op bezit is fundamenteel en inherent aan het fictieve eigendomsrecht dat hij als hypotheekhouder heeft en dat recht wordt alleen beperkt als vast komt te staan dat de hypotheekhouder dat zelf wilde.