Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.3.2.2:2.3.2.2 Provinciale staten en de gemeenteraad
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.3.2.2
2.3.2.2 Provinciale staten en de gemeenteraad
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS579565:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 2008, p. 492 en 508. Let op: de rechter controleert enkel of de verordening gemeentelijk of provinciaal belang kan treffen.
Dit volgt tevens uit artt. 143 en 105, lid 1 Provw en artt. 147 en 149 Gemw.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het hoofd van de provincies en de gemeenten staat volgens artikel 125 Gw provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden voor een periode van vier jaar rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente. De grootte van de colleges is afhankelijk van het aantal ingezetenen en verschilt per provincie en gemeente.1
Na de ‘dualisering’ van het gemeentebestuur in 2002 en het provinciebestuur een jaar later zijn de bevoegdheden en posities van de vertegenwoordigende raden grotendeels gescheiden van de bevoegdheden en posities van de gedeputeerde staten, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders. Er is sprake van een verschuiving van de bestuursbevoegdheden van de staten en de raden naar gedeputeerde staten, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders. Laatstgenoemde organen zijn, deels binnen de door de raden gestelde kaders, met het bestuur belast.
Artikel 127 Gw bepaalt dat zowel de autonome als de in medebewind uitgeoefende verordende bevoegdheid in beginsel aan provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad toekomt.2 De grenzen van de autonome verordende bevoegdheid van de raden zijn vervat in artikel 145 Provw en artikel 149 Gemw:
‘Provinciale staten maken de verordeningen die zij in het belang van de provincie nodig oordelen’;
en
‘De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.’
De rechter mag ondanks de subjectieve redactie nagaan of de genoemde organen zich aan deze grenzen hebben gehouden.3 Provinciale staten zijn op grond van artikel 152 Provw bevoegd de verordenende bevoegdheid aan gedeputeerde staten of aan commissies te delegeren. De gemeenteraad kent op grond van artikel 156 Gemw eenzelfde bevoegdheid tot delegatie aan het college van burgemeester en wethouders, een door hem ingestelde bestuurscommissie of een deelraad. Naast de verordenende bevoegdheid, berusten de overige autonome bevoegdheden bij de raden.4 De bestuursfunctie in medebewind berust in beginsel bij gedeputeerde staten, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders. Bijzondere wetten kunnen echter een uitzondering maken op dit uitgangspunt.