Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/2.2.6
2.2.6 Kritiek op normatief theoretisch onderzoek
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708435:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ayer, U. Cin. L. Rev (vol. 61) 1992, afl. 2, p. 415. Ayer gebruikt deze term (in negatieve zin) voor de law and economics benadering van Jackson, terwijl hij positiever is over Korobkin, Colum. L. Rev. (vol. 91) 1991, afl. 4. In Newborn 1994 wordt de term ook gebruikt voor het normatief theoretische onderzoek van Korobkin.
Carlson, Mich. L. Rev. (vol. 85) 1987, afl. 5&6, p. 1389.
Warren, U. Chi. L. Rev. (vol. 54) 1987, afl. 3, p. 811-814.
Lee, Creighton L. Rev. (vol. 50) 2017, afl. 2, p. 351-353.
Zie voor de Recofa-richtlijnen https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Civiel/Insolventierecht/Paginas/Recofa-richtlijnen.aspx.
Zie voor de INSOLAD Praktijkregels https://www.insolad.nl/regelgeving/praktijkregels/.
Lee, Creighton L. Rev. (vol. 50) 2017, afl. 2, p. 351-362. Voor het doel van dit stuk is dit een zeer grove weergave van de ideeën die Lee heeft ontwikkeld en heb ik de theoretische inbedding van Lee achterwege gelaten. Zie voor de gedachte dat alle partijen die belang hebben bij een faillissement daarin een stem moeten hebben ook Martin, Ohio St. L.J. (vol. 59) 1998, afl. 2.
Lee, Creighton L. Rev. (vol. 50) 2017, afl. 2, p. 336-338 en 348-351.
Niet iedereen is van mening dat normatief theoretisch onderzoek, in de literatuur ook wel ‘fancy doctrine’ genoemd,1 het faillissementsrecht volledig kan verklaren en doorslaggevend is bij de ontwikkeling van het recht. Het faillissementsrecht is in de loop der tijd tot stand gekomen met behulp van veel verschillende actoren zoals de wetgever, rechters, academici en lobbyisten. Het is niet goed voorstelbaar dat al deze personen zich hebben laten leiden door dezelfde principes bij het vaststellen van het faillissementsrecht. Om die reden is dit recht niet te verklaren aan de hand van een normatief theoretisch kader.2 Hoewel normatief theoretisch onderzoek zeker waarde heeft en een rol kan spelen, kan het volgens Warren ook niet de enige basis zijn voor het ontwikkelen van nieuw faillissementsrecht. De werkelijkheid is te complex om aan de hand van een sluitende theorie basisprincipes op te stellen.3
Een interessant alternatief voor het ontwerpen van faillissementsrecht op basis van een vooraf vastgesteld theoretisch kader, is het verschuiven van de focus naar een rechtvaardige procedure waarin faillissementsrecht wordt ontwikkeld en toegepast.4 Kort gezegd wordt faillissementsrecht ontwikkeld en toegepast op verschillende niveaus. De algemene regels worden opgesteld door de wetgever. In de Nederlandse situatie zijn er verschillende entiteiten die normen opstellen op deelniveau, zoals Recofa, het landelijk overlegorgaan van rechters-commissarissen in faillissementen en surseances van betaling,5 en INSOLAD, de Vereniging Insolventierecht Advocaten.6 Daarnaast wordt het faillissement in een specifieke casus vormgegeven door onder meer de curator, de rechter-commissaris, de rechtbank en (indien aanwezig) de schuldeiserscommissie. Van belang is dat het recht op de verschillende niveaus wordt ontwikkeld door de juiste entiteit in een context waarin iedere partij die belang heeft bij de uitkomst een stem heeft.7 Daarmee is overigens niet gezegd dat normatieve theorie in dit verband van onwaarde is. Zo’n theorie kan een nuttige functie vervullen voor de ontwikkeling van faillissementsrecht op de verschillende niveaus.8