Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.III.C.4
4. (Rechts)sociologie en kavelruil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471297:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
In dit onderdeel laat ik de hiervoor in hfdst. II, onderdelen G.3 t/m G.6 besproken ‘alternatieve verschijningsvormen’ van kavelruil gemakshalve buiten beschouwing en concentreer mij volledig op de (zuiver) vrijwillige kavelruil.
Vgl. hfdst. I, onderdeel G.3. Zie tevens P. de Haan, L. van der Sluijs, ‘Planmatige kavelruil en herverkaveling nieuwe stijl: naar een versnelde uitvoering van de ecologische hoofdstructuur’, p. 5.
Vgl. hfdst I, onderdelen F.6, F.7 en G.5, alsmede hfdst II, onderdelen C.3.e en G.l.
Kamerstukken II 1997/1998, 25940, nr. 2, p. 25-26. Zie tevens hfdst. I, onderdeel A.l.a.
Zie in dit kader het artikel ‘Vlotte kavelruil kun je het best zelf regelen’, in: de Boerderij 92, nr. 8, 14 november 2006. Zie tevens C.A. Hazeu, H.J. Silvis, Juridisering in de agrosector, p. 18.
Zie J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 436.
Zie nader het Rapport Grondmobiiiteit.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, 1957, p. 308 noemt dit ook wel het ‘sociale motief van de subsidiëring.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, 1957, p. 289.
Zie tevens grenspost 1, hfdst. 11, onderdeel F.l.
Aldus J. Goudsblom, Balans van de sociologie, Nijmegen: SUN 1990, p. 109.
Zie R. Bouwmeester, ‘Verkavelingspuzzel is af bij laatste stukje’, p.10.
Kavelruil is, als vrijwillige vorm van landinrichting, voor een groot deel mensenwerk: een kavelruil staat of valt immers met de bereidheid tot medewerking door de individuele deelnemers.1 Men is voor het welslagen van een kavelruilproject geheel afhankelijk van de min of meer ‘toevallige’ medewerking van rechthebbenden.2 De invloed van de sociologie is, door deze ‘volatiliteit’ op het gebied van de medewerking door de (potentiële) deelnemers, bij een kavelruilproject zo mogelijk nog groter dan bij herverkaveling het geval is.
De vrijwilligheid is te beschouwen als hét handelsmerk van de kavelruil en is in belangrijke mate de oorzaak van de populariteit3 of, in sociologisch opzicht, de oorzaak van het grote maatschappelijk draagvlak van het instrument. Door de vrijwilligheid is, anders dan bij herverkaveling, sturing ‘van onderaf mogelijk. De deelnemers kunnen derhalve, binnen de wettelijke kaders, zelf invloed uitoefenen op de met de kavelruil te bereiken doelstellingen. De overheid is dan ook vrijwel onzichtbaar binnen het kavelruilproces, hetgeen het risico op ‘tegenreacties’ van deelnemers, zoals in Tubbergen, minimaliseert.
Het zal dan ook niet verbazen dat de kavelruil zich gelukkig mag prijzen met een goed imago: de (publieke) opinie ten aanzien van het instrument is (overwegend) positief gestemd. De overheid is zich bewust van de voordelen en het belang van een dergelijke gunstige beeldvorming, getuige de navolgende, met sociologische elementen doorspekte passage uit het rapport Herijking landinrichting tweede fase:
“Uitgangspunt is dat het feitelijk imago van landinrichting tot stand komt op basis van drie lijnen: de daadwerkelijke ervaring, de uitstraling van de medewerkers en de communicatie. Dit betekent dat een gunstig imago voor een bepaalde doelgroep voor landinrichting ontstaat als de resultaten van landinrichting goed zijn, de medewerkers enthousiast zijn en de ondersteunende communicatie (via pers, correspondentie e.d.) effectief verloopt. Voor de bepaling van het imago is het uitermate belangrijk dat er een helder beeld is over landinrichting na herijking. Landinrichting is overigens niet alleen een instrument (wet en geld), maar vooral ook een proces (werkwijze en gedrag). De identiteit van landinrichting wordt door deze componenten bepaald, (onderstreping door mij, JR)”
4
De kavelruil verkeert in een luxepositie, aangezien een gunstig imago voor de kavelruil bijna een automatisme is: er is geen uitgebreid PR- en communicatiebeleid ter bepaling en bevordering van het imago nodig. Een succesvolle kavelruil, gecombineerd met de (fiscale) faciliteiten, genereert zijn eigen positieve uitstraling. Sociologisch bezien is de kavelruil derhalve als ‘succesfactor’ en daarmee als sociaal verbindend element binnen de (agrarische) samenleving te beschouwen. Dit staat in schril contrast tot de, in sociologische zin, welhaast natuurlijke weerstand van de mens tegen de herverkaveling, zoals hiervoor beschreven.5
Het positivisme ten aanzien van de kavelruil is de overheid uiteraard niet ontgaan. Ook de overheid heeft de kavelruil omarmd (mits geen sprake is van oneigenlijk gebruik van het instrument, zoals in hoofdstuk I, onderdeel G.6.j beschreven) en zet het instrument in voor de uitvoering van multisectoraal beleid in bepaalde gebieden.6 Door de kavelruil in financieel en fiscaal opzichtte faciliteren, tracht de overheid onder meer de voor een vitaal platteland benodigde grondmobiiiteit te verhogen.7 Ook het bieden van hulp aan achtergebleven delen van Nederland was een doel dat, vooral in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, door middel van subsidiëring van overheidswege bereikt diende te worden.8 Daarnaast wordt de kavelruil, zeker in de huidige economische tijden, als (kleinschalig) alternatief voor de (dure) herverkaveling ingezet, waarbij vooral gedacht wordt aan de ‘uitgegroeide’ varianten van kavelruil, zoals beschreven in hoofdstuk II, onderdeel G.3 tot en met G.6. in sociologisch perspectief bezien beïnvloedt de overheid het gedrag van de participanten binnen de (agrarische) samenleving door de ‘succesformule’ vrijwillige kavelruil te combineren met een ‘incentive’ op financieel en fiscaal gebied.
In dit verband is, ten aanzien van (landbouwfond, het begrip ‘sociaal-economische waarde van de bodem’, zoals geïntroduceerd door De Leeuw, 9 in sociologische zin relevant. Met dit begrip wordt de waarde van de (cuituur)grond voor de gemeenschap bedoeld. Deze waarde ligt doorgaans hoger dan de privaat-economische waarde van de grond, zijnde de waarde voor de individuele eigenaar. De grond verschaft immers een inkomen aan al degenen die daarop of daarvan, direct of indirect, hun brood verdienen. Dit betreft niet alleen de eigenaar, maak ook bijvoorbeeld eventuele pachters, loonwerkers, de verwerkende industrie, de handelaar in agrarische producten en winkeliers. Gezien deze sociaal-economische waarde van de grond heeft de overheid er belang bij instandhouding en verbetering van deze gronden. Dit is een reden om tot subsidiëring van (onder meer) kavelruilprojecten, die doorgaans leiden tot een verbetering van deze sociaal-economische waarde, over te gaan.10
Tot slot van deze sociologische beschouwing op hoofdlijnen dient te worden gewezen op de sociologische nadelen van het instrument kavelruil. Het volledig vrijwillige karakter van de kavelruil is namelijk, behalve een zegen, bij tijd en wijle tevens een vloek. Absolute vrijwilligheid leidt in sociologisch opzicht immers tot een ‘ieder voor zich’ mentaliteit: iedere deelnemer aan de kavelruil wordt enkel geleid door wat hij ziet als zijn eigenbelang.11 De belangen van het in te richten gebied als geheel zijn voor de individuele ruilers niet relevant. Hierdoor zijn doelen van overheidswege via het instrument kavelruil niet op effectieve wijze te realiseren. De overheid heeft immers nauwelijks grip op de kavelruil. Via de kavelruil zal realisatie van doelen, gelegen binnen het kader van het algemeen belang (zoals realisatie van de EHS) niet of nauwelijks plaatsvinden. Doelstellingen op het terrein van de verbetering van de agrarische structuur zullen doorgaans wél via de kavelruil kunnen worden bereikt.12