De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.1
4.1 Inleiding toestemmingsvereiste
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383613:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Dit hoofdstuk vormt een bewerking van mijn overzichtsartikel over het toestemmingsvereiste bij erfpachtverhoudingen, aangevuld met later verschenen rechtspraak en literatuur en met materiaal dat geen plaats vond in het artikel. Zie Broese van Groenou 2016. Voor dit deel van het onderzoek heb ik naast de wetsgeschiedenis en de literatuur ook alle rechterlijke uitspraken bestudeerd over zaken waarin een erfpachtrecht in het geding was en waarin de erfverpachter aan de erfpachter een toestemmingsvereiste oplegde voor het uitvoeren van een feitelijke handeling of een rechtshandeling. Bestudeerd zijn in totaal 56 uitspraken uit de periode 1973-2018, verdeeld naar 7 arresten van de Hoge Raad, 13 arresten van gerechtshoven, 33 uitspraken van rechtbanken en kantongerechten en 3 uitspraken van andere instanties uit het Koninkrijk. De uitspraken zijn verzameld door middel van verwijzingen in literatuur en via zoekacties in rechtspraak.nl en Legal intelligence, aangevuld met controles in de gepubliceerde Nederlandse Jurisprudentie, waarbij zowel het kaartsysteem is gebruikt als de online toegang. De verzameling is afgesloten op 1 mei 2018.
Bartels 2006, p. 7. Hij doelt daarmee op ‘situaties (…) waarin de wet eist dat iemand toestemming nodig heeft, of dat de wet expliciet refereert aan de mogelijkheid een toestemmingsvereiste te bedingen. Deze laatste groep tref je vooral aan in het goederenrecht’.
Spierings 2016, p. 303-304. Uit de rechtshandeling die met de verkregen toestemming rechtsgeldig kan worden verricht kunnen wel verbintenissen voortvloeien.
Bij overdracht van een appartementsrecht dat is ontstaan door splitsing van een erfpachtrecht wordt het betreffende aandeel in het erfpachtrecht eveneens overgedragen, Rb. Arnhem 2 april 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BD3489 (appartementseigenaars/Wageningen).
Als extreme vormen noem ik aan de ene kant de erfpachtvoorwaarden zoals gehanteerd door woningcorporaties bij uitgiftes in het kader van maatschappelijk gebonden eigendom, waarin overdracht alleen mogelijk is aan de erfverpachter en ander gebruik dan zelfbewoning is uitgesloten, en aan de andere kant de meeste uitgiftes van voor de opkomst van de stedelijke erfpacht aan het eind van de negentiende eeuw, waarin vaak alleen de aanduiding van het perceel, de bestemming, de hoogte van de canon en de duur van het recht waren vastgelegd.
Zie voor commentaar op de wetsartikelen onder meer: Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/221, 224-226 en 374-378; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 75-76, 480-481 en 519; Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 401 en 571-572; De Jong & Ploeger 2008, p. 51-54; Vonck 2013, p. 27-33 en 185-190. Commentaar tijdens het wetgevingsproces werd geleverd door De Jong 1984b. Beschouwingen over toestemming als rechtsfiguur zijn te vinden bij Bloembergen 1971, Bartels 2006 en Spierings 2016, p. 291-317.
Dit wordt betoogd door de redactie van RVR die in een ‘wenk’ bij Rb. Zutphen 23 november 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6803 in RVR 2012/43 stelt dat er geen objectieve toetsingscriteria zijn en dat het antwoord op de vraag of een voorwaarde redelijk is afhangt van de omstandigheden van het geval. Die omstandigheden worden eerst en vooral bepaald door de inhoud van het recht zoals dat vastligt in de vestigingsakte en de algemene erfpachtvoorwaarden. Heesakkers, TvAR 2015/5804 geeft in een annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:108 (erfpachters/Staatsbosbeheer) een opsomming van oordelen uit de rechtspraak over voorwaarden die aan toestemming voor overdracht verbonden kunnen worden.
De wetsgeschiedenis, doctrine en rechtspraak over het toestemmingsvereiste in erfpachtverhoudingen zijn bestudeerd vanuit de relationele benadering.1 Een toestemmingsvereiste dat betrekking heeft op de beschikkingsmacht over het erfpachtrecht en/of het gebruik van de onroerende zaak maakt deel uit van de inhoud van het erfpachtrecht en heeft als zodanig derdenwerking. Een voor een concrete handeling gevraagde en verleende toestemming vormt echter een eenzijdig gerichte rechtshandeling die werkt tussen bepaalde partijen, namelijk de erfpachter die krachtens de erfpachtvoorwaarden toestemming voor een bepaalde (rechts)handeling dient te vragen en de erfverpachter die de gevraagde toestemming kan verlenen. Daarmee vormt de rechtsfiguur toestemming zelf een verbintenisrechtelijke dimensie binnen de rechtsverhouding. Vanwege het verbintenisrechtelijke karakter van de rechtsfiguur toestemming die bij erfpachtverhoudingen voorkomt in de vorm van wat Bartels noemt ‘wettelijke optionele toestemmingsvereisten’2 staat bij dit onderwerp de verbintenisrechtelijke dimensie van de rechtsverhouding automatisch voorop. Uit een voor een concrete (rechts)handeling verleende toestemming zelf volgen geen verbintenissen.3 Uit de erfpachtvoorwaarden kan voor de erfpachter wel de verplichting volgen voorafgaand aan een bepaalde handeling de erfverpachter om toestemming te verzoeken. Die verplichting kan worden gekarakteriseerd als een verbintenis en het niet nakomen ervan kan serieuze rechtsgevolgen met zich brengen. Geen toestemming vragen waar dat wel vereist is, heeft hetzelfde gevolg als een weigering van toestemming: de erfpachter kan de betreffende handeling niet rechtsgeldig verrichten. Het is nuttig om bij het analyseren van de rechtsontwikkeling onderscheid te maken tussen de verplichting voor de erfpachter toestemming te vragen, een verbintenis die voortvloeit uit het erfpachtrecht, en het verlenen van toestemming door de erfverpachter, een eenzijdige rechtshandeling.
Het wettelijk toestemmingsvereiste bij erfpacht is als volgt geregeld. Een erfpachter is in beginsel bevoegd zijn recht over te dragen omdat beperkte rechten op grond van art. 3:83 lid 1 BW overdraagbaar zijn tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen overdracht verzet. Deze bevoegdheid tot overdracht kan op grond van art. 5:91 lid 1 BW bij de vestiging van het recht worden beperkt door in de vestigingsakte te bepalen dat het erfpachtrecht niet zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen. Voorafgaande toestemming van de erfverpachter kan op grond van art. 5:91 lid 2 BW eveneens worden bedongen in het geval de erfpachter zijn recht wil splitsen door een deel ervan over te dragen en op grond van art. 5:106 lid 7 jo. art. 5:91 lid 3 BW bij overdracht van een appartementsrecht dat is ontstaan na splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten.4 Indien in de vestigingsakte toestemming is bedongen, de erfpachter zijn recht wil overdragen of splitsen en daar toestemming voor vraagt aan de erfverpachter, en de erfverpachter die toestemming zonder redelijke gronden weigert of zich niet verklaart, kan de vereiste toestemming op grond van art. 5:91 lid 4 BW op verzoek van degene die haar behoeft worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter van het arrondissement waarin de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. De verlening en weigering van bedongen toestemming is daarmee onderworpen aan een redelijkheidstoetsing. Indien de erfverpachter bij vestiging geen toestemmingsvereiste heeft gesteld en weigert toestemming voor overdracht of splitsing te verlenen wordt aan de redelijkheidstoetsing niet toegekomen, de erfpachter is in dat geval bevoegd tot overdracht of splitsing zonder toestemming van de erfverpachter.
Het toestemmingsvereiste vormt een beperking van de beschikkingsmacht van de erfpachter over zijn recht. Alle vormen van toestemming behalve die voor bestemmingswijziging moeten in de vestigingsakte door de erfverpachter bedongen worden. De beperking kan dus variëren waarmee het toestemmingsvereiste een indicatie vormt van de krachtsverschillen in de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter. Een recht waarbij voor alle mogelijke (rechts)handelingen vooraf schriftelijke toestemming moet worden verzocht, op straffe van een forse boete, biedt de erfpachter veel minder vrijheid in zijn gebruik dan een recht waarbij voor geen enkele (rechts)handeling toestemming nodig is.5 In de doctrine is aan het toestemmingsvereiste bij erfpacht geen bijzondere aandacht besteed.6 Sommige auteurs stellen dat in de schaarse en casuïstische jurisprudentie geen lijn te ontdekken valt omdat de omstandigheden van geval tot geval verschillen.7 Uit de recente jurisprudentie over het toestemmingsvereiste valt echter wel degelijk een aantal criteria af te leiden dat breder toepasbaar is dan de enkele casus. Daarin heeft de Hoge Raad concrete aanwijzingen voor de rechterlijke toetsing gegeven. Bovendien bevat de wetsgeschiedenis aanwijzingen die nog immer actueel zijn. Naast de toestemming zelf kunnen ook de voorwaarden die erfverpachters aan die toestemming verbinden problemen opleveren. Vaststaat dat toestemming alleen op redelijke gronden geweigerd mag worden en de vraag die daarbij op komt is hoe deze open norm moet worden ingevuld en of een onredelijke weigering kan leiden tot een verplichting tot schadevergoeding.
Het onderzoek naar het toestemmingsvereiste bij erfpachtverhoudingen omvat een overzicht van de jurisprudentie over het wettelijk toestemmingsvereiste in erfpachtverhoudingen en de daaruit afgeleide criteria voor de redelijkheidstoetsing. Hierbij komt tevens aan de orde wat de gevolgen kunnen zijn van een onredelijke weigering van toestemming. Hieronder wordt in par. 4.2 eerst ingegaan op de verschillende vormen, de achtergrond en het rechtskarakter van toestemming. In par. 4.3 komt de wetgeschiedenis aan de orde. Daarna wordt een overzicht gegeven van de jurisprudentie over toestemming voor splitsing, overdracht en bestemmingswijziging in de par. 4.4-4.6, gevolgd door een overzicht van de rechtsgevolgen van ten onrechte geweigerde toestemming in par. 4.7. De gevonden criteria worden gepresenteerd en toegelicht in par. 4.8.