Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.1
16.1 Inleiding
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS419249:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 17 januari 1980, zaak 56/79, Zelger/Salinitri, Jur. 1980, p. 89, NJ 1980, 511, r.o. 3; HvJ EG 4 juli 1985, zaak 220/84, AS-Autoteile/Malhé, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986, 509, r.o. 16; HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-291/90, Reichert II, Jur. 1992, p. 2149, NJ 1996, 315; r.o. 10; HvJ EG 27 januari 2000, zaak C 8-98, Dansommer/Glltz, Jur. 2000, p. 1-393, NJ 2002, r.o. 5; HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597, r.o. 35; AG Alber voor HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p.1-9337, NJ 2001, 599; HvJ EG 10 juni 2004, zaak C-168/02, Kronhofer/Maier c.s., Jur. 2004, p. 1-6009, NJ 2006, 335, r.o. 12; HvJ EG 20 januari 2005, zaak C-464/01, Gruber/Bay Wa, Jur. 2005, p.1-439, NJ 2006, 278, r.o. 32; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 19; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-103/05, Reisch/Kiesel, Jur. 2006, p. 1-6827, r.o. 22; HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06, Arnoldsson/Freeport, n.g., r.o. 34; Gothot/ Holleaux, La Convention, p. 19; Joustra, Preadvies NV1R 2002, p. 22; Kropholler, EZPR, p. 113; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-67; Struycken, Preadvies NV1R 1978 p. 48; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 256; Hof Amsterdam 15 april 1999, NIPR 2000, 297; Hof 's-Hertogenbosch 11 januari 2001, NIPR 2001, 289; Rb. Middelburg 10 december 2003, NJF 2004, 161; Rb. 's-Hertogenbosch 4 mei 2005, NJF 2005, 240 die de bevoegdheid op grond van art. 2 EEX-V° een 'fundamenteel beginsel' noemt; Rb. Rotterdam 5 april 2006, http://www.rechtspraak.nl, LJN AV 9819; Hof Arnhem 16 januari 2007, NIPR 2007, 136.
Strikwerda, Inleiding NIPR, 7' druk, p. 217 met verwijzing; Struycken, Preadvies NV1R 1978, p. 12.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C 412/98, UGIC/Group Josi, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597, r.o. 34-35.
Beraudo, Jurisclasseur, suppl. 3-(1989), facs 3010, nr. 3.
HvJ EG 20 februari, zaak C 106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 13.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 5925, NJ 2003, 597; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 256.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412198, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 5925, NJ 2003, 597, r.o. 47.
Bom, J.T., 1995, p. 2.
Art. 18 laatste zin Verdrag. Helaas is de voorrang niet steeds erkend, bijv. Rb. Alkmaar 4 januari 2001, NIPR 2001, 116.
HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/80, Elefanten Schuh/Ja.cqmain, Jur. 1981, p. 1671, NJ 1981, 546; en Rb. Maastricht 6 juli 2000, NIPR 2002, 118.
Par. 15.7.
De art. 18-21 EEX-V° behoren tot Afdeling 5 inzake arbeidsovereenkomsten die nieuw is in EEX-V°. In Verdrag komen deze beperkingen verspreid voor. Voor forumkeuze zie art. 17 lid 5 Verdrag.
HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151.
In dit hoofdstuk gaat het om de verhouding tussen de art. 2, 4, 5 sub 1, 6, 7/6 bis, 22/16 en 31/24 EEX-V°Nerdrag enerzijds en de art. 23/17 en 24/18 EEX-V°Nerdrag anderzijds. De eerstgenoemde artikelen zijn voor forumkeuze van belang, omdat raakvlakken en soms botsingen tussen forumkeuze en deze bepalingen bestaan.
Alvorens in te gaan op de verhouding per artikel, volgen enige opmerkingen over de structuur van de bevoegdheidsregeling in EEX-V°Nerdrag. Deze is in belangrijke mate bepalend voor de verhouding tussen de artikelen. Daarna ga ik in op de aanknopingspunten die EEX-V°Nerdrag gebruikt voor het bepalen van de internationale bevoegdheid.
In het algemeen wordt aangenomen dat de hoofdregel op het gebied van het internationale bevoegdheidsrecht van het Verdrag zich bevindt in art. 2 Verdrag, het forum rei1' De verweerder dient derhalve in beginsel voor dit gerecht in rechte te worden betrokken. Niet verwonderlijk, omdat in de meeste Europese rechtsstelsels de rechtsmacht van de nationale gerechten wordt bepaald aan de hand van de regels van relatieve bevoegdheid ( ` distributie bepaalt attributie').2In de nationale rechtsstelsels is de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van verweerder een belangrijk uitgangspunt (forum rei) en daarom heeft deze regel als algemeen beginsel ook in EEX-V°Nerdrag een voorname plaats gekregen.3
Toch mag hieruit niet worden geconcludeerd dat daarmee ook een rangorde is gegeven. Hiërarchisch beschouwd, is art. 22 EEX-V°/16 Verdrag de 'primus inter pares' gevolgd door art. 24 EEX-V°/18 Verdrag (stilzwijgende forumkeuze) en daarna ex aequo de artikelen over verzekeringsovereenkomsten (art. 8 e.v. EEX-V°/7 e.v. Verdrag); overeenkomsten met consumenten (art. 15 e.v. EEX-V°/13 e.v. Verdrag) en arbeidsovereenkomsten (art. 18 e.v. EEX-V°) gevolgd door art. 23 EEX-V°/17 Verdrag en eindigend bij de art. 2, 5, 6 en 6 bis/7 EEX-V°Nerdrag.4 Overigens nemen arbeidsovereenkomsten een bijzondere positie in het Verdrag in, omdat een aparte afdeling ontbreekt. Zij zijn moeilijk te klasseren. In beginsel staan zij op gelijke hoogte met de bepalingen over consumenten- en verzekeringsovereenkomsten, zoals blijkt uit de nieuwe Afdeling 6 in de EEX-V°. Indien de structuur van EEX-V°Nerdrag aan de hand van hierboven omschreven rangorde wordt beschouwd, blijkt dat bepalingen van EEX-V°Nerdrag zich hiërarchisch anders verhouden dan volgens de numerieke volgorde. Bij een onderzoek naar de bevoegde rechter moet daarom steeds bovenaan worden begonnen (bij art. 22 EEX-V°/16 Verdrag) om vervolgens trede voor trede de trap af te dalen teneinde de voorrang zoveel mogelijk te respecteren.5 Deze benadering is bij een onderzoek naar de internationale bevoegdheid van de rechter de meest aangewezene. Zo vindt niet meer onderzoek plaats dan noodzakelijk is voor het vaststellen van de bevoegdheid. Voorts worden de vier factoren van aanknoping gerespecteerd, te weten:
Aard van het geschil;
Wil van partijen;
Woonplaats van verweerder6 en
Overige aanknopingspunten, waarbij in beginsel de woonplaats van de eiser geen rol speelt.7.
Deze factoren zijn in deze volgorde van belang.8 Deze hiërarchie leidt ertoe dat bij toepasselijkheid van meer artikelen, het artikel betreffende de hoger gerangschikte factor de doorslag geeft. Waaruit volgt deze hiërarchie? Het artikel waarbij moet worden begonnen bij het onderzoek naar de bevoegde rechter, art. 22 EEX-V°/16 Verdrag, heeft voorrang omdat uit de aanhef en de naam van de titel van de afdeling volgt dat ter zake van in dit artikel genoemde geschillen de genoemde gerechten bij uitsluiting bevoegd zijn. Deze grondslag moet de rechter zelfs ambtshalve toepassen ingevolge art. 25 EEX-V°/19 Verdrag. Miskent een gerecht deze bevoegdheidsgrond,
dan komt de gerechtelijke uitspraak niet voor erkenning of tenuitvoerlegging in de andere EG c.q. verdragsluitende staten in aanmerking (art. 35 EEX-V°/28 Verdrag). Dit conflicteert met art. 23 EEX-V°/17 Verdrag, omdat ook een aangewezen rechter — in beginsel — bij uitsluiting bevoegd is. Bij een huurovereenkomst van onroerend goed zou derhalve een forumkeuze voor een ander gerecht dan het gerecht van de plaats van ligging van het onroerend goed leiden tot een conflict tussen beide bepalingen. Art. 23 lid 5 EEX-V°/17 lid 3 Verdrag bepaalt daarom dat niet afgeweken mag worden van de fora die krachtens art. 22 EEX-V°/16 Verdrag bevoegd zijn. Hiermee komt de voorrang van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag tot uitdrukking. De status van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag blijkt voorts uit de art. 13/12, 17/15 en 21/17lid 5 EEX-V°/ Verdrag. Daarin zijn restrictieve voorwaarden vastgelegd voor een uitdrukkelijke forumkeuze. Art. 23 lid 5 EEX-V°/17 lid 3 Verdrag bevestigt deze voorrang van de bepalingen ter bescherming van zwakkere partijen.
Ook de positie van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag in de afdeling over 'Door partijen aangewezen bevoegd gerecht' leidt in beginsel tot voorrang boven alle andere bepalingen met uitzondering van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag.9 De voorrang van het laatste artikel is uitdrukkelijk bepaald in het slot van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag. Voor art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is geen uitzondering gemaakt en deze bepaling heeft dan ook geen voorrang10boven 24 EEX-V°/18 Verdrag. Voorts heeft art. 24 EEX-V°/18 Verdrag anders dan art. 23 EEX-V°/17 Verdrag voorrang boven de artikelen over verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten.11 De hiërarchische positie van deze artikelen volgt uit de bepalingen zelf.
Tenslotte zijn er de algemene bepalingen van de art. 2, 4, 5, 6 en 31/24 EEX-V°/ Verdrag. Zij zijn alternatief toepasbaar en onderling gelijkwaardig. Art. 31/24 EEX-V°/ Verdrag is een buitenbeentje, omdat het artikel verwijst naar maatregelen in de nationale wetgeving en bovendien eigen regels bevat over bevoegdheid bij voorlopige of bewarende maatregelen.
In dit hoofdstuk staat de verhouding centraal tussen de art. 2, 4, 5 sub 1, 6, 22/16 en 31/24 EEX-V°Nerdrag enerzijds en de art. 23/17 en 24/18 EEX-V°Nerdrag anderzijds. De toepassing van deze artikelen kan conflicten veroorzaken met art. 23/17 of 24/18 EEX-V°Nerdrag, indien een forumkeuze — uitdrukkelijk of stilzwijgend geldig is overeenkomen. De hierboven geschetste hiërarchie is een belangrijke leidraad waarmee rekening moet worden gehouden bij oplossing van de conflicten. Deze leidraad zal in de volgende paragraaf terugkomen. Omwille van een transparante benadering volg ik in dit hoofdstuk niettemin de numerieke volgorde in EEX-V°/ Verdrag. In afwijking daarvan begin ik met een artikel over een mogelijke beperking van het toepassingsbereik van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag in art. 4 EEX-V°Nerdrag. Uit art. 4 EEX-V°Nerdrag lijkt voort te vloeien dat art. 23 EEX-V°/17 Verdrag niet van toepassing is, indien de verweerder geen woonplaats heeft in een EG respectievelijk verdragsluitende staat. De forumkeuze zou dan moeten worden beoordeeld op basis van het commune internationaal privaatrecht. In par. 16.3 behandel ik daarna de verhouding tussen art. 23 EEX-V°/17 Verdrag en de belangrijkste algemene grondslagen voor bevoegdheid, te weten de art. 2, 5 en 6 EEX-V°Nerdrag. Deze artikelen komen gezamenlijk aan bod. Indien een forumkeuze dus exclusief is, derogeert de forumkeuze aan de bevoegdheid van een gerecht krachtens de art. 2, 5 en 6 EEX-V°Nerdrag. Daarna volgt in par. 16.4 een korte beschouwing over art. 7 EEX-V°/6 bis Verdrag.
Vervolgens zou een behandeling van de art. 8-14 EEX-V°/7-12 Verdrag (verzekeringszaken), 15-17 EEX-V°/13-15 Verdrag (consumentenovereenkomsten) en 18-21 EEX-V° (arbeidsovereenkomsten) voor de hand liggen.12 Omdat deze bepalingen voor verzekeringsovereenkomsten, consumenten- en arbeidsovereenkomsten in hoofdstuk 15 aan bod zijn gekomen, sla ik deze bepalingen over. Par. 16.5 gaat over de verhouding tussen de exclusieve fora van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag en de beide artikelen over forumkeuze. Par. 16.6 gaat in op de relatie tussen beide bepalingen over forumkeuze: hoe is de onderlinge verhouding tussen uitdrukkelijke forumkeuze ex art. 23 EEX-V°/17 Verdrag en stilzwijgende forumkeuze ex art. 24 EEX-V°/18 Verdrag indien partijen niet hetzelfde gerecht hebben gekozen. Voorts komt in par. 16.7 de verhouding tussen art. 31 EEX-V°/24 Verdrag en forumkeuze aan de orde. Centraal staat de vraag hoe de verhouding is tussen voorlopige en bewarende maatregelen en forumkeuze. Daarbij bestaat een dilemma: welke voorlopige en bewarende maatregelen moet de aangewezen rechter nemen en welke voorlopige of bewarende maatregelen mag het gerecht nemen dat niet is aangewezen en dat derhalve in de bodemprocedure geen bevoegdheid heeft over de zaak ten principale te oordelen. Par. 16.8 bespreekt de verhouding tussen forumkeuze en de regels over aanhangigheid en samenhang (art. 27 en 28 EEX-V°/21 en 22 Verdrag) mede in het licht van het arrest Gasser/MISAT.13 Daarna gaat par. 16.9 in op de verhouding van de regels over erkenning en tenuitvoerlegging in Titel III van EEX-V°Nerdrag tot forumkeuze.