Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.2.2:10.3.2.2 Pedagogische schaduwfuncties van voorlopige hechtenis
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.2.2
10.3.2.2 Pedagogische schaduwfuncties van voorlopige hechtenis
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierin is de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen overigens niet uniek. Het gebruik van voorlopige hechtenis van minderjarigen voor ‘pedagogische’ doeleinden, zonder dat de wet daarvoor een uitdrukkelijke basis biedt, is een praktijk die in verschillende jurisdicties voorkomt, zo blijkt uit onderzoek (zie par. 5.4.3).
Kamerstukken II 1955-1956, 4141, nr. 3, p. 15. Zie paragraaf 4.4.2.3, onder F.
Vgl. Bortner 1982, p. 245.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede knelpunt dat aan het structureel waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen in de weg staat, betreft de mate waarin de rechterlijke besluitvorming wordt gestuurd door de ‘pedagogische schaduwfuncties’ van voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden, waarmee wordt bedoeld dat deze dwangmiddelen op enigerlei wijze worden gebruikt als instrument ten gunste van – wat de rechter en/of andere professionele actoren beschouwen als – de belangen van de minderjarige en zijn ontwikkeling.1 In het onderhavige onderzoek is duidelijk geworden dat in de jeugdstrafrechtspraktijk de ‘bestraffende’ (als “pedagogisch signaal”), ‘beschermende’, ‘diagnosticerende’ en ‘bijsturende’ schaduwfuncties van voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden een stevige invloed kunnen hebben op rechterlijke beslissingen over onder meer de ernstige bezwaren, de gronden, de schorsing, de schorsingsvoorwaarden en de opheffing van de schorsing (zie hoofdstuk 9 en de analyse van de praktijk in par. 10.2).
Deze pedagogische schaduwfuncties van voorlopige hechtenis hebben geen expliciete wettelijke grondslag. De wetgever heeft in het verleden zelfs uitdrukkelijk overwogen dat uitbreiding van de wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis met een jeugdspecifieke grond die toepassing van voorlopige hechtenis mogelijk zou maken “indien het belang van de minderjarige dit bepaaldelijk vordert” niet past bij het karakter van een dwangmiddel “van strafprocessuele aard”, noch bij de ernst van de inbreuk die hiermee wordt gemaakt op de persoonlijke vrijheid van de minderjarige die in dit stadium van het strafproces nog enkel als verdachte mag worden aangemerkt.2 Binnen het huidige wettelijke kader kunnen de genoemde schaduwfuncties van voorlopige hechtenis slechts gerechtvaardigd zijn als deze ten dienste staan van de verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen die voortvloeien uit de wettelijke gronden van artikel 67a, eerste en tweede lid Sv of als impliciete, bijkomende functie van de voorlopige hechtenis die op basis van de wettelijke gronden is bevolen.
In de praktijk lijken ‘pedagogische belangen’ c.q. ‘hulpverleningsbehoeften’ van de minderjarige verdachte echter voor sommige rechters een min of meer zelfstandige rechtvaardiging te kunnen vormen voor het bevelen van voorlopige hechtenis en het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de schorsing. Rechters stellen ernaar te streven om zoveel mogelijk “maatwerk” te leveren om tegemoet te komen aan de specifieke pedagogische belangen en behoeften van de minderjarige. Opvallend is dat de opvattingen van rechters over welke aanpak pedagogisch verantwoord, wenselijk c.q. effectief is nogal uiteenlopen. Dit draagt bij aan een gedifferentieerde voorlopige hechtenispraktijk, waarin beslissingen over voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden niet alleen afhangen van de omstandigheden en de behoeften van de individuele minderjarige verdachte, maar ook van de percepties van de rechter die de beslissing neemt (zie par. 7.7.5). Dit roept de fundamentele vraag op in hoeverre besluitvorming kan worden bestempeld als maatwerk of toch eerder als willekeur, indien verschillen tussen beslissingen in – qua strafbare feiten – soortgelijke zaken niet enkel te maken hebben met de verschillende omstandigheden van de minderjarigen, maar ook sterk samenhangen met verschillen in de opvattingen van de verschillende besluitvormers.3
Vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en de onvoorzienbaarheid van de precieze implicaties van de genoemde pedagogische schaduwgronden, kan worden gesteld dat de praktijk waarin rechters de voorlopige hechtenis inzetten met als primair doel om tegemoet te komen aan de specifieke pedagogische belangen en behoeften van de minderjarige verdachte onvoldoende bescherming biedt tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming van minderjarigen, zoals bedoeld in artikel 37(b) IVRK, artikel 9, eerste lid IVBPR en artikel 5, eerste lid EVRM. Dit geldt ook voor gevallen waarin de rechter op basis van pedagogische overwegingen – via een creatieve interpretatie van de wettelijke criteria – een bevel tot voorlopige hechtenis afgeeft om dit vervolgens direct te schorsen onder voorwaarden en daarmee vroegtijdig ambulante hulpverlening faciliteert. Indien de minderjarige vervolgens tijdens de schorsing niet goed meewerkt met deze hulpverlening, kan de opheffing van de schorsing er immers toe leiden dat het aanvankelijk op oneigenlijke (schaduw)gronden afgegeven bevel tot voorlopige hechtenis uiteindelijk toch resulteert in de feitelijke vrijheidsbeneming van de minderjarige verdachte.
Om een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen te garanderen, dienen rechters aldus enkel over te gaan tot het bevelen van voorlopige hechtenis of het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een schorsing indien dit strikt noodzakelijk en proportioneel is met het oog op de verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen die voortvloeien uit (een EHRM-rechtspraakconforme interpretatie van) de gronden die zijn neergelegd in artikel 67a, eerste en tweede lid Sv. De pedagogische invalshoek van het jeugdstrafrecht dient in dit kader vooral vorm te krijgen in de wijze waarop de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt nagestreefd en kan zich bijvoorbeeld vertalen in de wijze van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis (vgl. het pedagogische regime in de justitiële jeugdinrichting) of in de inzet van op behandeling en gedragsbeïnvloeding van de minderjarige gerichte schorsingsvoorwaarden, waarmee acuut recidivegevaar kan worden afgewend. Hierbij geldt onverkort het uitgangspunt dat tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur mag worden toegepast.