De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.7.3:17.7.3 Vier mogelijke verklaringen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.7.3
17.7.3 Vier mogelijke verklaringen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370145:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat de oorzaak is van, om het maar gewoon zo te noemen, de verkeerde interpretaties van art. 3:317 BW, is niet met zekerheid te zeggen. Ik kan vier verklaringen bedenken.
Ten eerste. Onder het oude BW (art. 2016) kon slechts een per deurwaardersexploot uitgebrachte aanmaning de verjaring stuiten. Aan dat voorschrift werd in de rechtspraak streng de hand gehouden.1 Voor in oud-BW geschoolde rechters is derhalve het vervallen van de vereiste van een deurwaardersexploot al een aanzienlijke deformalisering. Dat de mededeling die al niet eens meer door een deurwaarder hoeft te worden uitgebracht, nu zelfs wat haar inhoud betreft niet meer aan 'strikte vereisten' behoeft te voldoen, loopt wellicht te zeer uit de pas met het onder oud-BW geïnternaliseerde beeld van 'de stuitingshandeling'.
Daarbij speelt wellicht een rol de tweede mogelijke verklaring dat de tekst van de wet ook wel oproept tot een strikte benadering. Bakels schrijft in zijn evengeciteerde Conclusie dat hem van "strikte eisen" in art. 3:317 BW niets bekend is. Maar in art. 3:317 BW staat wel dat sprake moet zijn van een "schriftelijke aanmaning" of van een "schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt". Verdedigbaar is op zichzelf inderdaad wel dat dat geen "strikte eisen" zijn, maar met name de woorden "ondubbelzinnig (...) voorbehoudt" wekken de indruk dat er wel zeer stevige taal gesproken moet worden wil sprake zijn van een mededeling in bedoelde zin. De rechter die zich louter op de tekst van de wet baseert, en die niet helder de nuancerende overweging van HR 14 februari 1997 voor ogen heeft, oordeelt dus snel te streng.
Ten derde, maar ik begeef mij bij gebreke van bewijsvoering een beetje op glad ijs, ontstaat wel eens de indruk dat feitenrechters in, zoals de Engelsen zeggen, litigation over stale claims, where the quality of evedicence is likely to be poor, de verjaring graag aanwenden omdat van een fatsoenlijk debat over de vordering weinig meer terecht kan komen. Als de procedure bijvoorbeeld zeven jaar na de onrechtmatige daad aanvangt, zullen veelal de bewijsmiddelen ernstig te lijden hebben gehad, ook als de verjaring na bijvoorbeeld 4,5 jaar werd gestuit. Het is dan wellicht verleidelijk om daar waar dat ook maar enigszins mogelijk lijkt, die stuitingshandeling 'weg te schrijven'.
Ten vierde is het mogelijk dat rechters als volgt redeneren: onderhandelingen stuiten niet, dus een brief die in het kader van onderhandelingen wordt geschreven stuit ook niet. Die redenering is om twee redenen ongelukkig: (i) de regel dat onderhandelingen niet stuiten verdient tegenspraak — daarover verderop meer2 — maar (ii) ook tot uitgangspunt nemend dat onderhandelingen op zichzelf inderdaad niet zouden stuiten, kan men nog niet redeneren dat een brief die onderdeel van de onderhandeling vormt niet tevens zelfstandig zou kunnen stuiten — ook daarover verderop meer. Toch lijkt een dergelijke a contrario-gedachte wel ten grondslag te liggen aan bijvoorbeeld het hiervoor geciteerde vonnis van de Rechtbank Amsterdam.