Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.4.2.2.2
7.4.2.2.2 Toelichting en rechtvaardiging
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971859:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.5, waarover uitgebreid par. 5.2.4.5.3 hiervoor.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6; en Hof Amsterdam (OK) 14 juli 2023, ARO 2023/107 (Landgoed den Alderinck II), r.o. 3.12.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6: “Anderzijds hebben Pieter c.s. de door vader in het leven geroepen beperkte zeggenschaps- en informatierechten te respecteren en hebben zij geen beslissings- of instemmingsbevoegdheden met betrekking tot APM en kunnen zij ook geen aanspraak maken op verstrekking van daarbij behorende of daarvoor benodigde informatie, bijvoorbeeld ter zake van de plannen omtrent de ontvlechting en het verloop van de onderhandelingen over de Spoorzone.”
Informatierechten dienen aan te sluiten bij de rol en positie van de informatiegerechtigde. Het zijn immers de rol en positie van de kapitaalverschaffer die bepalen over welke aangelegenheden hij een informed judgment dient te kunnen vormen. In dit verband komt gewicht toe aan de hoedanigheid van de kapitaalverschaffer en de wijze waarop daaraan invulling wordt gegeven binnen de vennootschap. Steeds dient te worden gekeken hoe de betreffende informatie zich verhoudt tot de rol en positie van de kapitaalverschaffer. De rol en positie van de kapitaalverschaffer zijn aldus relevant voor zowel de vraag of aan het redelijk belang-vereiste is voldaan als de invulling van een eventueel informatierecht voor wat betreft de breedte en gedetailleerdheid van de te verstrekken informatie.1 Dit gezichtspunt kan niet los worden gezien van het eerste gezichtspunt; in het algemeen zullen kapitaalverschaffers nauwer betrokken worden in besloten samenwerkingsverbanden dan in meer open verhoudingen.
Bij het vaststellen van de rol en positie van de kapitaalverschaffer, zal het meeste gewicht toekomen aan zijn hoedanigheid, de omvang van zijn kapitaalbelang en de rechten die daaraan zijn verbonden. In dit onderzoek is steeds als uitgangspunt genomen de houder van gewone aandelen, waaraan het stemrecht en winstrecht is verbonden en waarvoor geen certificaten zijn uitgegeven. Indien die rechten (deels) zijn beperkt, dan kunnen die beperkingen doorwerken in de informatierechten van de betrokken kapitaalverschaffer. Zo zullen de zeggenschapsbelangen van aandeelhouders wel een rol spelen bij de vraag of zij een redelijk belang hebben bij informatie van de vennootschap, maar zal dit anders liggen voor certificaathouders zonder vergaderrecht. Voor certificaathouders met vergaderrecht of houders van stemrechtloze aandelen ligt dit genuanceerder, omdat zij worden opgeroepen voor aandeelhoudersvergaderingen en daar kunnen deelnemen aan de beraadslaging en discussie als gevolg waarvan zij een zekere invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming van de algemene vergadering.
Naarmate de hoedanigheid van de kapitaalverschaffer meebrengt dat hij op meer afstand staat van de vennootschap en een beperktere rol speelt in haar organisatie, zal hij ook beperktere toegang nodig hebben tot informatie om die rol op geïnformeerde wijze te kunnen vervullen.2 Het zwaartepunt verschuift dan steeds meer naar de bescherming van vermogensrechtelijke belangen.
Ik schets het voorgaande aan de hand van twee situaties. De eerste situatie ziet op een voorgenomen tegenstrijdig belang-transactie. In dat geval zal een certificaathouder zonder vergaderrecht in het algemeen op gelijke wijze moeten worden geïnformeerd als een aandeelhouder. Zowel de certificaathouder als de aandeelhouder dienen immers in staat te zijn een informed judgment te vormen over de mogelijke impact van de tegenstrijdig belang-transactie op hun positie; een dergelijke transactie raakt mogelijk aan hun vermogensrechtelijke belangen. Hierin uit zich de zorgfunctie van het informatierecht. De tweede situatie ziet op een materiële transactie die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. De aandeelhouder dient in staat te worden gesteld om (i) te bepalen of het voorstel raakt aan zijn belangen; en (ii) te komen tot een geïnformeerd standpunt ten aanzien van dat voorstel. Aan de certificaten zijn echter geen vergader- of andere zeggenschapsrechten verbonden, reden waarom de houder daarvan hier in beginsel niet over hoeft te worden geïnformeerd.3 Dat is slechts anders indien de zorgfunctie van het informatierecht daartoe noopt. In dat geval dient hij in staat te worden gesteld om op geïnformeerde wijze te bepalen of hij door de transactie in zijn vermogensrechtelijke belang wordt geraakt. Dit laatste zal in het algemeen nopen tot minder verstrekkende en gedetailleerde informatieverstrekking dan benodigd om de aandeelhouder in staat te stellen om tot een geïnformeerd besluit te komen.
Tegelijkertijd speelt hierbij ook een rol op welke wijze partijen invulling geven aan de rol van de kapitaalverschaffer. Zo zal een certificaathouder die regelmatig betrokken wordt bij bepaalde operationele aangelegenheden, nauwer betrokken zijn bij de onderneming dan een passieve aandeelhouder die jarenlang geen interesse heeft getoond in de gang van zaken binnen de onderneming. Denkbaar is dat deze betrokken certificaathouder eerder recht heeft op meer informatie met betrekking tot die operationele aangelegenheden dan de aandeelhouder op afstand.
Hoe verhoudt het voorgaande zich tot de bijzondere positie van de STAK? De STAK vervult in de regel met name een instrumentele rol als ‘doorgeefluik’ voor de certificaathouders. Haar bestuur bestaat dan veelal uit een of meer vertegenwoordigers van zowel de certificaathouders als de vennootschapsleiding, al dan niet aangevuld met een of meer onafhankelijk bestuurders. De STAK heeft dan slechts een zeggenschapsrechtelijk belang bij informatie, aangezien zij op de door haar gehouden aandelen zal stemmen, maar geen eigen vermogensrechtelijk belang, aangezien dit bij de certificaathouders zal liggen.
Het voorgaande dwingt tot een onderscheid tussen de toegang tot informatie rondom de algemene vergadering en daarbuiten. Buiten vergadering zal het informatierecht van de STAK worden bepaald door de belangen van haar achterban. De vennootschap kan er dan naar eigen inzicht voor kiezen om ofwel de certificaathouders rechtstreeks te informeren ofwel de informatieverstrekking via de STAK te kanaliseren. Ik zie dan geen eigen belang van de STAK. Dit houdt verband met de zorgfunctie van de informatierechten buiten vergadering. Bij de informatieverstrekking in de voorfase van de besluitvorming en tijdens de aandeelhoudersvergadering ligt dat anders. Het STAK-bestuur dient in staat te worden gesteld een eigen oordeel te vormen over voorstellen die aan de algemene vergadering worden voorgelegd. Dit houdt verband met de zeggenschapsfunctie van het informatierecht. Het is immers de STAK, en niet haar achterban, die het stemrecht op de aandelen ter vergadering uitoefent. De STAK kan ervoor kiezen om op basis van de aan haar verstrekte informatie bij de certificaathouders te rade te gaan, zodat hun standpunten kunnen worden meegenomen bij het bepalen van de wijze waarop de STAK ter vergadering zal stemmen, maar zal daartoe in beginsel niet verplicht zijn. Indien aan de certificaten het vergaderrecht is verbonden, zullen de certificaathouders die informatie in principe ook zelf ontvangen zodat zij op geïnformeerde wijze kunnen deelnemen aan de discussie ter vergadering en zo nodig vragen kunnen stellen. Is aan de certificaten geen vergaderrecht verbonden, dan kunnen de certificaathouders ook niet zonder meer aanspraak maken op de informatie die in dit verband aan de STAK is verstrekt.