De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.5:1.5 Verantwoording
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.5
1.5 Verantwoording
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250223:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Beckman 1995a.
E.C.A. Nass 2019.
HR 11 april 2014, JOR 2014/199, m.nt. Van Dooren (UWV/Econcern), HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, m.nt. Josephus Jitta (Minister van Financiën/VEB c.s.), HR 3 april 2015, JOR 2015/191, m.nt. Faber en Vermunt (Eikendal q.q./Lentink) en HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, m.nt. De Haan (SNS/Curatoren).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De proefschriften van Beckman1 en Nass2 uit 1995, respectievelijk 2019 zijn uitgebreide studies met betrekking tot het groepsregime. Naar mijn mening bestaat er naast beide onderzoeken nog ruimte voor een aanvullende studie ten aanzien van het groepsregime. Beckman en Nass hebben in de eerste plaats onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de jaarrekeningvrijstelling. Zij hebben de voorwaarden onderzocht waaraan moet worden voldaan opdat een 403-maatschappij gebruik mag maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Mijn onderzoek ziet daarentegen specifiek op een van deze voorwaarden: de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring.
In mijn onderzoek besteed ik veel minder aandacht aan de voorgangers van art. 2:403 BW dan Beckman, en ook de vergelijking met de Europese richtlijnen en de equivalenten van het groepsregime in Luxemburg, Ierland en Duitsland is aanzienlijk minder uitgebreid dan in het onderzoek van Nass. In plaats daarvan biedt mijn onderzoek in het bijzonder inzicht in onderwerpen die gerelateerd zijn aan de 403-aansprakelijkheid van een moedermaatschappij, zoals de reikwijdte van deze aansprakelijkheid, de civielrechtelijke duiding van een vordering op grond van een 403-verklaring, de intrekking van deze verklaring en de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Deze onderwerpen hebben tot op heden in de literatuur en de jurisprudentie ook de meeste aandacht gekregen. Vooral de reikwijdte van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij is veel aan de orde gekomen, maar sinds de jaren tien van deze eeuw is de focus – mede door verschillende arresten en beschikkingen van de Hoge Raad3 – meer en meer verschoven naar de civielrechtelijke duiding van een vordering op grond van een 403-verklaring, de intrekking van deze verklaring en de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.
Ik meen dat mijn onderzoek complementair is aan die van Beckman en Nass – waarbij er vanzelfsprekend enige overlap bestaat. Door de combinatie van deze drie onderzoeken bestaat er een bijzonder uitgebreid en diepgaand inzicht ten aanzien van een regeling die uiteindelijk is terug te voeren tot twee wetsartikelen: art. 2:403 en art. 2:404 BW.