Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.3
1.3 Onderzoeksmethode
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250392:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.2.2.
Zie art. 70 Loi du 19 décembre 2002, Mémorial A-N 149, 31 décembre 2002, met inachtneming van de wijzigingen bij Loi du 18 décembre 2009, art. 99 onder nr. 3, Mémorial A-N 22, 10 février 2010, bij Loi du 30 juillet 2013, onder nr. 29, Mémorial A-N 177, 2 octobre 2013 en bij Loi du 27 mai 2016, art. 1er onder nr. 24, Mémorial A-N 94, 30 mai 2016. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 31-33.
Zie section 357 Companies Act 2014. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 33-34.
Zie § 264 Absatz 3 & 4 Handelsgesetzbuch. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 35-38.
De aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring is niet los te zien van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Als een 403-maatschappij gebruikmaakt van deze vrijstelling kunnen de crediteuren de jaarrekening niet inzien. Zij worden voor dit gebrek aan inzicht gecompenseerd doordat zij op grond van de 403-verklaring een aanvullende vordering krijgen op de moedermaatschappij van wie zij de geconsolideerde jaarrekening wel kunnen inzien.
Om te kunnen onderzoeken hoe de 403-aansprakelijkheid moet worden uitgelegd in het licht van de functie die deze aansprakelijkheid vervult bij de compensatie van de crediteuren van de 403-maatschappij, moet eerst worden vastgesteld welk nadeel een crediteur ondervindt als de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Daarnaast is het van belang om na te gaan wat de compensatie voor de crediteuren inhoudt en welke functie de 403-aansprakelijkheid daarbij vervult in samenhang met de mogelijkheid voor de crediteuren om de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij in te zien.
De functie van de 403-aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren is de eerste pijler waarop ik de uitleg van deze aansprakelijkheid baseer. De tweede pijler hangt samen met het feit dat de crediteuren geen invloed hebben op de keuze van de 403-maatschappij om gebruik te (blijven) maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime, noch op de keuze van de moedermaatschappij om de 403-verklaring in te trekken en om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Ik betoog daarom dat de compensatie voor een crediteur zodanig moet zijn dat het nadeel dat hij ondervindt ten opzichte van de situatie dat de 403-maatschappij geen gebruik zou maken van de jaarrekeningvrijstelling volledig is weggenomen. Daarnaast meen ik dat een crediteur door de intrekking van de 403-verklaring en de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid niet in een nadeliger positie mag komen in vergelijking met de situatie dat deze verklaring niet zou zijn ingetrokken, respectievelijk dat de aansprakelijkheid niet zou zijn beëindigd. Omgekeerd moet mijns inziens ook zo veel mogelijk worden voorkomen dat een crediteur door de compensatie die hij ontvangt in een voordeliger positie komt.
Bovenstaande twee pijlers vormen samen het door mij bepleite uitgangspunt voor de compensatie van de crediteuren van een 403-maatschappij. Voor ieder van de vier eerdergenoemde thema’s met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid1 onderzoek ik aan de hand van dit uitgangspunt hoe deze aansprakelijkheid mijns inziens moet worden uitgelegd of hoe het huidige recht moet worden aangepast. Dit onderzoek verloopt telkens op dezelfde wijze.
De methode van onderzoek is juridisch-dogmatisch van aard. Per onderwerp onderzoek ik eerst hoe de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring naar huidig recht wordt uitgelegd. Daarbij verwijs ik onder meer naar de wet, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot het desbetreffende onderwerp. Daarnaast wordt op plaatsen waar dat relevant is de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring vergeleken met regelingen uit andere rechtsgebieden, de bepalingen in Europese richtlijnen waarvan art. 2:403 BW de implementatie is,2 en de equivalenten van het groepsregime in Luxemburg,3 Ierland4 en Duitsland.5 Ik vergelijk de verschillende standpunten ten aanzien van de uitleg van de 403-aansprakelijkheid met elkaar door een overzicht te geven van de argumenten voor en tegen iedere uitleg, en door na te gaan tot welke gevolgen iedere uitleg in verschillende situaties leidt.
Vervolgens onderzoek ik tot welke uitkomst het door mij bepleite uitgangspunt voor de compensatie van de crediteuren leidt. Tot slot ga ik na welk van de huidige standpunten ten aanzien van de uitleg van de 403-aansprakelijkheid overeenkomt met de uitkomst volgens mijn uitgangspunt. Als geen van de standpunten tot deze uitkomst leidt, doe ik op basis van het door mij bepleite uitgangspunt een voorstel hoe de aansprakelijkheid op grond van de 403- verklaring moet worden uitgelegd of hoe het huidige recht moet worden gewijzigd om tot deze uitkomst te komen.
Bovenstaande onderzoeksmethode leidt tot een gestructureerd onderzoek ten aanzien van de uitleg van de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring. Hierdoor ontstaat een overzicht hoe het huidige recht moet worden uitgelegd of gewijzigd op basis van één overkoepelend uitgangspunt. Omdat ieder onderwerp op basis van dit uitgangspunt wordt onderzocht, wordt ook de wisselwerking tussen de verschillende onderwerpen inzichtelijk. Daarnaast biedt deze werkwijze de mogelijkheid om in de toekomst onderwerpen die niet in dit onderzoek aan de orde zijn gekomen op dezelfde manier en op basis van hetzelfde uitgangspunt te onderzoeken.