Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.4.3
3.4.3 Discussiepunt 2: Complexiteit van het model
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS302843:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Glackin 2014, p. 24.
Simmonds 2000, p. 151.
Sumner 1987, p. 45.
Stevens 2007, p. 4.
Eleftheriadis 1996, p. 43.
Hohfeld 1917, p. 718. Deze begrippen corresponderen met de continentaal-Europeesrechtelijke begrippen ‘absoluut’ en ‘relatief’ recht; zie Eleftheriadis 1996, p. 43. Let wel dat in rem dus niet gelijkstaat aan ‘op een goed’, maar met ‘jegens alle andere personen afzonderlijk’; Hohfeld 1917, p. 728.
Penner 1997, p. 27. Een verwant kritiekpunt is dat het niet kennen van de wederpartij een relatie niet onmogelijk maakt, maar hoge transactiekosten met zich brengt. Dit bespreek ik in randnummer 161-162.
Zie Smith 2011b, p. 154 en de meningen verkondigd in Simmonds 2000, p. 151.
2014, p. 13. Zie ook Eleftheriadis 1996, p. 45, die aangeeft dat de wederpartijen slechts “more or less adequately defined” moeten zijn.
Nyquist 2002, p. 247; Rainbolt 2006, p. 47; Sichelman 2019, p. [16]. Nyquist geeft aan dat de relaties met andere personen als radiogolven zijn: ze zijn overal, maar vallen pas op als je ernaar zoekt.
Simmonds 2000, p. 151-152; Gold & Smith 2019, p. [11].
Sumner 1987, p. 26; Edmundson 2004, p. 92.
Zoals gesteld door Stevens 2007, p. 6.
Bamforth 2001, p. 7.
92. De combinaties van verschillende juridische posities waar een subjectief recht uit kan bestaan zijn bijna eindeloos. Hierboven besprak ik al dat een subjectief recht uit verschillende soorten juridische posities bestaat. Van elke soort positie kan een subjectief recht er meerdere hebben; zo houdt een eigendomsrecht op een stuk grond onder meer in een ‘liberty’ om het stuk grond te gebruiken, een ‘liberty’ om het stuk grond te vervreemden, een ‘liberty’ om afstand van het stuk grond te doen, etc. Men zou zelfs nog verder kunnen gaan door de posities uit te splitsen in ruimte en/of tijd: een ‘liberty’ om de begane grond van een huis te gebruiken, een ‘liberty’ om de zolder van een huis te gebruiken, een ‘liberty’ om de begane grond van een huis te gebruiken in april, een ‘liberty’ om de begane grond van een huis te gebruiken in mei, etc.1 Critici van het model van Hohfeld wijzen erop dat het lastig is om met een model te werken dat vereist dat een groot aantal juridische posities wordt gebruikt om een simpel subjectief recht weer te geven.2 Voorstanders beamen dat ook; het heeft geen enkele zin om alle juridische posities uit te spellen waaruit een subjectief recht kan bestaan.3 In plaats daarvan wordt bij het bespreken van rechten steeds slechts de focus gelegd op de voor de te bespreken casus meest relevante juridische posities en worden de andere posities bekend verondersteld. Ook worden in het spraakgebruik waar mogelijk juridische posities samengevoegd.4 Dat betekent dus dat er gesproken wordt over een ‘liberty’ om een huis te gebruiken, in plaats van een ‘liberty’ voor het gebruik van de benedenverdieping, zolder, in april, in mei, etc. Zolang de verschillende juridische posities maar juist worden aangegeven (een ‘claim’ wordt niet verward met een ‘liberty’), maakt het voorstanders van Hohfeld’s model niet zo veel uit dat de inhoud van die juridische posities zo simpel mogelijk wordt samengevat.
93. Hetgeen in de literatuur echter voor de meeste weerstand zorgt, is het feit dat het model van Hohfeld vasthoudt aan het omschrijven van juridische posities in een verhouding van persoon tot persoon. Daardoor bestaat een subjectief recht uit minstens evenveel juridische posities als dat er personen zijn ten opzichte waarvan de rechthebbende een juridische positie in kan nemen. Zo houdt een eigendomsrecht van A een ‘liberty’ in om de zaak te gebruiken jegens B, een ‘liberty’ om de zaak te gebruiken jegens C, etc. Het betreft dus niet één ‘liberty’ jegens alle andere personen gezamenlijk, maar een veelheid van ‘liberties’ jegens ieder afzonderlijk lid van een grote groep onbepaalde personen.5 Op een soortgelijke wijze heeft de rechthebbende van een vordering een ‘claim’ jegens B dat deze geen inbreuk op de vordering maakt, eenzelfde ‘claim’ jegens C, etc. Ook hier betreft het een veelheid van ‘claims’ jegens ieder afzonderlijk lid van een grote groep onbepaalde personen, in plaats van één ‘claim’ jegens al deze personen gezamenlijk. Zulke juridische posities worden door Hohfeld posities in rem (ook wel: ‘multital relations’) genoemd, in contrast met posities die in personam zijn (ook wel: ‘paucital relations’) en die alleen gelden jegens specifieke personen.6
Voorbeelden van juridische posities in personam die A als eigenaar van zijn grond heeft jegens (enkel) buurman B zijn in Nederland onder meer te vinden in het burenrecht: een ‘claim’ om gevrijwaard te blijven van hinder (5:37 BW), een ‘liberty’ om na vergeefse aanmaning overhangende takken weg te halen (art. 5:44 BW), een ‘power’ tot het vorderen van het optrekken van een scheidsmuur (art. 5:49 BW) en, indien voor de weigering daartoe gewichtige redenen bestaan, een ‘immunity’ om van zijn onroerende zaak gebruik te laten maken voor het verrichten van werkzaamheden (art. 5:56 BW). Steeds heeft B, als wederpartij van A, in hun onderlinge relatie de ‘correlative’ van de positie van A. Voorbeelden van juridische posities in rem die A heeft jegens ieder in aanmerking komend lid van ‘the public at large’, zijn een ‘claim’ om inbreukmakend gebruik van zijn grond te beëindigen, een ‘liberty’ om van zijn grond gebruik te maken zoals hij wil, een ‘power’ om zijn grond te koop aan te bieden en een ‘immunity’ om tegen zijn wil zijn grond te moeten verkopen of wegschenken.
94. De kritiek op het uitgangspunt dat een subjectief recht bestaat uit juridische posities jegens alle andere personen afzonderlijk, in plaats van jegens één grote groep anderen, valt in twee delen uiteen. Ten eerste wordt gesteld dat het niet mogelijk is voor een rechthebbende om een juridische positie te hebben jegens partijen die hij niet kent.7 Ten tweede wordt gesteld dat het omschrijven van een goederenrechtelijk recht op deze wijze nodeloos ingewikkeld is.8 Voorstanders van het model antwoorden op het eerste bezwaar dat het niet van belang is of de rechthebbende iemand kent of niet.9 In een concrete casus zullen slechts andere personen aan de orde komen die daadwerkelijk iets met het recht van doen hebben. De extra complexiteit van het model – het tweede bezwaar – valt daarom ook wel mee.10 Ze zijn daarom bereid om ook hier het spraakgebruik te versimpelen. Zo kan bijvoorbeeld gezegd worden dat iemand een ‘liberty’ heeft om zijn grond te gebruiken zoals hij wil jegens iedereen, mits duidelijk is dat dat slechts een verkorte manier is om te zeggen dat iemand een ‘liberty’ heeft om zijn grond te gebruiken jegens iedere andere persoon afzonderlijk.11 Is hier sprake van juridische haarkloverij? Ik meen van niet.
95. De reden daarvoor is dat een subjectief recht kan bestaan uit juridische posities die per wederpartij verschillen. Het feit dat iemand bijvoorbeeld een ‘liberty’ heeft jegens de één, wil nog niet zeggen dat hij een (zelfde) ‘liberty’ heeft jegens de ander.12 Als men dat niet goed in de gaten houdt, dan kan dat tot onjuiste gevolgtrekkingen leiden. Zo wordt in de literatuur wel gesteld dat een vordering tot betaling van een geldsom niet jegens derden kan worden ingeroepen, omdat een vordering alleen geldt jegens de wederpartij.13 Dat is een onvolledige omschrijving van een vorderingsrecht. Een vordering behelst een ‘claim’ tot betaling van de geldsom jegens de wederpartij, maar evengoed een set ‘claims’, ‘liberties’, ‘powers’ en ‘immunities’ jegens alle anderen afzonderlijk om het ongestoorde genot van het vorderingsrecht te waarborgen (zie randnummer 87). Het onderscheiden tussen de schuldenaar en de andere personen waarmee de rechthebbende van het vorderingsrecht in een rechtsbetrekking staat, maakt dat duidelijk. Zo kan de rechthebbende jegens ieder ander persoon afzonderlijk een ‘liberty’ inroepen om met de vordering te doen wat hem goeddunkt. Zou het dan niet mogelijk zijn om te zeggen: de rechthebbende van het vorderingsrecht heeft één ‘liberty’ jegens alle anderen gezamenlijk? Dat kan – als verkorte spreekwijze – geen kwaad, zo lang men er maar zeker van is dat de rechthebbende een exact identieke ‘liberty’ heeft jegens alle anderen. Als dat niet het geval is, dan is spreken over één ‘liberty’ jegens alle anderen gezamenlijk nietszeggend. Als er bijvoorbeeld een pandhouder is van de vordering, of een vruchtgebruiker, of iemand die de vordering kan verrekenen, of iemand die de overdracht van de vordering kan vernietigen op grond van de actio Pauliana, dan dient daar rekening mee te worden gehouden. In een concrete casus zal dus toch steeds geoordeeld moeten worden wat de precieze verhouding van de betrokken partijen is. Het ‘voordeel’ van het in één keer omschrijven van een juridische positie jegens alle anderen verliest daarmee aan kracht.14