Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.1
2.1 Inleiding
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855299:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
IBO 2015, p. 15; Bennaars & Popma 2018, p. 84; WRR 2020, p. 84.
IBO 2015, p. 17; CBS 2018, p. 59; SCP 2018, p. 29, 46, 91 en 174; CBS 2019b; WRR 2020, p. 97; Montebovi 2021, p. 46; CBS 2021b, p. 9 en 67.
SCP 2018, p. 46.
Een gevolg daarvan is dat de opdrachtnemer met een laag tarief niet of in zeer beperkte mate kan onderhandelen over de hoogte van zijn beloning (en andere voorwaarden). Oftewel: de opdrachtgever bepaalt onder deze omstandigheden doorgaans het tarief van de opdrachtnemer. Uit onderzoek van Bouma en Frouws blijkt dat bij de grens van een tarief van (omgerekend) minder dan € 20 per uur in belangrijke mate door de opdrachtgever wordt bepaald (Bouma & Frouws 2011, p. 48).
Hierin schuilt het gevaar van een race to the bottom (concl. A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2020:698 voor HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam)).
In het Pensioenakkoord heeft het kabinet afgesproken dat er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor opdrachtnemers moet komen (Kamerstukken II 2018/19, 32 043, 457). Dit moet o.a. een financieel vangnet gaan bieden voor opdrachtnemers die arbeidsongeschikt raken. Vanwege de gekozen invalshoek laat ik dit aspect verder onbesproken. Zie uitgebreider hierover Kamerstukken II 2020/21, 29 544, 1044.
Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 219, p. 3; Algemeen deel MvT Wmz (concept), p. 10.
IBO 2015, p. 45; Kösters, Van den Brakel & Loog, Sociaaleconomische trends 2016/07, p. 10.
De WML is geen verbintenisrechtelijke regeling. Het buiten beschouwing laten van deze regeling, die ziet op inkomensbescherming en van toepassing is op een deel van de opdrachtnemers, zou kunnen leiden tot een vertekend beeld van het verbintenisrechtelijke beschermingsniveau op het thema loon, vandaar dat de WML wel in deze (verbintenisrechtelijke) rij is opgenomen.
Stb. 2017, 359.
Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 219, p. 4 en 6; Algemeen deel MvT Wmz (concept), p. 3.
Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 3; Kamerstukken II 2019/20, 35 074, T, p. 3.
Dit is de meest voorkomende vergoeding die de opdrachtgever is verschuldigd voor de door de opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden. Andere vormen van loon blijven dus onbesproken, zoals in natura. Overigens is loon geen definitie-element van de overeenkomst van opdracht ex art. 7:400 lid 1 BW (en kan de opdracht dus ook ‘om niet’ geschieden).
Het onderwerp ‘loon’ houdt verband met de bestaanszekerheid van de opdrachtnemer aan de onderkant (zie paragraaf 1.2). Dit onderwerp heeft de afgelopen jaren in relatie tot deze opdrachtnemer dan ook veel belangstelling genoten. Met name de hoogte van dit loon is veelvuldig onderwerp van discussie geweest. Een van de redenen daarvan is dat geen categorie werkenden zodanige inkomensverschillen kent als de opdrachtnemers.1 Een andere reden is dat de opdrachtnemer van alle werkenden het meeste risico op financiële kwetsbaarheid loopt, die mogelijk tot armoede kan leiden.2 Een belangrijke oorzaak van dit risico is het gegeven dat menig opdrachtnemer in een precaire situatie slechts een laag tarief in rekening kan brengen.3 De werkzaamheden die de opdrachtnemer met een laag tarief verricht, karakteriseren zich meestal door een bepaalde laagdrempeligheid, waardoor dit werk door potentieel veel werkenden kan worden uitgevoerd. Het concurreren op basis van het tarief is daardoor vaak dé manier om de opdracht te verkrijgen.4 Dat kan leiden tot een neerwaartse druk op de tarieven van deze opdrachtnemers.5 Hierdoor kunnen zij de kosten van bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid6 of het opbouwen van reserves voor het geval dat opdrachten uitblijven in de regel niet doorberekenen in hun tarieven,7 als zij überhaupt al voldoende verdienen om in hun noodzakelijke levensbehoefte te kunnen voorzien.8
De financiële kwetsbaarheid van een deel van de opdrachtnemers heeft onder meer geleid tot verschillende wetgeving(sinitiatieven). Zo is sinds 1 januari 2018 de reikwijdte van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML)9 verruimd tot een grotere groep opdrachtnemers.10 Vanwege het armoederisico van opdrachtnemers enerzijds en ongewenste concurrentie op beloning tussen zowel opdrachtnemers onderling als tussen opdrachtnemers en werknemers anderzijds ging in 2019 het voorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen (Wmz) in consultatie.11 Ondanks het armoederisico onder opdrachtnemers en deze ongewenste concurrentie op beloning is de Wmz niet verder uitgewerkt, wat geen verband hield met de achterliggende gedachte van het voorstel, maar met de haalbaarheid – of beter gezegd: onhaalbaarheid – van eenvoudig toepasbare regels.12
Ik trap dit hoofdstuk af met de bescherming die de afdeling inzake de opdracht de opdrachtnemer ten aanzien van (de hoogte van) het loon biedt (paragraaf 2.2). Deze afdeling legt geen bodem omtrent de hoogte van het loon, maar zo’n bodem kan voor een deel van de opdrachtnemers wel uit de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voortvloeien. De toepasselijkheid van deze wet en enkele (wetgevings)voorstellen en instrumenten die samenhangen met een minimumtarief, staan daarna centraal (paragraaf 2.3). Vervolgens ga ik in op de bescherming die de opdrachtnemer aan de onderkant kan ontlenen aan het algemene verbintenissenrecht op het gebied van loon (paragraaf 2.4). De twee leerstukken die ik in dit kader behandel, zijn de wettelijke (handels)rente als wapen om te late en incorrecte loonbetalingen te voorkomen en de loonaanspraak van de opdrachtnemer bij niet-werken op grond van schuldeisersverzuim. Aansluitend bespreek ik hoe de regeling inzake de arbeidsovereenkomst met deze leerstukken omgaat (paragraaf 2.5). Het doel hiervan is niet alleen het beschermingsniveau van de werknemer in kaart te brengen, zodat dit niveau van de opdrachtnemer aan de onderkant daartegen kan worden afgezet, maar ook om te bekijken of analogieën kunnen worden ontdekt in de ratio van de arbeidsrechtelijke loonbepalingen, wat een aanwijzing kan zijn dergelijke regels ook toe te passen op de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer aan de onderkant. Daarna breng ik het aanvullende beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van het thema loon schematisch in kaart (paragraaf 2.6). Dit hoofdstuk sluit ik af met een conclusie (paragraaf 2.7).
In deze studie ligt de focus op de opdrachtnemer die hoofdzakelijk door middel van zijn eigen arbeid tegen een laag tarief zelf (in persoon) diensten verricht, kortweg: de opdrachtnemer aan de onderkant (zie paragraaf 1.2). Deze opdrachtnemer is veelal economisch afhankelijk van één opdrachtgever (zie paragraaf 1.2). In dit onderzoek ga ik ervan uit dat hij recht heeft op loon in de vorm van geld.13 Daarbij neem ik aan dat de opdrachtnemer per tijdsruimte (per uur of per maand) krijgt betaald, tenzij expliciet anders is aangegeven. Zo ga ik op een aantal plekken in op de resultaatsverbintenis-opdrachtnemer die prestatieloon ontvangt, waaronder stukloon. Daarbij vindt de beloning plaats per geproduceerde eenheid (per afgeleverd product of dienst). Andere resultaatafhankelijke beloningen laat ik onbesproken, zoals winstdeling, wat mede wordt ingegeven door het feit dat dergelijke beloningsvormen zelden voorkomen bij de opdrachtnemer aan de onderkant.