Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.2.1
16.2.1 'Eredienst’
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457627:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 1980, BNB 1980/177.
HR 7 mei 1980, BNB 1980/177.
HR 7 mei 1980, BNB 1980/177. Deze uitleg van de term eredienst kan men eigenlijk ook al vinden bij de wetgever van de Wet Premie Kerkenbouw. Die spreekt over ‘… activiteiten buiten de eigenlijke eredienst, zoals jeugdwerk, toneel-, zang- en muziekuitvoeringen e.d.’. Kamerstukken II 1960-1961, 6260, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 25 (MvT); zie ook Handelingen II 1991/92, 15, p. 810 en ook ‘Wetsvoorstel herziening Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen’, BB 1992/156.
Handelingen II 1991/92, 15, p. 810.
Gerechtshof Arnhem 14 juli 2003, BB 2003/970, m.nt. Kruimel.
Rb. Roermond 20 mei 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BI8824, BB 2009/901.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 december 2010, NTFR 2011/912, r.o. 4.9.
In 1980 bepaalde de Hoge Raad in een zaak over de vraag of ‘kinderwerk, vergaderingen en catechisatie’ ook valt onder de term ‘eredienst’, dat deze term naar algemeen geldend spraakgebruik moet worden uitgelegd.1 Welke betekenis dit ten aanzien van de term eredienst vervolgens oplevert maakt de Hoge Raad in dit arrest niet duidelijk. Hij staat niet afwijzend tegenover de uitleg die het Gerechtshof Den Haag in deze zaak hieraan gaf. Dat omschreef de eredienst als ‘… een in beginsel voor een ieder toegankelijke bijeenkomst tot gezamenlijke verering van een opperwezen, waarbij zekere vormvoorschriften (liturgie, orde van dienst, ritueel) in acht genomen worden’.2 In ieder geval stelt de Hoge Raad op basis van een grammaticale interpretatie dat met uitzondering van de openbare jeugd- en kinderdiensten onder het begrip eredienst niet ondersteunende activiteiten vallen, zoals ‘de vergaderingen van de kerkenraad, van de kerkvoogdij, van de diaconie en van kerkelijke commissies, het catechisatie-onderwijs en het kerkelijk jeugdwerk’.3 We kunnen de duiding van het begrip eredienst op grond van het algemeen spraakgebruik zien als een vorm van objectiverende kwalificatie. De betekenis van eredienst wordt immers verklaard op grond van een algemene bron, namelijk het gangbare spraakgebruik. De duiding van eredienst door het hof die erop neerkomt dat het gaat om het vereren van een opperwezen sluit vermoedelijk aan bij het gangbare spraakgebruik.
De regering volgt in 1990 de Hoge Raad in zijn grammaticale interpretatie en stelt in het kader van het wetsvoorstel ‘herziening Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen’ geen reden te zien om de vrijstelling uit te breiden naar activiteiten die naar algemeen spraakgebruik niet onder de eredienst vallen.4 De staatssecretaris De Graaff-Nauta stelt dat een uitleg van de term eredienst volgens het spraakgebruik redelijk is. En:
‘Wij [de regering, JV] zien geen aanleiding om de vrijstelling uit te breiden naar activiteiten, die naar het spraakgebruik niet onder de openbare eredienst vallen. Naar mijn mening bestaat daaraan ook weinig behoefte.’5
In 2003 werd het Hof Arnhem geconfronteerd met de vraag of de doordeweekse bijeenkomsten van de Apostolische Kerkgemeenschap ook vielen onder de ‘eredienst’. Het doel van deze bijeenkomsten was de verdere studie en bezinning op het thema dat de zondag daaraan voorafgaand in de eredienst besproken was. Het hof overwoog dat volgens het woordenboek de Van Dale de term ‘eredienst’ moet worden opgevat als ‘gezamenlijke, openbare vorm van godsverering’ en dat de bijeenkomsten van de Apostolische Kerkgemeenschap hieronder kunnen worden geschaard. Het Hof Arnhem volgt de Hoge Raad in zijn taalkundige uitleg van de term eredienst. We kunnen daarom stellen dat hier, zoals bepaald door de Hoge Raad, een objectiverende kwalificatie werd toegepast. Overigens roept deze kwalificatie de vraag op waarin de doordeweekse bijeenkomsten van de Apostolische Kerkgemeenschap nu verschillen met bijvoorbeeld het catechisatieonderwijs van andere kerkgenootschappen. Die bijeenkomsten zijn volgens de Hoge Raad immers slechts ondersteunende activiteiten van de eredienst.6
In 2009 oordeelde de Rechtbank Roermond dat de bijeenkomsten in een uitvaartcentrum niet konden worden gekwalificeerd als ‘eredienst’:
‘Van een openbare eredienst is naar dezerzijds oordeel sprake indien er sprake is van gezamenlijke verering van een Opperwezen of, zoals bij sommige godsdiensten, van Opperwezens, die voor een ieder toegankelijk is. Van zodanige diensten is in het uitvaarthuis geen sprake.’
Dat bij afscheidsdiensten en herdenkingsdiensten ook de godsdienstige overtuiging van de overledene aan de orde komt brengt volgens de rechtbank niet mee dat er sprake is van een eredienst. Ook het feit dat deze diensten worden gehouden door bijvoorbeeld een priester verandert volgens de rechtbank niet het karakter van deze diensten. In de zienswijze van de rechtbank staat het afscheid nemen van een overledene voorop en niet de verering van een opperwezen.7 De rechtbank geeft in deze zaak een eigen uitleg aan de term eredienst. Zij brengt immers niet naar voren waar haar definitie is gebaseerd. Vervolgens toetst zij de betreffende activiteiten aan deze definitie. We kunnen daarom stellen dat dit een voorbeeld is van autonome definiëring. In hoger beroep overwoog het hof:
‘Dat bij het houden van bedoelde afscheids- en herdenkingsfeesten voor overledenen ook religieuze of levensbeschouwelijke elementen aan de orde komen maakt niet dat het uitvaartcentrum voor religieuze en/of levensbeschouwelijke diensten is bestemd.’
Het hof stelt vervolgens dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uitvaartcentrum in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst.8
Op grond van bovenstaande zaken kunnen we concluderen dat de term ‘eredienst’ volgens de Hoge Raad op grammaticale wijze moet worden uitgelegd. We kunnen dit zien als een objectiverende kwalificatie omdat de term wordt uitgelegd aan de hand van het algemeen aanvaard spraakgebruik. De wetgever heeft vervolgens deze wijze van kwalificeren onderschreven. Op grond van de wetsgeschiedenis en de rechterlijke uitspraken valt niet te achterhalen waarom voor deze wijze van kwalificeren is gekozen. De uitspraak van de Rechtbank Roermond lijkt een uitzondering. Deze geeft een meer autonome definitie van de term eredienst. De reden daarvoor blijkt niet uit de uitspraak.