NJB 2025/488
Van een voorwerp – in casu: een geldbedrag – de vindplaats verbergen, art. 420bis Sr: in casu is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen van de vindplaats’ toereikend gemotiveerd erop gelet dat sprake was van een verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen.
HR 18-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:212
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 februari 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/01425
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:212, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1242, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑01‑2024
- Wetingang
(art. 420bis Sr)
Essentie
Van een voorwerp – in casu: een geldbedrag – de vindplaats verbergen, art. 420bis Sr: in casu is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen van de vindplaats’ toereikend gemotiveerd erop gelet dat sprake was van een verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen.
Uitspraak
Inleiding
Verdachte is veroordeeld omdat hij – kort gezegd – ‘van een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 75.160, de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was en voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 20.385,41 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.