Daarbij is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen middelen zijn ingediend.
HR, 18-02-2025, nr. 23/01425
ECLI:NL:HR:2025:212
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
23/01425
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:212, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1242
ECLI:NL:PHR:2024:1242, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:212
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0067
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.a Sr). Bewijsklacht verbergen van vindplaats en verbergen en verhullen van rechthebbende. Uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte een geldbedrag van € 75.160 heeft bewaard in zijn woning. Dit geldbedrag bevond zich in holle ruimte onder trap. Die ruimte was bereikbaar door luikje dat met klemmetjes was vastgemaakt in traptrede. Dat luikje werd pas zichtbaar na het verwijderen van vloerbedekking op die traptrede. Gelet op deze verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin uit misdrijf afkomstig geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen, is bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen van vindplaats’ toereikend gemotiveerd en heeft verdachte geen belang bij zijn klacht over bewezenverklaring van het ‘verbergen en verhullen van rechthebbende’. Volgt verwerping. Samenhang met 23/01480, 23/01487 en 23/01525 en met 23/01428 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01425
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2023, nummer 23-002011-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte van “een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.160,00 euro, de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was”.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 november 2017 (op het adres [a-straat] ) te [plaats]
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.160,00 euro, de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was
en
voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 20.385,41 en
- horloges en
- een Mercedes Benz E500 met [kenteken 1] en een Audi Q7 met [kenteken 2] voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.2.2
De bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“2. Een proces-verbaal van bevindingen (aantreffen verborgen ruimte [a-straat] te [plaats] ) van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-563 en S-008 (...).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Bij het doorzoeken van de woning op 6 november 2017 is door Forensische Opsporing een holle ruimte onderkend onder de trap die leidt naar de eerste verdieping van de woning. Ik, verbalisant T-563, zag dat bij het verwijderen van de vloerbedekking op één van de treden een luikje zichtbaar werd. Ik zag dat de vloerbedekking niet vastgelijmd zat aan de trede. Achter dit luikje, wat vast was gemaakt met klemmetjes, zat een holle ruimte. Verbalisanten van Forensische Opsporing haalden achter dit luik een plastic tas met diverse bankbiljetten en twee kartonnen dozen. Verbalisant S-008 zag dat de twee dozen gevuld waren met stapeltjes met bankbiljetten. Ik, verbalisant T-563, zag dat in de eerste plastic tas met opschrift ‘Douglas’ diverse stapeltjes met bankbiljetten zaten.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:
“Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op verschillende plaatsen geldbedragen aangetroffen tot een totaal van € 95.545,41. Een gedeelte van dit geld – drie geldsommen tot een totaalbedrag van € 75.160,00 – was verstopt in een ruimte onder de trap. (...)
In aanmerking genomen dat (i) sprake is van contante geldbedragen met een omvang die in het legale betalingsverkeer niet gebruikelijk is, (ii) die voor een groot deel op een ongebruikelijke plaats waren verstopt, (iii) uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte beschikte over een legaal inkomen dat het bezit van dergelijke geldbedragen, auto’s en horloges met de genoemde waardes kan verklaren en (iv) de verdachte – zoals hiervoor overwogen – deelnam aan een criminele organisatie, is het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat deze goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit is door de verdediging ook niet betwist.
Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft omtrent de herkomst van deze goederen.
Beoordeling verklaring verdachte
(...)
Het hof stelt verder vast dat de verdachte over de herkomst van de verschillende geldbedragen en de beide auto's geen verklaring heeft afgelegd.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven over de herkomst van de genoemde geldbedragen, auto’s en horloges. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat deze goederen, bij gebreke van een dergelijke verklaring, uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist.
Dit betekent dat het ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard op de hierna te melden wijze. Daarbij merkt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde onderdelen ‘verbergen' en 'verhullen’ nog het volgende op. Zoals hiervoor is opgemerkt, was een drietal geldsommen – tot een totaal van € 75.160,00 – geplaatst in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Deze geldbedragen waren hierdoor goed verborgen. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden gesproken worden van een situatie waarin de verdachte de vindplaats van de geldsommen heeft verborgen en waarin hij heeft verhuld wie de rechthebbende is geweest. Ook dit is overigens door de verdediging niet betwist.”
2.3.1
Artikel 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
2.3.2
De geschiedenis van de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, Stb. 2001, 606, houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)
Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...).
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 27159, nr. 3, p. 14-15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) – gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval – erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.”
(Kamerstukken II 2000/01, 27159, nr. 5, p. 17.)
2.4
Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte een geldbedrag van € 75.160 heeft bewaard in zijn woning. Dit geldbedrag bevond zich in een holle ruimte onder de trap. Die ruimte was bereikbaar door een luikje dat met klemmetjes was vastgemaakt in een traptrede. Dat luikje werd pas zichtbaar na het verwijderen van de vloerbedekking op die traptrede. Gelet op deze verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen, is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen van de vindplaats’ toereikend gemotiveerd en heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht over de bewezenverklaring van het ‘verbergen en verhullen van de rechthebbende’.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Deelneming aan een criminele drugsorganisatie, witwassen en handelen in strijd met de Opiumwet en WWM. Middelen over verdachtes deelname aan de organisatie, verwerping van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond en de oplegging van een afroomboete. De middelen falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/01428, 23/01480, 23/01487 en 23/01525.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01425
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 april 2023 door het gerechtshof Amsterdam, wegens:
1 "eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
2 “witwassen, meermalen gepleegd”;
3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”; en
4 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 360 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen, personenauto’s en horloges verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een aantal andere voorwerpen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01428, 23/01480, 23/01487 en 23/01525. In de zaak 23/01428 is reeds arrest gewezen.1.In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.
- Het eerste middel is gericht tegen het onder 1 bewezen verklaarde feit en bevat de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte niet de persoon is achter de PGP-account ‘ [bijnaam 5] ’ en/of ‘ [bijnaam 5] ’ op ontoereikende gronden heeft verworpen dan wel dat de vaststelling van het hof dat de verdachte achter dit PGP-account zit niet op begrijpelijke wijze uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
- Het tweede middel, eveneens gericht tegen het onder 1 bewezen verklaarde feit klaagt dat de bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
- Het derde middel klaagt dat het onder 2 bewezen verklaarde verhullen of verbergen van de vindplaats van en rechthebbende op een geldbedrag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
- Het vierde middel klaagt dat het oordeel dat het onder 2 bewezen verklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag en drie horloges gekwalificeerd kan worden als witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
- Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof de verdachte een geldboete van € 100.000 op te leggen, omdat hij tot dit bedrag voordeel heeft genoten onbegrijpelijk is.
- Het zesde middel klaagt dat de beslissing van het hof diverse auto’s, geldbedragen en andere luxegoederen verbeurd te verklaren onvoldoende is gemotiveerd.
1.4
Nu de bewijsmiddelenbijlage bij het arrest bijna veertig pagina’s beslaat, zal ik de bewijsvoering van het hof niet integraal weergeven. Ik zal hierna steeds per middel de bewezenverklaring weergeven en eveneens per middel de relevante bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen citeren.
2. Het eerste en tweede middel: bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1
Het eerste en het tweede middel klagen over de bewijsvoering van de onder 1 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
De bewezenverklaring
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“feit 1
hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk
- een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, Opiumwet
- witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] ;”
De bewijsoverwegingen
2.2
Het hof heeft ten aanzien van verdachtes deelname aan de criminele organisatie het volgende overwogen:
“5. Inleiding
Op 10 november 2016 meldde de medeverdachte [medeverdachte 1] zich op het politiebureau met de mededeling dat hij vreesde voor zijn leven. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij ongeveer 3,5 jaar in de drugs (cocaïne) zat en deel uitmaakte van een organisatie, bestaande uit drie werkers en drie personen daarboven (in het relaas en hierna verder aangeduid als ‘bazen’). [medeverdachte 1] was volgens hemzelf een werker die drugs afleverde en in ontvangst nam. Hij wilde echter geen namen noemen van anderen. Hij vertrouwde het niet omdat de avond ervoor (het hof begrijpt: 9 november 2016) ‘de hele club’ (het hof begrijpt: de andere leden van de organisatie) bij hem thuis was gekomen, wat nooit gebeurde, en ook ‘nieuw spul’ (het hof begrijpt: verdovende middelen) had meegenomen. Ten slotte verklaarde [medeverdachte 1] dat hij een wapen (een .45) in zijn woning aan de [c-staat 1] had liggen en dat er in zijn woning nog 100 kilo drugs, € 600,000,00 en een zak met vuurwapens zouden liggen.
Naar aanleiding van deze verklaring is de woning van [medeverdachte 1] zowel op 10 november 2016 als - na een inbraakmelding - op 11 november 2016 doorzocht. In de woning zijn onder andere ruim 100 kilo (voornamelijk) cocaïne en heroïne, ruim € 800.000,00, acht vuurwapens, ongeveer 800 stuks munitie, twee geldtelmachines, een (cocaïne)blokpers en administratie aangetroffen.
Dit heeft geleid tot het [onderzoeknaam 1] . De medeverdachte [medeverdachte 1] is voor deze zaak op 21 juni 2017 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Die veroordeling is onherroepelijk.
Het [onderzoeknaam 2] is gestart naar aanleiding van het [onderzoeknaam 1] en richtte zich op de leden van de door [medeverdachte 1] genoemde (criminele) organisatie. In het onderzoek zijn zes verdachten naar voren gekomen, te weten: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op dezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot 80 maanden respectievelijk 63 maanden gevangenisstraf.
[verdachte] wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten, wapendelicten en witwassen. Daarnaast wordt hem het (medeplegen van het) bezit van; verdovende middelen, aangetroffen tijdens een doorzoeking van de [f-straat] op 6 november 2017, verweten. Verder wordt [verdachte] beschuldigd van het (medeplegen van) witwassen van geld, auto’s en horloges. Tot slot wordt hem verweten dat hij (met één of meer anderen) een in zijn woning aangetroffen busje traangas voorhanden heeft gehad.
[…]
8. Beoordeling van het bewijs
8.1
Criminele organisatie (feit 1)
De centrale vraag in het onderhavige onderzoek, en meer in het bijzonder van belang gelet op hetgeen [verdachte] wordt verweten, is wie deel uitmaakten van de door [medeverdachte 1] genoemde organisatie. En of deze organisatie kwalificeert als criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet (Ow).
8.2
Toetsingskader
Onder een organisatie en deelneming daaraan als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b Ow wordt verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en, structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen (cumulatieve) vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Voor het bewijs van deelneming aan die organisatie moet komen vast te staan dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (die op zichzelf niet strafbaar behoeven te zijn), zolang maar van een aandeel in of ondersteuning van de verwezenlijking van het oogmerk kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
8.3
Camerabeelden woning ( [c-staat 1] )
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat op 9 november 2016 alle leden van de criminele organisatie in diens woning aanwezig waren. Om te onderzoeken of er camerabeelden van de ‘grote bazen’ zijn opgenomen zijn in eerste instantie de camerabeelden van 9 november 2016 bekeken. Op deze beelden waren slechts twee personen te zien die later zijn herkend als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Afgezien van de nog te bespreken forensische sporen die de aanwezigheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] bevestigen, geldt dat van [medeverdachte 2] in die woning een identiteitskaart en een rijbewijs zijn aangetroffen.
Vervolgens zijn ook de camerabeelden van 8 november 2016 bekeken. Uit de beelden van 8 november 2016 kan worden opgemaakt dat omstreeks 21.55 uur NN1 en NN2 bij de flat arriveren en dat uiteindelijk [medeverdachte 2] van binnenuit de centrale toegangsdeur voor hen opent. Ongeveer 10 minuten later verschijnt NN3. Ongeveer 45 minuten later verlaten NN1, NN2 en NN3 gezamenlijk de flat. Van deze beelden, hebben twee verbalisanten (T-748 en T-749), onafhankelijk van elkaar, de verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 6] herkend.
8.4
Doorzoeking woning [medeverdachte 1] ( [c-staat 1] )
Op 10 november 2016 is de woning van [medeverdachte 1] aan de [c-staat 1] doorzocht. De woning is onderdeel van een appartementencomplex en gelegen op de eerste verdieping recht tegenover de toegang tot de kleine lift. In beslag genomen zijn onder andere (ongeveer) 80 kilo verdovende middelen, acht vuurwapens en munitie en € 215.450,00. Eén van de vuurwapens (een 45) is aangetroffen in de kast in de slaapkamer van [medeverdachte 1] . De overige zeven vuurwapens zaten in een plastic tas van de Albert Heijn (AH) die is gevonden in de logeer-/rommelkamer.
Op 11 november 2016 werd omstreeks 00.30 uur melding gemaakt van een inbraak in de woning van [medeverdachte 1] . Na onderzoek bleek dat door de inbrekers in de badkamer van de woning een verborgen ruimte was geopend. Deze ruimte is tijdens de eerdere doorzoeking niet opgemerkt. In die verborgen ruimte is ongeveer 25 kilo cocaïne aangetroffen. Deze was samengeperst in blokken. Een aantal blokken was voorzien van stempels, waaronder ‘F12’. In de verborgen ruimte bleek ook nog een bedrag van in totaal € 585.500,00 te liggen.
8.5
Forensische sporen woning [c-staat 1]
Van een aantal van de bovengenoemde verdachten zijn in de woning van [medeverdachte 1] forensische sporen aangetroffen. Hieronder wordt per verdachte, met uitzondering van [medeverdachte 1] van wie ook verschillende sporen zijn aangetroffen, kort aangegeven om wat voor sporen het gaat en waarop ze zijn aangetroffen.
[medeverdachte 2]
Een deel van bovengenoemde verdovende middelen is aangetroffen in een aantal tassen van de Lidl en de AH en in een rolkoffer (roltas) die alle zijn gevonden in de logeer/rommelkamer. Eerder is al beschreven dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 9 november 2016 bij het appartementencomplex arriveerden. Zij namen de kleine lift vanuit de kelder en stapten uit en liepen in de richting van nummer [c-staat 1] . [medeverdachte 3] had op dat moment een kleine rolkoffer bij zich en een tas van de Lidl. [medeverdachte 2] had ook een tas van de Lidl bij zich en een tas van de AH. Deze tassen en rolkoffer vertonen gelijkenis met de tassen en rolkoffer waarin een grote hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Op de bekeken camerabeelden is kennelijk niet waargenomen dat personen met soortgelijke tassen het appartementencomplex (tussen de komst van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en de doorzoeking een dag later) weer hebben verlaten. Op zes van de handvatten van de tassen waarin de verdovende middelen werden aangetroffen is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met DNA-profiel van [medeverdachte 2] . In samenhang met de verklaring van [medeverdachte 1] leidt dit tot de conclusie dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 9 november 2016 verdovende middelen naar de woning van [medeverdachte 1] hebben gebracht. Het is daarmee aannemelijk dat ze als 'werkers' moeten worden aangemerkt, aangezien ze een groot risico hebben genomen door een waarschijnlijk grote hoeveelheid verdovende middelen te vervoeren.
Het in de verborgen ruimte aangetroffen geld bestond uit biljetten van 500 euro. Op één van deze biljetten is een handpalmafdruk aangetroffen die geïndividualiseerd is met het dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] . Het hof gaat er daarom vanuit dat de aangetroffen handpalmafdruk van [medeverdachte 2] afkomstig is.
In de woning werden in de woonkamer meerdere schriften, een schrijfblok en losse notities aangetroffen. Hieronder is nader uiteengezet dat deze administratie kennelijk ziet op de handel in verdovende middelen. Op een van de schriften, te weten het schrift met daarop vermeld "Batman", werden in totaal twee vingerafdrukken gevonden die eveneens geïndividualiseerd zijn op [medeverdachte 2] . Ook van deze vingerafdrukken neemt het hof aan dat ze van [medeverdachte 2] afkomstig zijn.
[medeverdachte 3]
In de woning zijn een peuk en een flesje frisdrank aangetroffen. Op beide zat DNA-materiaal dat matcht met een DNA-profiel van [medeverdachte 3] .
Op verschillende schriften werden in totaal vijf vingerafdrukken gevonden die eveneens geïndividualiseerd zijn op [medeverdachte 3] .
[verdachte]
In de woning werden drie peuken aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat matcht met het DNA profiel van [verdachte] . De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig andere persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [verdachte] is.
[medeverdachte 6]
In de woning is een peuk, aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] . De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [medeverdachte 6] is.
Aan de buitenzijde van de plastic tas van AH waarin de zeven vuurwapens en diverse munitie is aangetroffen is een bloedspoor aangetroffen. Het DNA-profiel daarvan matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] , De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [medeverdachte 6] is.
8.6
Administratie
De administratie die is aangetroffen op de [c-staat 1] is door de politie nader onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt het volgende.
In de woning lag een schrijfblok, een paars schrift met daarop ‘X’ genoteerd, een blauw schrift met daarop ‘seizoen 16/17’ geschreven en een blauw schrift met daarop (afgezien van de doorgekraste tekst ‘Batman’) ‘SP’ genoteerd en daarnaast enkele losse aantekeningen.
In de aantekeningen staan veel getallen. Vaak staat daar achter ‘K’ genoteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze letter het internationale symbool voor duizend is en dat daarmee dus duizendtallen worden aangeduid. ‘K‘ kan ook een afkorting zijn van ‘kop’ dat straattaal is voor 1000 euro. In de aantekeningen staat ook een aantal keren letterlijk het woord ‘kop’ achter een getal. Verder valt op dat getallen die niet zijn af te korten in duizendtallen voluit worden geschreven en is soms ook het woord ‘euro’ letterlijk genoteerd, bijvoorbeeld:
[bijnaam 3] -> 209160 (9) 90 euro tekort
(…)
[bijnaam 3] -> 162750 (7) nog € 350,-
Alles tezamen leidt tot de conclusie dat de aangetroffen administratie een financiële administratie betreft. Dat deze financiële administratie betrekking heeft op de handel in verdovende middelen volgt niet enkel uit de verklaring van [medeverdachte 1] , maar ook uit de aantekeningen zelf in relatie tot de aangetroffen verdovende middelen. In de aantekeningen komt namelijk de tekst ‘F12’ regelmatig voor, terwijl - zoals hierboven beschreven - er in de woning verschillende blokken cocaïne met het op schrift en/of stempel F12 zijn aangetroffen. Daarnaast is in de woning een blok cocaïne aangetroffen met het stempel ‘AMS’. En de tekst ‘AMS’ komt ook in de administratie voor, bijvoorbeeld: AMS 13 x 23750 = 308750. Het bedrag € 23.750,00 past ook zeer goed bij de kiloprijs van cocaïne.
Dat het hier gaat om de miljoenenhandel kan bijvoorbeeld blijken uit de balans (waarboven letterlijk "+" en "-" staan genoteerd) in het schrift met opschrift ‘seizoen 16/17’. Het totaal van de bedragen aan de linkerkant (+) betreft € 3.864.815,00. Het totaal van de bedragen aan de rechterkant betreft € 3.835.800,00. En in het ‘proces-verbaal onderzoek aangetroffen drugsadministratie [c-staat 1] ’ is een (excel)overzicht gemaakt van (slechts) twee losse pagina’s (vermoedelijk afkomstig uit het genoemde kladblok) en daaruit blijkt van een handelswaarde van ruim 11 miljoen euro.
De financiële administratie heeft kennelijk, in elk geval gedeeltelijk, betrekking op de drugshandel in de jaren 2016 en 2017, gelet op de tekst ’seizoen 16/17’ op de omslag van één van de geschriften. In dat schrift staat ook een rijtje met de maanden mei 2016 tot en met december 2016 uitgeschreven. De aantekening ‘seizoen 16/17' is overigens op meerdere plekken in de administratie teruggevonden. Het feit dat onderscheid wordt gemaakt in ‘seizoenen' ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij al meerdere jaren voor de organisatie in de drugs handelt.
8.7
Telefoonnummers en (bij)namen
Na de aanhouding van [medeverdachte 1] werden twee mobiele telefoons in beslag genomen: een Samsung en een LG. [medeverdachte 1] had een aantal verdachten met een bijnaam in zijn telefoon(s) opgeslagen:
- [medeverdachte 2] als [medeverdachte 2] met nummer [telefoonnummer 4] ;
- [medeverdachte 3] als [bijnaam 2] met nummer [telefoonnummer 5] ;
- [medeverdachte 5] als [medeverdachte 5] met nummer [telefoonnummer 6] en
- [medeverdachte 7] als [medeverdachte 7] met nummer [telefoonnummer 7]
In zijn telefoon(s) stond ook [betrokkene 1] opgeslagen als [naam 3]. Zij is geïdentificeerd als de (toenmalige) vriendin van [verdachte] .
Gebleken is dat [medeverdachte 1] zelf de [bijnaam 1] had.
Verder blijkt uit het onderzoek dat [medeverdachte 3] , behalve de bijnamen [bijnaam 2] en [bijnaam 2] , ook de bijnaam [bijnaam 2] had. En ook [medeverdachte 5] had een andere bijnaam, namelijk [bijnaam 3].
Na de doorzoeking op 10 november 2016 hebben [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] allen op 11 november 2016 slechts één nummer gebeld, te weten [telefoonnummer 1] . Dat nummer behoort volgens het CIOT toe aan [medeverdachte 6] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 6] op 6 november 2017 is een iPhone in beslag genomen met daarin een simkaart met nummer [telefoonnummer 1] . Tijdens de aanhouding van [medeverdachte 6] is nog een iPhone in beslag genomen. In die telefoon stond zijn eigen nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als [bijnaam 4]. Deze bijnaam gebruikte [medeverdachte 6] ook als profielnaam voor WhatsApp en in het e-mailadres [bijnaam 4] @gmail.com.
Ten slotte leidt het hof uit het onderzoek van de nog nader te bespreken telefoon van [medeverdachte 7] , de BQ Aquaris met EncroChat-software, af dat hij telefoonnummers van [verdachte] had opgeslagen als [bijnaam 5] of [bijnaam 5]. In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Het verweer dat [verdachte] niet deze ‘ [bijnaam 5] ‘ was wordt daarmee verworpen.
8.8
Relatie bijnamen en financiële administraties
In de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] komt veelvuldig de bijnaam [bijnaam 3] voor. En ook de bijnamen [bijnaam 2] , [bijnaam 6] en [bijnaam 4] komen terug. In samenhang met de overige bewijsmiddelen, waaronder onderlinge communicatie en de financiële administraties die bij [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 7] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat hiermee respectievelijk [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] zijn bedoeld.
In de woning van [medeverdachte 6] is administratie aangetroffen die gelijkenis vertoont met de financiële administratie die in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen, vanwege de vergelijkbare registratie van duizendtallen of voluit geschreven bedragen en een kiloprijs voor cocaïne tussen de € 22.000,00 en € 24.000,00. Bijvoorbeeld staat op het blaadje net een opschrift ‘ [bijnaam 7] ’ onder andere genoteerd ‘45 x 22250 = 1001250'. En op een blaadje met het opschrift ‘ [bijnaam 3] ’ staat genoteerd:
43 x 22 = 946
4 x 21,5 = 86
3 x 2/250 = 62.750
1095750
Onder andere deze namen [bijnaam 7] en [bijnaam 3] komen terug in administratie uit de [c-staat 1] .
In de woning van [verdachte] is een notitieblaadje aangetroffen met verschillende berekeningen en waarop bovenaan (handgeschreven) de aantekening ‘pokertoernooi’ is gemaakt. Die laatste aantekening is kennelijk bedoeld als misleiding, want de berekeningen hebben geen enkele (logische) relatie met (de inleg bij) een pokertoernooi. Overigens heeft [verdachte] hierover ook geen verklaring afgelegd die dit op enige wijze onderbouwt. Het hof gaat er, mede gelet op de hoogte van de verschillende bedragen, vanuit dat ook deze berekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder is van belang dat op de achterkant van de notitie ook de bijnaam [bijnaam 2] ( [medeverdachte 3] ) voorkomt. En ook is de [bijnaam 8] vermeld. In zoverre bestaat er ook een verband met de, nog nader te bespreken, gegevens die afkomstig zijn van de PGP-telefoon van [medeverdachte 7] . Hij stuurt namelijk op 5 juni 2017 een overzicht naar [verdachte] (op diens vraag: "Hoeveel papier had je ven ons liggen?"), waarvan een deel luidt:
Voor [bijnaam 8]
+97190
+195450
+317380
= 610020 balance
Ook bij [medeverdachte 3] zijn enkele financiële aantekeningen aangetroffen waarin onder andere getallen staan bij [bijnaam 3] en [medeverdachte 5] , bijnamen van [medeverdachte 5] . Ook staat genoteerd ‘Blok > 18500 €’. Het hof gaat er vanuit dat ook deze aantekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
Ten slotte is ook bij [medeverdachte 7] administratie aangetroffen. Hierin staan financiële aantekeningen (het woord 'balance' komt meerdere keren voor) die mede gelet op de inhoud betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder komen hierin ook bijnamen voor die gelijk zijn aan de bij [medeverdachte 1] aangetroffen financiële administratie, te weten (onder andere): [bijnaam 5] ( [verdachte] ), [bijnaam 4] ( [medeverdachte 6] ), [bijnaam 3] ( [medeverdachte 5] ) en [bijnaam 2] ( [medeverdachte 3] ). Er is ook een aantal data in mei 2017 genoteerd. Ten slotte komen in de administratie ook tokens voor die terugkomen in de berichten van de hieronder te bespreken telefoon, van [medeverdachte 7] , Kennelijk is er alleen al op basis van de aangetroffen tokens een bedrag van € 1.275.010,00 uitgegaan en € 100.000,00 ingekomen.
8.9
EncroChat-telefoon [medeverdachte 7]
Bovengenoemde telefoon betreft een BQ Aquaris X5 (hierna: BQ) met EncroChat-software en is bij [medeverdachte 7] thuis aangetroffen. In de BQ staat verder een: contactenlijst met daarin onder andere, gelet op hetgeen onder 8.7 is overwogen, [verdachte] ([bijnaam 5]), [medeverdachte 6] ([bijnaam 4] , [bijnaam 4] en [bijnaam 4]) en [medeverdachte 3] ([bijnaam 2]). Deze komen ook voor in de financiële administratie die bij [medeverdachte 1] in de woning is aangetroffen.
Er staat een groot aantal chat- en e-mailberichten in de telefoon. Het oudste bericht dateert van 16 mei 2017, het laatste van 5 november 2017. Om deze zo goed mogelijk weer te geven heeft de politie een chronologisch overzicht gemaakt van in totaal 58 ‘gebeurtenissen’. Van het merendeel van deze gebeurtenissen kan naar het oordeel van het hof zonder twijfel gezegd worden dat het betrekking heeft op de handel in verdovende middelen. Dat is, afgezien van genoemde onderlinge relaties en nog nader te bespreken tap- en OVC-gesprekken, vanwege de eerder genoemde tokens en daarmee samenhangende, forse geldbedragen. Uit gebeurtenis 1 blijkt bijvoorbeeld dat er iemand naar de [a-straat 1] in [plaats] (de woning van [medeverdachte 7] ) komt om daar, blijkens de papieren administratie, € 93.000,00 op te halen. De link met de handel in verdovende middelen blijkt verder bijvoorbeeld uit het gebruik van termen als ‘blok’, ‘stempel’, ‘keta’ (het hof begrijpt: ketamine), ‘Peru dingen’, ‘voor 23,5’ (het hof begrijpt: € 23.500,00 hetgeen past bij de kiloprijs van cocaïne), ‘broenoe’ (het hof begrijpt: bruin/heroïne) en ‘blokken die droog genoeg zijn om te roken’.
[medeverdachte 7] heeft in hoger beroep als getuige bevestigd dat hij is, benaderd om ‘klusjes’ uit te voeren. Die bestonden volgens hem uit het in ontvangst nemen, bewaren en weer afgeven van geld. Dat de geschatte omvang van de transacties op basis van bovengenoemde tokens boven één miljoen euro uitkomt, klopt volgens de getuige. Hij heeft daarnaast ook bevestigd dat de berichten (gebeurtenissen) in de BQ betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
Uit sommige van die gebeurtenissen blijkt ten slotte ook van de relatie tussen [medeverdachte 7] en een aantal medeverdachten, te weten [medeverdachte 3] ( [bijnaam 2] ), [medeverdachte 6] ( [bijnaam 4] ) en [verdachte] ( [bijnaam 5] en [bijnaam 5] ), in verband met de handel in verdovende middelen. Bijvoorbeeld uit de volgende gebeurtenissen, zoals die door de politie zijn beschreven:
Gebeurtenis éénendertig (31)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , 28 september 2017
In het gesprek gaat het over blokken met stempel ‘K26’. Hier gaat het zeer waarschijnlijk over blokken verdovende middelen met opdruk K26. Uit het gesprek blijkt dat deze uit Bolivia komen. [medeverdachte 7] kan deze voor 24, zeer waarschijnlijk wordt hier 24.000 euro bedoeld, krijgen. [medeverdachte 3] kent de stempel K26 niet en raad [medeverdachte 7] aan om het aan [medeverdachte 5] te vragen. (...)'
Gebeurtenis achtendertig (38)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] , 3/4/5 oktober 2017
In het gesprek wordt er gesproken over Colo’s. Vermoedelijk gaat het hier om Colombianen. De "Colo’s" hebben oren naar de drie' deuren die [verdachte] heeft. Zeer waarschijnlijk wordt hiermee verwezen naar België (Antje ambtshalve bekend als Antwerpen). Le Havre in Frankrijk en Algeciras in Spanje, genoemd in gebeurtenis drieëndertig (33). In het bericht van [medeverdachte 7] worden verschillende plaatsen genoemd, die samen met het woord "Colo" zeer waarschijnlijk de plaatsen: Buenaventura, Barranquilla, Santa Marta en Cartagena te Colombia zijn. Uit het bericht blijk dat de "Colo" vanaf daar kan vullen. Het gaat hier waarschijnlijk om het vullen van verdovende middelen. Het is voor het onderzoeksteam niet bekend waarin gevuld wordt. Het gaat zeer waarschijnlijk om grote partijen verdovende middelen omdat er door [verdachte] wordt gezegd "300 test." Met "300 test" wordt vermoedelijk bedoeld 300 blokken verdovende middelen.’
Gebeurtenis negenendertig (39)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , 3/4 oktober 2017
In het gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] geeft [medeverdachte 7] aan dat de Fransen er zijn [medeverdachte 3] moet 'die' blok vragen en kijken wat er ligt. [medeverdachte 7] wil ze morgen laten zien. [medeverdachte 3] geeft aan dat er een blok bij [medeverdachte 5] 'osso' (thuis) ligt en dat ze die eerst kunnen kijken. [medeverdachte 7] vraagt of het ‘real’ betreft en zegt dat [medeverdachte 3] ervoor moet zorgen dat hij er bij kan. [medeverdachte 3] geeft aan dat het geen 'real' is en hij weet niet of die er nog zijn. [medeverdachte 3] moet vragen van [medeverdachte 7] of real er nog is en vraagt welke er wel is en wat de prijs daarvan is. Uit het gesprek blijkt dat het om een stempel 'Kat’ gaat. De stempel krijgt 'hij' voor 26. Gezien het gesprek wordt er met 'hij' zeer waarschijnlijk [medeverdachte 5] bedoeld en met 26, €26.000. [medeverdachte 7] vraagt of 'wij' er dan in zitten. Kennelijk is dit niet, het geval omdat [medeverdachte 3] zegt 'was maar waar'. [medeverdachte 3] geeft aan dat ‘hij’ ( [medeverdachte 5] ) ook nog een stempel per 1 kan krijgen voor hetzelfde bedrag. 'Hij' ( [medeverdachte 5] ) gaat een foto sturen naar [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] geeft aan dat hij 26,5 heeft gezegd dus ze zitten nog goed. Hier wordt zeer waarschijnlijk bedoeld dat [medeverdachte 7] €26.500 heeft gezegd tegen de Fransen.
Gebeurtenis tweeënveertig (42)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] , 6 tot en met 16 oktober 2017
[medeverdachte 6] vraagt of [medeverdachte 7] kan uitzoeken of er een directe lijn is vanuit Costa Rica, Limon naar Algeciras. [medeverdachte 7] gaat het uitzoeken voor [medeverdachte 6] .
Uit de in beslag genomen Dell Laptop, in beslag genomen onder [medeverdachte 7] tijdens de doorzoeking van de [a-straat 1] te [plaats] , met goednummer 5579373, bleek dat er tussen 6 oktober 2017 en 16 oktober 2017 verschillende zoekslagen op Google naar onder andere:
- Costa rica limo to spain shipment.
- Ship routes costa rica limon
- Shipping companies limon costa rica’
Het hof wijst ten slotte op de berichtenwisseling van 29 september 2017 tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] ( [bijnaam 5] ). Daar komt de relatie met en betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de handel in verdovende middelen expliciet naar voren, [verdachte] zegt namelijk letterlijk tegen [medeverdachte 7] : “Jawel en Ondertussen Gaan we die systeem van [medeverdachte 6] bouwen in belgie of duitsland en Gaan we blokken sturen naar australie".
8.10
Tap- en OVC-gesprekken en sms-berichten over handel in verdovende middelen
Niet alleen [medeverdachte 7] heeft over de telefoon gesprekken gevoerd over de handel in verdovende middelen. Datzelfde geldt namelijk ook voor [medeverdachte 5] . Hij heeft gesprekken gevoerd die (vanwege de gebruikte termen als ‘24 half mooie prijs’, ‘fijne poeder’, ‘gemixt’ en ‘neustest’) onmiskenbaar over de handel in verdovende middelen, meer in het bijzonder cocaïne, gaan. De meeste van die gesprekken of berichten zijn gevoerd of uitgewisseld met onbekend gebleven personen. Daarnaast is vastgesteld dat [medeverdachte 5] meermalen met [medeverdachte 3] - drugsgerelateerde - gesprekken heeft gevoerd. Verder is van belang dat [medeverdachte 5] op 1 april 2017 een gesprek heeft gevoerd, met een onbekend gebleven persoon, dat kennelijk over PGP-toestellen gaat waarbij ‘ [bijnaam 4] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) moet kijken of die verlopen zijn.
8.11
Salarissen/betalingen
Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] op de loonlijst hebben gestaan, en ook daadwerkelijk salaris hebben ontvangen, van het bedrijf [A] B.V. (hierna: [A] ) alsook van de voorgangers [B] B.V. en [C] .nl in de periode van ongeveer 2015 tot en met 2017. [A] was een uitzendbureau voor horecabedrijven en hotels. In het onderzoek naar de bedrijven die personeel van [A] hebben ingehuurd is vastgesteld dat geen enkele werkgever daadwerkelijk [medeverdachte 6] , [verdachte] of [medeverdachte 3] aan het werk heeft gehad. De meeste werkgevers gaven te kennen dat het contact met [A] verliep via [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat - voor zover hij weet - [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] geen werkzaamheden voor [A] hebben verricht. Uit het onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 6] en [verdachte] salaris ontvingen gedurende de tijd dat zij van eind 2016 tot eind 2017 in het buitenland verbleven.
Naar het oordeel van het hof hebben deze salarisbetalingen geen legale achtergrond. Dat wordt bevestigd door de gegevens in de BQ van [medeverdachte 7] en in de administratie die bij [medeverdachte 7] is aangetroffen. In de BQ van [medeverdachte 7] staan namelijk een aantal berichten waaruit - samengevat - kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 7] (in elk geval twee maal van [medeverdachte 3] ) de opdracht krijgt geld voor [medeverdachte 6] en/of [verdachte] in de administratie te noteren.
Op 26 mei 2017 (gebeurtenis 7) krijgt [medeverdachte 7] van ‘ [medeverdachte 6] ’ de opdracht om € 6.400,00 te pakken en op te schrijven: ‘ [bijnaam 4] salaris + vakantiegeld werkgever’. Dit bedrag komt ook terug in de aantekeningen van [medeverdachte 7] (met dagtekening 25 mei 2017), als ook in de balans die [medeverdachte 7] op 5 juni 2017 met de BQ naar [verdachte] ( [bijnaam 5] . die vraagt: "Hoeveel papier had je van ons liggen?") heeft verstuurd (gebeurtenis 14).
Op 24 juni 2017 (gebeurtenis 20) is er een vergelijkbaar bericht. [bijnaam 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) zegt tegen [medeverdachte 7] : ‘pak weer 3200 salaris [bijnaam 4] maand juni’. In de administratie van [medeverdachte 7] staat een vergelijkbare minpost.
Op 29 september 2017 (gebeurtenis 32) bericht [medeverdachte 3] ( [bijnaam 2] ) aan [medeverdachte 7] dat hij 6400 moet geven aan de werkgever voor hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) en [bijnaam 5] ( [verdachte] ). [medeverdachte 7] bericht dat hij vanavond zijn (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) buurman is en zegt: ‘breng meteen ook mijn salaris’. [medeverdachte 3] antwoordt ‘een doezoe’ (het hof begrijpt: € 1.000,00) te hebben voor hem. In het gesprek vraagt [medeverdachte 3] ook of [medeverdachte 7] ‘de werkgever’ even kan bellen en stuurt het nummer [telefoonnummer 3] door. In het onderzoek is vastgesteld dat dit nummer toebehoorde aan [betrokkene 2] . Uit een later bericht blijkt dat [medeverdachte 7] daadwerkelijk contact heeft gehad met [betrokkene 2] . In de balans die op 13 oktober 2017 door [medeverdachte 7] wordt verstuurd aan [verdachte] ( [bijnaam 5] ) en [medeverdachte 6] ( [bijnaam 4] ) is te lezen dat er € 6.400,00 is afgeschreven met als notitie ‘salaris [bijnaam 4] aug’.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] gefingeerde (legale) salarissen ontvingen. Het geld daarvoor werd kennelijk, afgegeven aan [betrokkene 2] en als minposten opgenomen in de administratie die [medeverdachte 7] bijhield. Hij berichtte dit vervolgens aan [verdachte] .
Van [verdachte] kan daarnaast worden vastgesteld dat hij ook op andere wijze betrokken is bij salarisbetalingen’. Uit berichten tussen [verdachte] en zijn toenmalige vriendin [betrokkene 1] volgt namelijk dat hij [medeverdachte 1] , die in een depressie zit '"zakgeld en snipperdagen" heeft gegeven. Ook anderszins werd [verdachte] kennelijk beschouwd als kostenpost, aangezien [betrokkene 1] een afspraak met [medeverdachte 1] moest maken en zich moest voordoen als psycholoog “want "dat bespaart kosten".
8.12
Doorzoekingen
In het [onderzoeknaam 2] hebben verschillende doorzoekingen plaatsgevonden. Per verdachte zal worden aangegeven wat er is gevonden, voor zover van belang voor de beoordeling van feit 1.
Woning [medeverdachte 6] — [g-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 6] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 69.700,00 in beslag genomen, alsook drie horloges met een geschatte waarde van € 18.800,00. Verder is een Mercedes met en waarde van € 13.000.00 in beslag genomen
Woning [verdachte] - [g-straat 2] te [plaats]
In de woning van [verdachte] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 95.545,41 in beslag genomen. Verder is een (gepantserde) Mercedes ter waarde van € 18.000,00 en een Audi Q7 ter waarde van € 60.000.00 in beslag genomen en 3 horloges ter waarde van € 14.800.00.
Woning [medeverdachte 3] – [h-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 3] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 23.820,00 in beslag genomen en een horloge ter waarde van ongeveer € 3.800,00. Verder zijn in de woning verdovende middelen aangetroffen die kennelijk bedoeld waren voor de handel, te weten: (ongeveer) 1.100 gram cocaïne en (ongeveer) 350 gram heroïne.
Woning [medeverdachte 7] - [a-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 7] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen als ook de BQ EncroChat-telefoon. Daarnaast werd in totaal € 38.700,00 aangetroffen, waarvan € 20.000,00 volgens [medeverdachte 7] toebehoorde aan - de eveneens in het onderzoek naar voren gekomen - [betrokkene 3] . De rest was van [medeverdachte 7] en had hij verdiend met de eerder beschreven geldtransacties, zo heeft hij als getuige in hoger beroep verklaard.
Woning [medeverdachte 5] — [i-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 5] werd ongeveer 2,3 kilo cocaïne aangetroffen en ruim 10 kilo ketamine. Ketamine is weliswaar niet verboden op grond van de Opiumwet, maar het is algemeen bekend dat ketamine in het uitgaansleven/drugscene wordt gebruikt als drugs (tripmiddel) en (geestelijk) zeer verslavend is. In onderling berichtenverkeer (zie paragraaf 8.9) komt de term ‘keta’ ook voor
8.13
Verblijf in het buitenland
Uit het onderzoek is gebleken dat de dag na de doorzoeking op 10 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] naar het buitenland zijn vertrokken. Zij hebben ongeveer een jaar verbleven in Dubai en Turkije. En gedurende die tijd hebben zij, ondanks een gebrek aan legale inkomsten, kennelijk heel veel geld uitgegeven.
8.14
Conclusie
Het voorgaande houdt samengevat het volgende in:
(i) [medeverdachte 1] werkte voor een organisatie waarvan de leden in drugs, met name cocaïne, handelden. Bij hem thuis zijn ook grote hoeveelheden drugs en geld van de organisatie aangetroffen, alsook de financiële administratie betreffende deze drugshandel.
(ii) Leden van de organisatie kwamen ook bij [medeverdachte 1] thuis, onder wie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die op 9 november 2016 een flinke hoeveelheid verdovende middelen hebben gebracht.
(iii) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kunnen gelet op hun betrokkenheid aangemerkt worden als de, door [medeverdachte 1] zo omschreven, ‘werkers’ van de organisatie.
(iv) Ook [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn bij [medeverdachte 1] thuis geweest, waarbij in het bijzonder van belang is dat op een plastic tas met zeven vuurwapens bloed is, aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] .
(v) In de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie komen verschillende bijnamen voor, waaronder [bijnaam 5] en [bijnaam 4] . Dit zijn de bijnamen van [verdachte] en [medeverdachte 6] . Er is tevens een schrift aangetroffen met financiële administratie waarop de initialen SP zijn geschreven, hetgeen past bij de initialen van [verdachte] .
(vi) Bij [verdachte] en [medeverdachte 6] thuis is eveneens administratie aangetroffen die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen. Bovendien komen daarin gedeeltelijk dezelfde bijnamen voor als in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie.
(vii) Bij [medeverdachte 7] thuis is eveneens administratie gevonden die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen en waarin bijnamen voorkomen die ook voorkomen in de administratie die bij [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het betreft hier, mede blijkens de verklaring van [medeverdachte 7] , de registratie van criminele inkomsten en uitgaven. [medeverdachte 7] fungeerde in dat opzicht als een soort kassier van de organisatie. Daarnaast heeft [medeverdachte 7] met een EncroChat-telefoon berichten ontvangen en verstuurd die verband hielden met de handel in verdovende middelen.
(viii) Een deel van die berichten is van en aan [verdachte] en [medeverdachte 6] , waarbij opvalt dat [medeverdachte 7] degene is die dingen moet uitzoeken. En hij houdt [verdachte] en [medeverdachte 6] op de hoogte van de financiële positie van de organisatie door balansen van inkomsten en uitgaven te sturen.
(ix) [verdachte] en [medeverdachte 6] zitten dan in het buitenland, hebben geen legaal inkomen maar beschikken kennelijk wel over veel geld. Een (gering) deel van hun illegale inkomen bestaat uit een gefingeerd dienstverband. Deze salarisbetalingen’ verwerkt [medeverdachte 7] ook in zijn administratie, terwijl [medeverdachte 3] hem voorafgaand instrueert.
(x) [verdachte] heeft [medeverdachte 1] ‘zakgeld en snipperdagen’ gegeven,
(xi) Bij [medeverdachte 6] , [verdachte] , en [medeverdachte 7] zijn grote contante geldbedragen aangetroffen, die geen aannemelijke legale herkomst hebben.
Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in 8.2 die tot oogmerk had de - samengevat - (voorbereiding) van handel in verdovende middelen en het witwassen van geld. Dit samenwerkingsverband bestond uit [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] . Niet ieders rol is even duidelijk geworden, maar in elk geval blijkt dat [medeverdachte 6] en [verdachte] een leidende positie hadden. Dat volgt niet enkel uit de vaststelling dat zij over het meeste geld beschikten, en zodoende een jaar op de vlucht konden blijven, maar ook uit het feit dat voor hen een zogenaamd legaal salaris werd geregeld, [verdachte] een ‘eigen’ administratie had bij [medeverdachte 1] thuis, door [medeverdachte 7] aan hen beiden verantwoording werd afgelegd over de financiële positie, [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf en [verdachte] zich ten opzichte van [medeverdachte 1] letterlijk gedroeg als ‘werkgever’ door hem ‘snipperdagen en zakgeld’ te geven. De rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan als meer ondersteunend worden gezien door het bewaren en vervoeren van drugs en/of geld. Ook [medeverdachte 3] hield zich, daarmee bezig, maar zijn rol was groter, aangezien hij ook veelvuldig, met bijvoorbeeld [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] , communiceerde over de drugshandel en aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf ‘salarisbetalingen’ voor [medeverdachte 6] en [verdachte] in de boekhouding te verwerken. Behalve dat [medeverdachte 7] dus ook een rol speelde in de drugshandel zelf, was hij de ‘kassier’ van de organisatie. Bij hem gingen enorme bedragen geld in en uit de kas. De rol van [medeverdachte 5] komt minder prominent naar voren, maar duidelijk is dat hij betrokken was bij de feitelijke drugshandel ten behoeve van de organisatie en ook voorraad bij hem thuis was opgeslagen. Hij komt dan ook veelvuldig terug in de administratie van de organisatie.
Bovengenoemde gedragingen van de verdachten hielden verband met of strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie: de handel in verdovende middelen en witwassen. Ook gelet op de omvang van de illegale handel die miljoenen euro’s bedroeg kan het niet anders zijn dan dat men al langere tijd georganiseerd te werk ging. Er is dan ook sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.
Dat brengt het hof bij de vraag gedurende welke periode de organisatie heeft geopereerd. [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat hij al 3,5 jaar voor de organisatie werkte. Voor de periode vanaf 2016 is hiervoor ook steun te vinden in het feit dat in de administratie wordt gesproken over ‘seizoen 16/17’. Naar het oordeel van het hof is dit echter te weinig om met de vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat de organisatie ook al in de periode daarvoor, volgens de tenlastelegging vanaf 1 januari 2013, heeft bestaan. Laat staan dat ieders rol in deze eerdere periode kan worden vastgesteld. Met in achtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet komt het hof op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat de organisatie heeft bestaan, en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen, vanaf 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017. Dat is dus bijna twee jaar
Ten slotte overweegt het hof dat, hoewel in de woning van [medeverdachte 1] ook een grote hoeveelheid wapens is aangetroffen die - gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] en het aantal wapens - van de organisatie was, daaruit niet zonder meer volgt dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie. Aanvullende bewijs daarvoor ontbreekt, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.”
2.3
Het eerste middel
2.3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte niet de persoon is achter de PGP-account ‘ [bijnaam 5] ’ en/of ‘ [bijnaam 5] ’ op ontoereikende gronden heeft verworpen dan wel dat de vaststelling van het hof dat de verdachte achter deze PGP-account zit niet op begrijpelijke wijze uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.3.2
In de toelichting wordt aangevoerd dat de verbalisant in het door het hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen slechts heeft opgemerkt dat het ‘zeer aannemelijk’ is dat ‘ [bijnaam 5] ’ de bijnaam van de verdachte is. Verder blijkt uit het bewijsmiddel niet dat de verdachte ‘ [bijnaam 5] ’ is, waarbij ook wordt opgemerkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat ‘ [bijnaam 5] ’ een generiek woord is voor broer/broeder. De overige bewijsmiddelen bevatten ook geen aanwijzingen die de gevolgtrekking kunnen dragen dat verdachte de persoon is die wordt aangeduid met ‘ [bijnaam 5] ’ of ‘ [bijnaam 5] ’.
Namens de verdachte gevoerd verweer en verwerping hiervan door het hof
2.3.3
Namens de verdachte is in hoger beroep verweer gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde pleitnota. Voorts heeft het hof ermee ingestemd pagina’s 1 tot en met 27 van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota als ingelast en herhaald te beschouwen. De in eerste aanleg overgelegde pleitnota bevat onder meer de volgende passage:
“Het OM oordeelt dat de afkorting SP gelijkend is aan de paraaf van [verdachte] en merkt op dat de processen-verbaal van verhoor van [verdachte] steevast worden getekend met de initialen SP. Is dat dan bewijs? Of is dit een kwestie van invullen? In het dossier fungeert ook nog een niet nader geïdentificeerde (bij)naam [bijnaam 9] . Dat [verdachte] met [bijnaam 9] wordt bedoeld is alles behalve aannemelijk. Dat onderdeel komt overigens in het requisitoir niet méér terug. Wie is het dan wel? SP kan een afkorting zijn van de persoon met wie [bijnaam 9] wordt aangeduid, niet zijnde [verdachte] . Kortom, vermoedens te over, maar hard bewijs blijft achterwege. Vandaar ook geen t.l.l. van het gronddelict [onderzoeknaam 1] , maar wel via de achterdeur van de 11b Ow organisatie alsnog hetzelfde doel bereiken, maar dan met een stuk minder bewijsverplichtingen. Vermoedens als zou [verdachte] worden bedoeld in het PGP-verkeer als " [bijnaam 5] ". Indien het zou kloppen dat " [bijnaam 5] ” [verdachte] zou zijn - quod non - kan gezegd worden dat hetgeen het OM bij requisitoir vanaf paragraaf 4.1.3. Gesprekken met [verdachte] (pag. 26, 27, 28, 29, 30 3 en 31 hout snijdt. Gelukkig voor [verdachte] is dat evenwel niet het geval om de doodeenvoudige reden dat hij niet de persoon is die bedoeld wordt met " [bijnaam 5] ". Overigens vindt [verdachte] het knap van het onderzoekteam dat zij allerlei waarschijnlijkheidstheorieën hebben losgelaten op het hoe en waarom [verdachte] bedoeld moet zijn met " [bijnaam 5] ". [verdachte] heeft geen gebruikersnaam op de PGP gehad zijnde " [bijnaam 5] ". Hetgeen de politie debiteert gaat om vermoedens, doch daar blijft het ook steken. Evengoed als [verdachte] geen Chinees spreekt. Kan [verdachte] dat bewijzen? Neen! Maar gelukkig hoeft dat ook niet. Het OM zal dienen te bewijzen dat [verdachte] gebruikt maakt van de PGP-naam " [bijnaam 5] ".”
2.3.4
Ik herhaal hier voor het lezersgemak de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer:
“Ten slotte leidt het hof uit het onderzoek van de nog nader te bespreken telefoon van [medeverdachte 7] , de BQ Aquaris met EncroChat-software, af dat hij telefoonnummers van [verdachte] had opgeslagen als [bijnaam 5] of [bijnaam 5]. In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Het verweer dat [verdachte] niet deze ‘ [bijnaam 5] ‘ was wordt daarmee verworpen.”
2.3.5
Bij deze verwerping heeft het hof zich kennelijk gebaseerd op bewijsmiddel 3, dat ik hieronder citeer (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“3. Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek encrypted BQ Aquarius telefoon van 5 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren S 064 en T-749 (…).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk
weergegeven:
Onder [medeverdachte 7] werd op 6 november 2017 in zijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] een mobiele telefoon van het merk BQ Aquarius in beslaggenomen. Deze lag op het tweepersoonsbed in de enige slaapkamer van de woning.
In de contactenlijst (…) staan [bijnaam 2] , [bijnaam 5] en [bijnaam 4] 1, [bijnaam 4] en [bijnaam 4] onder meer als contacten vermeld. [bijnaam 2] is de bijnaam van [medeverdachte 3] . [bijnaam 5] is de bijnaam van [verdachte] . [bijnaam 4] is een bijnaam van [medeverdachte 6] .
In gebeurtenis 26 op 3 augustus 2017 komt contact " [bijnaam 5] " in beeld. Vermoedelijk is, [bijnaam 5] in het bezit van nieuwe encrypted telefoon. Het is zeer aannemelijk dat [bijnaam 5] de bijnaam van [verdachte] is en daarmee tevens het contact [bijnaam 5] en [bijnaam 5] . In de iPhone 7 die onder [medeverdachte 7] in beslaggenomen is staan meerdere contacten onder de naam [bijnaam 5] vermeld. Namelijk: [bijnaam 5] en [bijnaam 5] . Deze nummers zijn in gebruik bij [verdachte] [mijn onderstreping].”
Bespreking van het eerste middel
2.3.6
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal is voorbehouden aan feitenrechter. In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. De door de feitenrechter hieruit getrokken conclusies van feitelijke aard kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.2.
2.3.7
Hoewel in de hiervoor onder 2.3.4. geciteerde bewijsoverweging niet expliciet is opgenomen op welke telefoonnummers het hof het [bijnaam 2] heeft bij de zinsnede “In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5] ”, kan dit wel uit bewijsmiddel 1 van de bewijsmiddelenbijlage worden opgemaakt. Daarin staat vermeld onder het kopje “Telefoonnummers en bijnamen”:
“ 1. Een proces-verbaal eindrelaas van 26 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-004 en T-748 (doorgenummerde pagina’s 0001 t/m 0081).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
p. 15: Tijdens.het onderzoek zijn van meerdere verdachten maar ook betrokkenen de gesprekken die werden gevoerd met de telefoons opgenomen en afgeluisterd. Indien naar aanleiding van deze gesprekken de identiteit van de gebruiker kon worden vastgesteld werd hiervan een proces-verbaal identificatie.
Aan de verdachte [verdachte] konden de volgende mobiele telefoons worden gekoppeld: [telefoonnummer 8] , [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 10] ( [bijnaam 10] ) en [telefoonnummer 11] .
[….]”
2.3.8
Ik lees de overweging van het hof dan ook zo dat het uit het feit dat in de contacten van de iPhone van zijn medeverdachte [medeverdachte 7] de telefoonnummers die aan de verdachte konden worden gekoppeld waren opgenomen onder de namen “ [bijnaam 5] ” en “ [bijnaam 5] ”, heeft afgeleid dat de bijnaam van de verdachte “ [bijnaam 5] ” is. Dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat de contacten “ [bijnaam 5] ” en “ [bijnaam 5] ” die zijn aangetroffen in de PGP-telefoon van deze medeverdachte ook de verdachte betreffen, is van feitelijke aard en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
2.4
Het tweede middel
2.4.1
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van de deelneming aan een criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.4.2
In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de argumenten waarop het hof het oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie heeft gebaseerd geen van alle op zichzelf genomen of in onderlinge samenhang bezien, redengevend kunnen zijn voor de beweerde deelname.
2.4.3
Bij bespreking van het middel is het volgende juridische kader van belang. Op 5 juli 20223.heeft de Hoge Raad eerdere jurisprudentie inzake art. 140 Sr op hoofdlijnen weergegeven. Ik zal hieronder de relevante passages uit het arrest citeren:
“2.4.3
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
2.4.4
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking — zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het [bijnaam 2] op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie — en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het [bijnaam 2] op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”
2.4.4
Tegen deze achtergrond faalt ook het tweede middel. De steller van het middel betwist niet dat sprake was van een organisatie die het oogmerk had misdrijven te plegen. Alleen het oordeel dat de verdachte hieraan heeft deelgenomen, wordt bestreden, maar wat mij betreft tevergeefs en wel om het volgende.
- De verdachte is door twee verbalisanten onafhankelijk van elkaar herkend op de videobeelden als één van de NN-personen die op 8 november 2016 in de avond de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aan de [c-staat 1] is binnengegaan en na enige tijd deze woning weer heeft verlaten.
- In de bij medeverdachte [medeverdachte 1] thuis aangetroffen drugsadministratie komt verdachtes bijnaam voor. Ook is er een op schrift gestelde financiële administratie gevonden waarop verdachtes initialen staan.
- Bij de verdachte thuis is een administratie aangetroffen die betrekking heeft op de handel in verdovende middelen, in welke administratie bijnamen worden genoemd die ook in de voornoemde bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie voorkomen.
- Bij de medeverdachte [medeverdachte 7] is ook een drugsadministratie aangetroffen. Voorts blijkt uit diens telefoongegevens dat hij van onder meer de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 6] dingen moest uitzoeken en dat [medeverdachte 7] hen op de hoogte hield van de inkomsten en uitgaven van de organisatie.
- De verdachte onderhield contact met medeverdachte [medeverdachte 7] over (vermoedelijk) drugsimport uit Colombia en export naar Australië. Ook kon de verdachte bepalen dat medeverdachte [medeverdachte 1] snipperdagen kreeg.
- Tot slot heeft de verdachte, ondanks het feit dat hij geen legale inkomsten had, een jaar in het buitenland kunnen doorbrengen, heeft hij loon ontvangen uit een fictief dienstverband, welk loon ook terug is te vinden in de drugsadministratie van [medeverdachte 7] , en zijn bij de verdachte thuis grote contante bedragen aangetroffen.
Afgezet tegen de maatstaf die uit de rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeit – te weten dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk strafbare feiten te plegen – meen ik dat het hof uit het voorgaande kon en mocht afleiden dat de verdachte deel heeft genomen aan de organisatie door een leidende rol op zich te nemen met betrekking tot de handel in verdovende middelen en het beheer van de gelden die hiermee werden verdiend.
2.4.5
Hetgeen de steller van het middel hier in de schriftuur tegenin brengt, doet hieraan niet af. Het gaat hierbij grotendeels om alternatieve interpretaties van het bewijsmateriaal en die kunnen in cassatie nergens toe leiden indien het hof (de redengevendheid van) het bewijsmateriaal ook anders kan wegen. Het gaat erom of de keuzes die het hof hierbij heeft gemaakt begrijpelijk zijn en of het bewezenverklaarde voldoende is gemotiveerd en dat is het geval.
2.4.6
Het middel faalt.
3. Het derde middel
3.1
Het derde middel is beperkt tot de klacht dat het onder 2 bewezen verklaarde verhullen of verbergen van de vindplaats van en het verhullen van de rechthebbende op een geldbedrag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
feit 2
hij op 6 november 2017 (op het adres [g-straat 2] ) te [plaats]
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.160,00 euro, de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was
en
voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 20.385,41 en
- horloges en
- een Mercedes Benz E500 met kenteken [kenteken 1] en een Audi Q7 met kenteken [kenteken 2] voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
Bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen
3.3
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft het hof het volgende overwogen, voor zover dat betrekking heeft op het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag:
“Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op verschillende plaatsen geldbedragen aangetroffen tot een totaal van € 95.545,41. Een gedeelte van dit geld - drie geldsommen tot een totaalbedrag van € 75.160,00 - was verstopt in een ruimte onder de trap.
(…)
Dit betekent dat bewezen kan worden dat het ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard op de hierna te melden wijze. Daarbij merkt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde onderdelen ‘verbergen' en 'verhullen’ nog het volgende op. Zoals hiervoor is opgemerkt, was een drietal geldsommen - tot een totaal van € 75.160,00 - geplaatst in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Deze geldbedragen waren hierdoor goed verborgen. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden gesproken worden van een situatie waarin de verdachte de vindplaats van de geldsommen heeft verborgen en waarin hij heeft verhuld wie de rechthebbende is geweest. Ook dit is overigens door de verdediging niet betwist.”
3.4
Daarnaast citeer ik het bewijsmiddel waarin het aantreffen van het geldbedrag in kwestie wordt beschreven:
“2. Een proces-verbaal van bevindingen (aantreffen verborgen ruimte [g-straat 2] te [plaats] ) van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-563 en S-008 (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Bij het doorzoeken van de woning op 6 november 2017 is door Forensische Opsporing een holle ruimte onderkend onder de trap die leidt naar de eerste verdieping van de woning. Ik, verbalisant T 563, zag dat bij het verwijderen van de vloerbedekking op één van de treden een luikje zichtbaar werd. Ik zag dat de vloerbedekking niet vastgelijmd zat aan de trede. Achter dit luikje, wat vast was gemaakt met klemmetjes, zat een holle ruimte. Verbalisanten van Forensische Opsporing haalden achter dit luik een plastic tas met diverse bankbiljetten en twee kartonnen dozen. Verbalisant S-008 zag dat de twee dozen gevuld waren met stapeltjes met bankbiljetten. Ik, verbalisant T-563, zag dat in de eerste plastic tas met opschrift ‘Douglas’ diverse stapeltjes met bankbiljetten zaten.”
3.5
Uit de toelichting op het middel leid ik af dat het in de kern gaat om twee vragen, namelijk of het geldbedrag van € 75.160,00 dat in de woning van de verdachte is aangetroffen in de verborgen ruimte die zich achter een luikje onder de vloerbedekking van een traptrede bevond, kan bijdragen aan de bewezenverklaring van:
a) ‘verbergen of verhullen’ van de vindplaats van dat geld, als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr en/of
b) het verhullen wie van dit geld de rechthebbende is als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr.
3.6
Van belang hierbij is op te merken dat ten aanzien van dit bedrag ook het voorhanden hebben ervan was tenlastegelegd, maar dat het hof ervoor gekozen heeft slechts het verbergen of verhullen van de vindplaats ervan of het verhullen wie de rechthebbende is, bewezen te verklaren.
3.7
Voor zover het gaat om het verbergen of verhullen van de vindplaats verwijst de steller van het middel naar de arresten van 19 december 20144.en 5 april 2016.5.Uit beide arresten volgt dat het enkele feit dat in een woning of auto op ongebruikelijke plaatsen geld wordt aangetroffen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het verhullen of verbergen van de herkomst van dat geldbedrag te komen.
3.8
Over de vraag of die jurisprudentie één op één vertaald kan worden naar het verhullen van de vindplaats van geldbedragen heeft de Hoge Raad op 28 maart 2023 een arrest gewezen.6.In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat uit de bewijsvoering van het hof niet méér kon worden afgeleid dan dat de verdachte - in losse stapeltjes - geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 had meegevoerd in zijn kleding en onder een autostoel, hetgeen wat betreft de bewezenverklaring van het ‘verbergen en verhullen van de vindplaats’ van deze geldbedragen ontoereikend gemotiveerd was.
3.9
De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar de wetsgeschiedenis en citeert uit de Memorie van Toelichting de volgende passage:
“2.3.2 De wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, houdt onder meer het volgende in:
- de memorie van toelichting:
“Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)
Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...).
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» - volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» - zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 27159, nr. 3, p. 14-15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.”
(Kamerstukken II 2000/01, 27159, nr. 5, p. 17.)”
3.10
Mijn ambtgenoot AG Frielink heeft zich in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie afgevraagd waar nu precies de grens ligt tussen het “voorhanden hebben” en het “verbergen of verhullen van de vindplaats”. Hij concludeert, mede aan de hand van de wetsgeschiedenis die de Hoge Raad ook in zijn arrest aanhaalt, dat het verstoppen van een voorwerp kennelijk onvoldoende is om van het verhullen/verbergen van de vindplaats te kunnen spreken. Hij schrijft:
“Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken. Bij een grammaticale interpretatie van het verbergen van de vindplaats wordt wellicht al snel aan het feitelijk verstoppen gedacht, maar voor het verhullen en verbergen van de vindplaats is meer nodig”.
3.11
De vraag is vervolgens waaruit dat meerdere dan dient te bestaan? De Hoge Raad volstaat in het arrest van 28 maart 2023 met een verwijzing naar de tekst uit de Memorie van Toelichting. Frielink probeert hier meer handen en voeten aan te geven en verwijst in zijn conclusie onder andere naar een eerder arrest uit 2015.7.In die zaak was bewezen verklaard dat de verdachte van twee motorfietsen de vindplaats had verhuld door deze te stallen in de achtertuin van derden. Die achtertuin was niet zichtbaar vanaf de openbare weg en deze derden wisten niet wie de motorfietsen daar had neergezet. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte de vindplaats van de motorfietsen had verhuld, niet onbegrijpelijk. Frielink veronderstelt dat de verklaring van dit oordeel is gelegen in de omstandigheid dat het in deze situatie niet enkel ging om het verstoppen van de motorfietsen. De verdachte had ook de schijn gewekt dat de derden, in wier tuin de motorfietsen waren verstopt, de eigenaren waren, terwijl deze derden niet wisten van wie de motorfietsen waren.
3.12
Ik deel de analyse van Frielink dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het verstoppen van een voorwerp niet voldoende is om van het verhullen/verbergen van de vindplaats in de zin van art. 420bis Sr te kunnen spreken en “dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken”.8.
3.13
In de onderhavige zaak heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid dat het geldbedrag was opgeborgen in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Dit lijkt mij niet méér dan het enkel bewaren van een voorwerp op een ‘ongebruikelijke’ plek. De in het oordeel van het hof besloten liggende opvatting dat deze wijze van verbergen objectief gezien geschikt is om de vindplaats te verhullen, is niet genoeg om het bewezenverklaarde te kwalificeren als verhullen in de zin van art. 420bis lid 1 onder a Sr en getuigt dan ook niet van een juiste rechtsopvatting.
3.14
Ook wat betreft de deelklacht over het verhullen van de rechthebbende op het geldbedrag ben ik het met de steller van het middel eens. Ik zie niet in hoe het verbergen van een geldbedrag in de eigen woning van de verdachte het zicht op de rechthebbende verhult. Buiten het verbergen van het geld blijkt uit de bewijsvoering van het hof niet dat hij enige (andere) poging heeft ondernomen om te verhullen wie de rechthebbende op dit geld is.
3.15
Dat betekent dat het middel terecht is voorgesteld.
3.16
Dan dringt zich de vraag op of dit tot cassatie moet leiden. De bewezenverklaring ten aanzien van het bedrag van 75.160,00 euro behelst slechts het verhullen en verbergen van de vindplaats en van de rechthebbende op het geldbedrag. Het voorhanden hebben van dit geldbedrag heeft het hof, hoewel eveneens ten laste gelegd, niet bewezen verklaard. Ik heb geaarzeld of de weglating van dit onderdeel uit de bewezenverklaring de aard en ernst van wat verder onder feit 2 is bewezenverklaard aantast. Ik meen alles afwegend van niet. Het gaat weliswaar om een substantieel bedrag, maar in het kader van het geheel van de bewezenverklaring kan dat wel gerelativeerd worden, terwijl ook de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, “witwassen meermalen gepleegd”, ongewijzigd blijft. Ik kom dan ook tot de conclusie dat voor vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat, omdat door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.9.
3.17
Het middel faalt.
4. Het vierde middel
4.1
Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezen verklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag en drie horloges kan worden gekwalificeerd als witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2
Het gaat bij dit middel om het gedeelte van de bewezenverklaring dat de verdachte:
“op 6 november 2017 (op het adres [g-straat 2] ) te [plaats]
(…)
voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 20.385,41 en
- horloges (..,)
- (…)
voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het kennelijke oordeel van het hof dat de onder 1 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie geen eigen grondmisdrijf betreft waaruit de voorhanden witwasvoorwerpen direct kunnen zijn verkregen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen wel degelijk dat het aannemelijk is dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen uit de door de verdachte zelf begane misdrijven, namelijk zijn deelname aan een organisatie die zich bezighield met de grootschalige handel in verdovende middelen en witwassen, afkomstig waren.
Overwegingen van het hof ten aanzien van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond
4.4
Het hof heeft het namens de verdachte gedane beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond als volgt gemotiveerd verworpen:
“10.1 Overweging met betrekking tot de kwalificatie-uitsluitingsgrond
De verdediging heeft ten aanzien van, het bedrag van € 20.385,41 en ten aanzien van de drie horloges een beroep gedaan op de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond strekt ertoe dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door een verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. De achtergrond van deze uitsluitingsgrond is dat dient te worden voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Met deze uitsluitingsgrond wordt bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane grondmisdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
Uit het voorgaande volgt dat enkel degene die een concreet gronddelict heeft begaan, terwijl dat gronddelict onmiddellijk tot gevolg heeft dat een voorwerp voorhanden is gekomen, een geslaagd beroep kan doen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De deelname aan een criminele (drugs)organisatie kan niet als een concreet gronddelict worden beschouwd in vorenbedoelde zin. Deze deelname, en het strafrechtelijk verwijt dat daarbij aan de deelnemers kan worden gemaakt, dient te worden onderscheiden van het voorhanden hebben door een of meer van die deelnemers van de criminele gelden die door de drugsorganisatie zijn verkregen. Dit voorhanden hebben is een aparte, strafrechtelijk separaat te sanctioneren, gedraging die niet het automatische gevolg is van de deelname aan de criminele (drugs)organisatie. Kort gezegd: de deelname aan een drugsorganisatie is strafrechtelijk te onderscheiden van het witwassen dat door deelnemers aan die organisatie kan worden maar niet automatisch wordt gepleegd.
Voor de conclusie dat een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is zal met name in de volgende gevallen aanleiding bestaan:
(i) er is sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf);
(ii) uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort dat sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf; of
(iii) de verdachte heeft met voldoende concretisering een toelichting gegeven op dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
Gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385,41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dit betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.
Evenmin is deze grond van toepassing op de drie horloges. De enkele opmerking van de verdachte in een e-mail aan zijn raadsman ten aanzien van de horloges dat hij wel eens werd betaald in natura is, zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij deze horloges direct uit eigen misdrijf heeft verkregen.”
Bespreking van het vierde middel
4.5
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. Ten aanzien van het witwassen van een uit misdrijf afkomstig voorwerp volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd ingeval het gaat om het verwerven of voorhanden hebben10.van een voorwerp dat (i) onmiddellijk afkomstig is (ii) uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.11.De daaraan ten grondslag liggende gedachte is dat hiermee wordt beoogd, te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan (medeplegen daarbij inbegrepen12.) en die het door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch schuldig maakt aan witwassen en wordt ook bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf in de vervolging centraal staat.13.In het overzichtsarrest14.worden de volgende drie factoren genoemd die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de vraag of het voorwerp dat de verdachte voorhanden had dan wel heeft verworven onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf:
“(i)
naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii)
rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van — kort gezegd — het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii)
de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”
4.6
Het middel steunt, in navolging van de rechtbank in eerste aanleg, in de kern op de opvatting dat de bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie een eigenstandig gronddelict is waaruit witwasvoorwerpen direct kunnen zijn verkregen.
4.7
De rechtbank oordeelde ten aanzien van het witwassen van de geldbedragen, horloges en auto’s in haar vonnis als volgt:
“Nu verdachte een deelnemer van de criminele organisatie was, oordeelt de rechtbank dat deze
geldbedragen en goederen afkomstig waren uit zijn eigen misdrijf. Op grond van de
beschikbare bewijsmiddelen kan dus een rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald
misdrijf van verdachte waaruit deze geldbedragen en goederen afkomstig zijn. De rechtbank
volgt de officieren van justitie dan ook niet in hun visie, dat deze afkomstig waren uit enig
misdrijf(van een derde).”
Ten aanzien van het onder 2, tweede feit cumulatief/alternatief bewezen geachte, ontsloeg de rechtbank de verdachte van alle rechtsvervolging omdat volgens de rechtbank de kwalificatie-uitsluitingsgrond hierop van toepassing was.
4.8
Het hof oordeelt anders dan de rechtbank, kort samengevat, dat deelname aan een criminele (drugs)organisatie niet als een gronddelict kan worden beschouwd en dat het voorhanden hebben van gelden die afkomstig zijn uit de delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht (in casu de handel in verdovende middelen en witwassen) door een of meer van de deelnemers aan de organisatie dient te worden onderscheiden van de deelname zelf.
4.9
Ik meen, anders dan de steller van het middel, dat het hof hierbij is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
4.10
De ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond is – zoals hiervoor al aangegeven – het voorkomen van automatische dubbele strafbaarheid. Die situatie doet zich voor als het verwerven en voorhanden hebben van het voorwerp het vanzelfsprekende gevolg is van het begane misdrijf. Het aanwezig hebben van voorwerpen die een criminele herkomst hebben kan niet als een handeling worden beschouwd die in de deelname aan een criminele organisatie automatisch besloten ligt en vloeit daaruit ook niet noodzakelijkerwijs voort.15.
4.11
Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat aan de ‘onmiddellijkheid’ van het uit eigen misdrijf afkomstige voorwerp hoge eisen worden gesteld. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar een arrest uit 2022 waarin het ging om fraude met kinderopvangtoeslag. De verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst en gewoontewitwassen van de daarmee verdiende gelden. In deze zaak ging het om een verdachte die voor haarzelf en in naam van anderen frauduleuze aanvragen voor kinderopvangtoeslag deed. De toeslag die zij voor zichzelf had aangevraagd, werd uitgekeerd op haar eigen rekening. De toeslag die zij voor anderen had aangevraagd, werd uitgekeerd op de rekening van de ‘aanvragers’, die deze deels moesten afstaan aan de verdachte. Dit gebeurde soms contant en soms giraal. De girale betalingen werden soms eerst gestort op de rekening van een betrokkene die dit geld overmaakte aan de dochter van de verdachte en soms direct overgemaakt aan de dochter van de verdachte alvorens bij de verdachte terecht te komen. De Hoge Raad oordeelde dat het hierop gebaseerde oordeel van het hof “dat de verdachte in totaal € 46.800 heeft ontvangen en dat het bedragen betreft die ten gevolge van de oplichtingshandelingen bij de betreffende aanvragers zijn binnengekomen en vervolgens (voor een deel) zijn doorgeleid naar de verdachte, waardoor de verdachte deze aldus ‘middellijk’ uit misdrijf afkomstige gelden heeft verworven en voorhanden heeft gehad” niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.16.
Lindenberg merkt in zijn noot bij dit arrest op dat elke verdachte die niet op ground zero van het voltooide grondmisdrijf staat (in dit geval de oplichting) geen beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond toekomt.
4.12
In onderhavige zaak heeft het hof, in cassatie niet bestreden, overwogen dat gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385,41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij heeft het hof ten overvloede opgemerkt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dat geldt volgens het hof ook voor de drie horloges. De enkele opmerking van de verdachte in een e-mail aan zijn raadsman ten aanzien van de horloges dat hij wel eens werd betaald in natura is, zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij deze horloges direct uit eigen misdrijf heeft verkregen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
4.13
Het middel faalt.
5. Het vijfde middel
5.1
Het vijfde middel klaagt dat de oplegging van een geldboete van € 100.000 – kort gezegd, omdat de verdachte tot dit bedrag voordeel heeft genoten – onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert in de toelichting aan dat nu het hier gaat om een afroomboete het hof, net als bij een ontnemingsvordering het geval is, concreter had moeten onderzoeken hoeveel de verdachte werkelijk heeft verdiend aan zijn deelname aan de organisatie. Hierbij hadden ook de kosten die de verdachte heeft gemaakt in aanmerking moeten worden genomen, alsmede de waarde van de door het hof verbeurd verklaarde goederen.
Overwegingen hof ten aanzien van oplegging van de geldboete
5.2
Ten aanzien van de oplegging van de geldboete en de verbeurdverklaring heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“12. Oplegging van straffen
[…]
Het hof is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar passend en geboden is. Ook acht het hof de oplegging van een forse geldboete aangewezen. De drijfveer voor verdachtes handelen zal zijn geweest om veel geld te verdienen. Dat dit ook is gelukt blijkt niet alleen uit de grote omzet van de drugsorganisatie, maar ook uit het feit dat de verdachte, zonder over een legaal inkomen te beschikken, in staat was om ruim een jaar op de vlucht te blijven, waarbij hij - zo blijkt uit de bevindingen van de politie (…) - in Dubai op grote voet leefde. Het hof acht het daarom passend dat de verdachte ook een straf zal worden opgelegd die hem financieel raakt, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat - zoals ter terechtzitting is gebleken - er uiteindelijk geen ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt. Het hof zal de verdachte een geldboete van € 100,000,00 opleggen, die bij niet-betaling zal worden vervangen door een hechtenis voor de duur van 360 dagen. Het hof merkt hierbij op dat in dit geval op basis van artikel 12 van de Opiumwet - in aanmerking genomen dat de waarde van het geld dat de drugsorganisatie heeft verkregen, zoals uit het voorgaande volgt, hoger is dan een vierde gedeelte van het bedrag van de vijfde geldboetecategorie (€ 82.000,00) - een geldboete van de zesde categorie (maximaal € 820.000,00) kan worden opgelegd.
[…]”
Bespreking van het vijfde middel
5.3
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de hoogte van een geldboete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit de bewezen verklaarde feiten behaalde voordeel.17.Bij de oplegging van zo’n boete dient echter rekening te worden gehouden met de hoogte van het daadwerkelijk genoten voordeel. Zo casseerde de Hoge Raad een arrest waarin het hof zijn oordeel kennelijk had gebaseerd op de opvatting dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag dat door de verdachte was witgewassen, ook het daadwerkelijk verkregen voordeel vormde. Dat die witgewassen geldbedragen vermogensbestanddelen zijn die de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.18.In een andere zaak had het hof overwogen dat een geldboete een passende bestraffing vormde en had het zich mede gebaseerd op het grote bedrag (enkele tonnen) dat de verdachte ten onrechte van de fiscus had ontvangen. De Hoge Raad achtte dit oordeel onvoldoende met redenen omkleed, gelet op hetgeen de verdediging had aangevoerd over de financiële positie van de verdachte, in het bijzonder inzake het executoriale beslag dat de fiscus in verband met de naheffingsaanslagen met betrekking tot de ten onrechte aan de verdachte betaalde bedragen had gelegd op het enige vermogensbestanddeel van de verdachte, op grond waarvan de verdachte niet in staat zou zijn een opgelegde geldboete te betalen.19.
5.4
Wat betekent dit nu voor de onderhavige zaak? De eerste vraag die bij beantwoording van het middel van belang is, is of de opgelegde geldboete inderdaad kan worden aangemerkt als ‘afroomboete’. Ik meen van wel. Hoewel de enkele overweging dat de geldboete is opgelegd met het doel de verdachte financieel te raken onvoldoende is om te concluderen dat de opgelegde geldboete ook een reparatoir karakter heeft, duidt de overweging van het hof dat het hierbij mede in aanmerking heeft genomen dat “geen ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt” erop dat het doel van de geldboete mede is gelegen in het ontnemen van het voordeel dat de verdachte door zijn criminele handelen heeft genoten. Ik wijs ter vergelijking op een arrest uit 201920.waarin het hof had overwogen dat het de door het openbaar ministerie geëiste straf onvoldoende afschrikwekkend achtte “om recidive te voorkomen”. Volgens het hof kon het besef dat uit financieel gewin gepleegde criminaliteit niet lonend is, bij de verdachte of anderen de prikkel wegnemen om zich (opnieuw) schuldig te maken aan strafbare feiten. Bij de keuze om een geldboete op te leggen, was verder in aanmerking genomen dat niet was aangekondigd dat tegen de verdachte een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. De Hoge Raad oordeelde “[d]at het daarin besloten liggende oordeel dat de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot 'afroming' van het door deze feiten verkregen voordeel, […] niet blijk [geeft] van een onjuiste rechtsopvatting”.
5.5
Gelet op het voorgaande is het de vraag of het hof, zoals de steller van het middel aanvoert, was gehouden om nader te motiveren hoeveel voordeel de verdachte heeft genoten door zijn deelname aan de criminele organisatie.
Ik kan mij op zichzelf vinden in zijn betoog dat ingeval een geldboete is opgelegd die mede strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de feitenrechter moet motiveren hoe hoog hij dit voordeel schat, tenzij uit het vonnis of arrest volgt dat de hoogte van het voordeel aanzienlijk hoger is dan de opgelegde geldboete. Ik wil niet zover gaan dat – net als bij een ontnemingsvordering het geval is – het voordeel moet kunnen worden vastgesteld aan de hand van bewijsmiddelen (zie art. 511f Sv), maar dit voordeel zal wel – net zoals bij alle omstandigheden die de feitenrechter bij de oplegging van de straf in zijn oordeel betrekt – uit het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gebleken.21.
Verder ben ik het ook met de steller van het middel eens dat bij oplegging van een afroomboete rekening dient te worden gehouden met voordeel dat wordt ontnomen door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengsten van door de verdachte begane strafbare feiten.22.
Daarbij speelt voor mij een rol, dat het niet zo moet zijn dat de waarborgen voor de verdediging waarmee de ontnemingsprocedure is omkleed, omzeild kunnen worden door het door de verdachte genoten voordeel over de band van een geldboete te ontnemen. Hiermee samenhangend lijkt mij ook dat de redelijkheid gebiedt dat de rechter zijn voornemen om een dergelijke boete op te leggen kenbaar maakt, zodat de verdediging verweer kan voeren op dit vlak.23.
5.6
Op alle drie de punten schuurt het wat mij betreft in de onderhavige zaak. Ten eerste heeft het hof geen overwegingen gewijd aan de geschatte hoogte van het genoten voordeel. Ten tweede blijkt ook nergens uit dat het rekening heeft gehouden met de verbeurd verklaarde geldbedragen, auto’s en horloges, waarvan de waarde tezamen bijna € 190.000 bedraagt. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat deze voorwerpen verbeurd zijn verklaard op grond van art. 33a lid 1 onder b Sr (corpora delicti)24.en de jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook rekening moet worden gehouden met verbeurdverklaring ziet op voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als baten van het strafbare feit (art. 33a lid 1 sub a Sr).25.
Tot slot wijs ik ten aanzien van het derde punt op het feit dat in eerste aanleg geen geldboete is opgelegd en ook de advocaat-generaal bij het hof niet heeft gerekwireerd tot oplegging van een geldboete. Onder deze omstandigheden heeft de verdediging niet kunnen zien aankomen dat een afroomboete aan de verdachte zou worden opgelegd en is haar de kans ontnomen verweer te voeren over de hoogte van het door de verdachte genoten voordeel.26.
5.7
Ik vraag me echter af of dit in het onderhavige geval meebrengt dat – zoals de steller van het middel meent – de oplegging van de geldboete ontoereikend is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. Uit het arrest blijkt namelijk dat de verdachte een leidende positie had in een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige drugshandel, waarvan de inkomsten in het ‘seizoen 16/17’ bijna 4 miljoen euro betroffen. In combinatie met het feit dat de verdachte een jaar op de vlucht kon blijven, gedurende welke periode hij, zo blijkt uit bewijsmiddel 70 “veel geld” uitgaf aan zogenaamde “VIP tafels”, lijkt mij dat de hoogte van de opgelegde geldboete niet onbegrijpelijk is en ook zonder nadere toelichting toereikend is gemotiveerd.
5.8
Het middel faalt.
6. Het zesde middel
6.1
In het zesde middel wordt geklaagd dat de motivering van de verbeurdverklaring van diverse auto’s, geldbedragen en andere luxegoederen tekortschiet, omdat het hof de waarde van deze voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting die voortvloeit uit de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 100.000. Nu de geldboete strekt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had het hof het bedrag dat verbeurd is verklaard, moeten aftrekken van de op te leggen geldboete.
6.2
Over deze klacht kan ik kort zijn. Strikt genomen gaat het hier om een klacht die eigenlijk betrekking heeft op de hoogte van de (gestelde) afroomboete waarover in het vijfde middel wordt geklaagd. Het niet in aftrek brengen van de verbeurd verklaarde goederen tast immers alleen de begrijpelijkheid van de oplegging van de geldboete aan en niet de begrijpelijkheid van de verbeurdverklaring zelf.
6.3
Dat betekent dat het zesde middel faalt.
7. Slotsom
7.1
De middelen falen. Afgezien van het vijfde middel kunnen deze worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. Jörg.
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553, NJ 2016/385, m.nt. Keulen.
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462.
HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:214.
Overigens wordt hierover in de literatuur verschillend gedacht, zie F.C.W. de Graaf, ‘De witwasgedragingen van de a-grond van artikel 420bis Sr nader beschouwd’, NTS 2020/81, p. 281. Zij meent dat in de casus die ten grondslag lag aan de arresten van 13 oktober 2015, waarin bij de verdachten geldbedragen waren aangetroffen in een kussen in de bank en achter een plint van het keukenblok, zonder meer sprake was van het verhullen van de vindplaats (in cassatie werd hier niet over geklaagd) en F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen. Een onderzoek naar de reikwijdte en de toepassing van artikel 420bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 67 en 116. Hij noemt als voorbeeld van het verbergen van de vindplaats een winkeldief die een net gestolen voorwerp in zijn jaszak laat verdwijnen.
Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. Keijzer, rov. 2.5.4.
In beginsel heeft deze regel geen betrekking op het ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ en ‘omzetten’, maar het valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, m.nt. Keijzer, rov. 2.4.1 en 2.4.2).
De kwalificatie-uitsluitingsgrond werd al in 2008 door Borgers in zijn noot onder HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16 voorgesteld. In HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. Keijzer bepaalde de Hoge Raad ten aanzien van het ‘voorhanden hebben’ van een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen goed dat dit niet kon worden gekwalificeerd als witwassen (rov. 2.4.2). In HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. Reijntjes bepaalde de Hoge Raad dat dit ook dient te gelden voor het verwerven (rov. 2.6).
HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090, rov. 3.5.
HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. Borgers, rov. 2.3.
HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218, m.nt. Mevis, rov. 2.4.2.
Vgl. in dit verband de noot van Reijntjes onder 1 en zijn talrijke voorbeelden onder 3 t/m 9 bij HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, NJ 2019/102. Zie ook F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p.118. Hij schrijft dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond slechts van toepassing is als het voorhanden hebben “het noodzakelijke gevolg van het voltooien van het gronddelict” is.
HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1820, NJ 2023/135, m.nt. Lindenberg, rov. 2.5. In de samenhangende zaak ging het ook om een verdachte die de Belastingdienst had opgelicht. De Hoge Raad leidde uit het oordeel van het hof af dat de verdachte “van derden geld op haar bankrekening heeft ontvangen naar aanleiding van ten behoeve van die derden gedane aanvragen en vervolgens ten onrechte aan hen uitgekeerde kinderopvangtoeslag” en oordeelde dat “[h]et kennelijke oordeel van het hof dat dit contante geldbedrag ‘middellijk’ uit (eigen) misdrijf afkomstig is en dat daarom de onder 2.4.3 genoemde regels niet van toepassing zijn [niet] getuigt […] van een onjuiste rechtsopvatting en […] niet onbegrijpelijk [is]”. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking “dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat dit geld bij de verdachte is aangetroffen nadat het, als ten onrechte uitbetaalde toeslag, door een andere aanvrager giraal was ontvangen en vervolgens aan de verdachte is overgedragen (zoals hiervoor onder (ii) en (iii) aangeduid), waarbij het op enig moment is omgezet in contant geld” (HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1822, NJ 2023/136, m.nt. Lindenberg, rov. 2.5).
HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594, rov. 2.3.1 en HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684, rov. 2.5. Een geldboete die uitsluitend is bedoeld om bij het uitblijven van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dit voordeel alsnog, via de boete, te ontnemen, lijkt niet te zijn toegestaan (vgl. HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2428, rov. 2.3 en de conclusie van AG Knigge (randnummer 13-14) voor dit arrest.
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, rov. 2.3. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594, rov. 2.3.2.
HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684, rov. 2.6.
HR 17 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers , Cassatie in Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360.
Vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.
Vgl. in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot P-G (toen A-G) Bleichrodt (randnummer 12) voor HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Zie p. 24 van het arrest.
HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.
Zie randnummer 18 van de voornoemde conclusie van Bleichrodt.
Beroepschrift 25‑01‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE ZES MIDDELEN VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
de heer [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1977, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Amsterdam, op 12 april 2023, onder parketnummer 23/02011-20, gewezen arrest.
Inleiding
1.
Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. Op 10 november 2016 kwam [medeverdachte 1] het politiebureau Meer en Vaart in Amsterdam binnen met de mededeling te vrezen voor zijn leven. Hij vertelde onder meer dat in zijn woning op het adres [c-straat 01] in [a-plaats] honderd kilo cocaïne, 600.000,- euro en een zak met vuurwapens lagen. Ook vertelde hij dat hij sinds ongeveer drieënhalfjaar in de drugs zat en deel uitmaakte van een (criminele) organisatie die bestond uit ‘bazen’ en ‘werkers’. Volgens [medeverdachte 1] was deze organisatie een geoliede machine en bestond deze uit grote jongens. [medeverdachte 1] was zelf een ‘werker’ die drugs afleverde en in ontvangst nam, waarbij het ging om kilo's in de week. [medeverdachte 1] vertelde dat de avond ervoor de hele club bij hem thuis kwam en dat dit nooit gebeurde. Ze hadden ook nieuw spul bij zich en hij vond dat het niet klopte. Hij is vervolgens naar de politie gegaan, omdat hij dacht dat ze hem wilden ombrengen.
2.
Hierop werd [medeverdachte 1] aangehouden en volgde een doorzoeking in zijn woning op voornoemd adres. Daarbij zijn onder andere grote geldbedragen en grote hoeveelheden harddrugs inbeslaggenomen. In de nacht van 10 op 11 november 2016 werd een melding gedaan van een verdachte situatie in de woning van [medeverdachte 1], waarschijnlijk naar aanleiding van een inbraak. Hierna vond een tweede doorzoeking plaats, waarbij in het toilet een verborgen ruimte werd ontdekt die bij de eerste doorzoeking niet was opgemerkt. Vermoedelijk hadden twee inbrekers deze ruimte even daarvoor deels leeggehaald. Na beide doorzoekingen zijn — naast grote hoeveelheden cocaïne en heroïne en ongeveer 800.000,- euro aan contant geld — een cocaïnepers, geldtelmachines, administratie, acht vuurwapens en ruim 800 stuks munitie inbeslaggenomen. Dit alles heeft geleid tot het onderzoek 13Biscoe.
3.
Na zijn mededelingen bij de politie op 10 november 2016 heeft [medeverdachte 1] zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroepen. Wel heeft hij over een enkel onderwerp schriftelijk nog iets verklaard, maar wilde hij geen zaaksinhoudelijke vragen meer beantwoorden. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] voor deze zaak op 21 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.
4.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten in de zaak 13Biscoe is onderzoek gedaan naar andere personen rondom [medeverdachte 1], waarmee het onderzoek 13Quebec is begonnen. In dit onderzoek kwamen onder meer de zes medeverdachten in deze zaak naar voren, te weten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]), [medeverdachte 6] en [verdachte] (hierna: requirant). Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op diezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden.
5.
Het onderzoek 13Quebec heeft in de zaak tegen requirant geleid tot een veroordeling in hoger beroep wegens onder meer deelneming aan een criminele organisatie (feit 1) en witwassen (feit 2). Hij heeft van het Hof zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen, alsmede een geldboete van € 100.000,-. Tevens is een groot aantal geldbedragen en goederen verbeurdverklaard. In het navolgende zullen eerst diverse cassatiemiddelen geponeerd worden die zich richten op voornoemde twee feiten. Het gaat daarbij om bewijsklachten en klachten over de verwerping van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van een deel van het witwasfeit. Afsluitend zullen er nog twee klachten geformuleerd worden ten aanzien van de strafoplegging c.q. de verbeurdverklaringen.
Middelen ten aanzien van feit 1
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van de artikelen 350 en 359 in verbinding met artikel 415 Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het Hof het ter zake van feit 1 gevoerde verweer van de raadsman dat requirant niet de persoon is achter het PGP-account ‘[bijnaam 5]’ en/of ‘[bijnaam 5],’ heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet zonder meer kunnen dragen, zodat het onder .1 bewezenverklaarde ontoereikend gemotiveerd is;
althans doordat het Hof heeft vastgesteld dat requirant de persoon was achter het account ‘[bijnaam 5]’ en/of ‘[bijnaam 5]’ in de PGP-chatberichten, welke berichten een significant onderdeel vormen van de bewijsvoering, terwijl die vaststelling niet (op begrijpelijke wijze) kan worden ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het onder .1 bewezenverklaarde ontoereikend gemotiveerd is.
Het arrest lijdt daarom aan nietigheid en kan derhalve, voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1, niet in stand blijven.
Toelichting
1.
Het Hof heeft ten laste van requirant onder feit 1, bewezen verklaard dat:
‘hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk
- —
een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, Opiumwet
- —
witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7];’1.
2.
In de door het Hof als herhaald en ingelast beschouwde deel van de pleitnota in eerste aanleg2. heeft de verdediging in verband met deze verdenking onder meer het volgende naar voren gebracht:
‘Het OM oordeelt dat de afkorting [verdachte] gelijkend is aan de paraaf van [verdachte] en merkt op dat de processen-verbaal van verhoor van [verdachte] steevast worden getekend met de initialen [verdachte]. Is dat dan bewijs? Of is dit een kwestie van invullen? In het dossier fungeert ook nog een niet nader geïdentificeerde (bij)naam [bijnaam 9]. Dat [verdachte] met [bijnaam 9] wordt bedoeld is alles behalve aannemelijk. Dat onderdeel komt overigens in het requisitoir niet meer terug. Wie is het dan wel? [verdachte] kan een afkorting zijn van de persoon met wie [bijnaam 9] wordt aangeduid, niet zijnde [verdachte]. Kortom, vermoedens te over, maar hard bewijs blijft achterwege. Vandaar ook geen t.l.l.. van het gronddelict 13Biscoe, maar wel via de achterdeur van de 11b Ow organisatie alsnog hetzelfde doel bereiken, maar dan met een stuk minderbewijsverplichtingen. Vermoedens als zou [verdachte] worden bedoeld in het PGP-verkeer ais ‘[bijnaam 5]’. Indien het zou kloppen dat ‘[bijnaam 5]’ [verdachte] zou zijn — quod non — kan gezegd worden dat hetgeen het OM bij requisitoir vanaf paragraaf 4.1.3. Gesprekken met [verdachte] (pag. 26, 27, 28, 29, 30 3 en 31 hout snijdt. Gelukkig voor [verdachte] is dat evenwel niet het geval om de doodeenvoudige reden dat hij niet de persoon is die bedoeld word met ‘[bijnaam 5]’. Overigens vindt [verdachte] het knap van het onderzoekteam dat zij allerlei waarschijnlijkheidstheorieën hebben losgelaten op het hoe en waarom [verdachte] bedoeld moet zijn met ‘[bijnaam 5]’. [verdachte] heeft geen gebruikersnaam op de PGP gehad zijnde ‘[bijnaam 5]’. Hetgeen de politie debiteert gaat om vermoedens, doch daar blijft het ook steken. Evengoed als [verdachte] geen Chinees spreekt. Kan [verdachte] dat bewijzen? Neen! Maar gelukkig hoeft dat ook niet. Het OM zal dienen te bewijzen dat [verdachte] gebruikt maakt van de PGP-naam ‘[bijnaam 5]’’3.
3.
Hoewel ik niet zonder meer de stelling aan had gedurfd dat dit ‘bezwaarlijk anders’ dan als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, is dat ook niet nodig, nu het Hof dit verweer als responsieplichtig heeft beschouwd, waarmee het de deur naar de toetsing van die respons in cassatie heeft geopend.4. Ik citeer hier het oordeel van het Hof dat zich richt op de weerlegging van het aldus door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien PGP-(bij)namen:
‘8.7. Telefoonnummers en (bij)namen
Na de aanhouding van [medeverdachte 1] werden twee mobiele telefoons in beslag genomen: een Samsung en een LG. [medeverdachte 1] had een aantal verdachten met een bijnaam in zijn telefoon(s) opgeslagen:
- —
[medeverdachte 2] als [medeverdachte 2] met nummer [telefoonnummer 4]
- —
[medeverdachte 3] als [bijnaam 2] met nummer [telefoonnummer 5]
- —
[medeverdachte 5] als [medeverdachte 5] met nummer [telefoonnummer 6]
- —
[medeverdachte 7] als [medeverdachte 7] met nummer [telefoonnummer 7]
In zijn telefoon(s) stond ook [betrokkene 1] opgeslagen als [naam 3]. Zij is geïdentificeerd als de (toenmalige) vriendin van [verdachte].
Gebleken is dat [medeverdachte 1] zelf de bijnaam [bijnaam 1] had.
Verder blijkt uit het onderzoek dat [medeverdachte 3], behalve de bijnamen [bijnaam 2] en [bijnaam 2], ook de bijnaam [bijnaam 2] had. En ook [medeverdachte 5] had een andere bijnaam, namelijk [bijnaam 3].
Na de doorzoeking op 10 november 2016 hebben [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] allen op 11 november 2016 slechts één nummer gebeld, te weten [telefoonnummer 1]. Dat nummer behoort volgens het CIOT toe aan [medeverdachte 6]. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 6] op 6 november 2017 is een iPhone in beslag genomen met daarin een simkaart met nummer [telefoonnummer 1]. Tijdens de aanhouding van [medeverdachte 6] is nog . een iPhone in beslag genomen. In die telefoon stond zijn eigen nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als [bijnaam 4]: Deze bijnaam gebruikte [medeverdachte 6] ook als profielnaam voor WhatsApp en in het e-mailadres [bijnaam 4]@gmail.com.
Ten slotte leidt het hof uit het onderzoek van de nog nader te bespreken telefoon van. [medeverdachte 7], de BQ Aquaris met EncroChat-software, af dat hij telefoonnummers van [verdachte] had opgeslagen als [bijnaam 5] of [bijnaam 5]. In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Het verweer dat [verdachte] niet deze ‘[bijnaam 5]’ was wordt daarmee verworpen.
8.8. Relatie bijnamen en financiële administraties
In de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] komt veelvuldig de bijnaam [bijnaam 3] voor. En ook de bijnamen [bijnaam 2], [bijnaam 6] en [bijnaam 4] komen terug. In samenhang met de overige bewijsmiddelen, waaronder onderlinge communicatie en de financiële administraties die bij [medeverdachte 6], [verdachte] en [medeverdachte 7] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat hiermee respectievelijk [medeverdachte 5]. [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] zijn bedoeld.
In de woning van [medeverdachte 6] is administratie aangetroffen die gelijkenis vertoont met de financiële administratie die in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen, vanwege de vergelijkbare registratie van duizendtallen of voluit geschreven bedragen en een kiloprijs voor cocaïne tussen de € 22.000,00 en € 24.000.00. Bijvoorbeeld staat op het blaadje net een opschrift ‘[bijnaam 7]’ onder andere genoteerd ‘45 × 22250 = 1001250’. En op een blaadje met het opschrift ‘[bijnaam 3]’ staat genoteerd:
[…]
Onder andere deze namen [bijnaam 7] en [bijnaam 3] komen terug in administratie uit de [c-straat]. in de woning van [verdachte] is een notitieblaadje aangetroffen met verschillende berekeningen en waarop bovenaan (handgeschreven) de aantekening ‘pokertoernooi’ is gemaakt. Die laatste aantekening is kennelijk bedoeld als misleiding, want de berekeningen hebben geen enkele (logische) relatie met (de in leg bij) een pokertoernooi. Overigens heeft [verdachte] hierover ook geen verklaring afgelegd die dit op enige wijze onderbouwt. Het hof gaat er, mede gelet op de hoogte van de verschillende bedragen, vanuit dat ook deze berekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder is van belang dat op de achterkant van de notitie ook de bijnaam [bijnaam 2] ([medeverdachte 3]) voorkomt. En ook is de (bij)naam [bijnaam 8] vermeld. In zoverre bestaat er ook een verband met de, nog nader te bespreken, gegevens die afkomstig zijn van de PGP-telefoon van [medeverdachte 7]. Hij stuurt namelijk op 5 juni 2,017 een overzicht naar [verdachte] (op diens vraag:
‘Hoeveel papier had je ven ons liggen?’
), waarvan een deel luidt:
[…]
Ook bij [medeverdachte 3] zijn enkele financiële aantekeningen aangetroffen waarin ónder andere getallen staan bij [bijnaam 3] en [medeverdachte 5], bijnamen van [medeverdachte 5]. Ook staat genoteerd Blok- > 18500 €. Het hof gaat er vanuit dat ook deze aantekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
I en slotte is ook bij [medeverdachte 7] adm inistratie aangetroffen. H term staan financiële aantekeningen (het woord ‘balance’ komt meerdere keren voor) die mede gelet op de inhoud betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder komen hierin ook bijnamen voor die gelijk zijn aan de bij [medeverdachte 1] aangetroffen financiële administratie, te weten (onder andere,): [bijnaam 5] ([verdachte]), [bijnaam 4] ([medeverdachte 6]), [bijnaam 3] ([medeverdachte 5]) en [bijnaam 2] ([medeverdachte 3]). Er is ook een aantal data in mei 201 7 genoteerd. Ten slotte komen in de administratie ook tokens voor die terugkomen in de berichten van de hieronder te bespreken telefoon, van [medeverdachte 7], Kennelijk is er alleen al op basis van de aangetroffen tokens een bedrag van € 1.275.010,00 uitgegaan en € 100.000,00 ingekomen.’5.
4.
Beide in het middel geformuleerde deelklachten berusten — in essentie — op dezelfde argumenten. Ik bespreek ze daarom gezamenlijk. Het Hof doet — kort gezegd — het verweer dat requirant niet de persoon was achter het contact ‘[bijnaam 5]’ af met de overweging dat wél bekend is dat [verdachte] de contacten ‘[bijnaam 5]’ en ‘[bijnaam 5]’ betrof. Als ik het goed zie, betreft dit een uitwerking/explicitering van bewijsmiddel 3. Dat luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
‘Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Onder [medeverdachte 7] werd op 6 november 2017 in zijn woning aan de [a-straat 01] in [b-plaats] een mobiele telefoon van het merk BQ Aquarius in beslaggenomen. Deze lag op het tweepersoonsbed in de enige slaapkamer van de woning.
In de contactenlijst ([…]) staan [bijnaam 2], [bijnaam 5] en [bijnaam 4] 1, [bijnaam 4] 2 en [bijnaam 4] onder meer als contacten vermeld. [bijnaam 2] is de bijnaam van [medeverdachte 3], [bijnaam 5] is de bijnaam van [verdachte]. [bijnaam 4] is een bijnaam van [medeverdachte 6].
In gebeurtenis 26 op 3 augustus 2017 komt contact ‘[bijnaam 5]’ in beeld. Vermoedelijk is [bijnaam 5] in het bezit van nieuwe encrypted telefoon. Het is zeer aannemelijk dat [bijnaam 5] de bijnaam van [verdachte] is en daarmee tevens het contact [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. In de iPhone 7 die onder [medeverdachte 7] in beslaggenomen is staan meerdere contacten onder de naam [bijnaam 5] vermeld. Namelijk: [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Deze nummers zijn in gebruik bij [verdachte].
[…]’6.
5.
Ik stel vast dat op basis van dit bewijsmiddel, aldus de verbalisanten, slechts ‘zeer aannemelijk’ is dat ‘[bijnaam 5]’ de bijnaam van requirant is. Hierover zijn twee dingen op te merken: in de eerste plaats volgt uit dit bewijsmiddel niet — zoals het Hof lijkt te stellen — dat requirant ‘[bijnaam 5]’ is. In de tweede plaats is het woord ‘[bijnaam 5]’ — en me dunkt dat dit ‘algemene bekendheid’ overstijgt, in die zin dat het ‘gewoon’ een (min of meer) Engels woord is — kortaf/straattaal voor ‘brother’ c.q. broeder(/broer). Zo wordt het ook gebruikt door de verdachten onderling, blijkt uit bewijsmiddel 46 (onder ‘gebeurtenis elf’):
‘[bijnaam 8] stuurt een bericht naar [medeverdachte 7] met daarin de tekst:
‘[bijnaam 5] mail deze en stem af aub’.’
[medeverdachte 5] spreekt [medeverdachte 3] eveneens aan met ‘[bijnaam 5]’ in ‘een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] op 15 juni 2017, in bewijsmiddel 52.
6.
Ook in communicatie met ‘[bijnaam 5]’ zelf wordt het woord ‘[bijnaam 5]’ gebruikt op een wijze die evident niet een (bij)naam is (bewijsmiddel 48, onder ‘gebeurtenis 42’):
‘[medeverdachte 7]: [bijnaam 5] hoe is het?
[bijnaam 5]: [medeverdachte 7] metjou? Die engelsman reageert nie meer he?
[medeverdachte 7]: [medeverdachte 7] helemaal niks meer [bijnaam 5] vage gast man […]’
7.
Wat daar verder van zij, voor het overige bevinden zich in de bewijsmiddelen geen aanwijzingen die de gevolgtrekking kunnen dragen dat requirant de persoon was die aangeduid wordt met ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5].’ Belangrijker; er bevindt zich in de gebezigde bewijsmiddelen überhaupt geen bericht afkomstig van ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5],’ noch iets anders dat rechtstreeks de connectie maakt tussen requirant en ‘[bijnaam 5]’ / ‘[bijnaam 5]’ — anders dan steeds terugkerende varianten op ‘het hof begrijpt: [verdachte]’ naast ‘[bijnaam 5]’ / ‘[bijnaam 5]’, maar dat is nu juist de vraag.
8.
De bijnaam ‘[bijnaam 5]’ wordt op een aantal plaatsen als zodanig gebruikt (zonder ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5]’). Daaruit kan echter onmogelijk worden afgeleid dat dit betrekking heeft op dezelfde persoon als ‘[bijnaam 5]’ of ‘[bijnaam 5],’ terwijl dat de twee ‘[bijnaam 5]'s’ zijn waarvan we weten dat ze requirant betreffen. Laat zich nu echter net géén berichten van die twee ‘[bijnaam 5]'s’ in de bewijsmiddelen bevinden.
9.
Als requirant — zoals hij steeds gesteld heeft en nog altijd stelt — geen onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie, zou het voor degenen die zich wel in de organisatie bevinden ook niet nodig zijn om een demarcatie tussen ‘[bijnaam 5]’ en/of ‘[bijnaam 5]’ enerzijds en ‘[bijnaam 5]’ / ‘[bijnaam 5]’ anderzijds aan te brengen. Redengevendheid zien in het gebruik van de bijnaam ‘[bijnaam 5]’ — als zodanig — voor requirant, veronderstelt derhalve (ten onrechte) al zijn schuld. Dit brengt met zich mee dat het Hof op ontoereikende gronden het verweer heeft verworpen dat requirant niet de persoon is achter contact ‘[bijnaam 5]’ (en/of ‘[bijnaam 5]’), althans dat het Hof op onbegrijpelijke gronden heeft vastgesteld dat requirant wel die persoon is.
10.
Wanneer de vaststelling dat ‘[bijnaam 5]’ requirant betreft, uit de bewijsvoering wordt ‘weggestreept’, is de bewezenverklaarde deelname door requirant aan de criminele organisatie reeds om die reden niet langer toereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
11.
Het onderhavige middel is evenwel tevens van belang voor het navolgende middel, dat de bewijsvoering van feit 1 meer integraal aanvalt. Beide middelen moeten dan ook in samenhang met elkaar worden gelezen, indien en voor zover het arrest niet reeds op grond van onderhavig middel gecasseerd wordt.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 140 Wetboek van Strafrecht (Sr) jo. 359 in verbinding met artikel 415 Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het Hof bewezen heeft verklaard dat requirant deel heeft genomen aan een criminele organisatie, terwijl dit niet (zonder meer (begrijpelijk)) uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het bestreden arrest kan hierdoor, voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1, niet in stand blijven.
Toelichting
12.
Als gezegd heeft het Hof ten laste van requirant onder feit 1, bewezen verklaard dat:
‘hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk
- —
een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, Opiumwet
- —
witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7];’7.
13.
Het Hof heeft samenvattenderwijs weergegeven waar het aan ontleent dat er sprake is geweest van een criminele organisatie. Ik geeft eerst de samenvattende overwegingen weer, en bespreek dan — wanneer relevant — uitgebreider de onderdelen waarin het Hof de ‘deelname’ van requirant bespreekt:
‘Het voorgaande houdt samengevat het volgende in:
- (i)
[medeverdachte 1] werkte voor een organisatie waarvan de leden in drugs, met name cocaïne, handelden. Bij hem thuis zijn ook grote hoeveelheden drugs en geld van de organisatie aangetroffen, alsook, de financiële administratie betreffende deze drugshandel.
- (ii)
Leden van de organisatie kwamen ook bij [medeverdachte 1] thuis, onder wie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die op 9 november 2016 een flinke hoeveelheid verdovende middelen hebben gebracht.
- (iii)
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kunnen gelet op hun betrokkenheid aangemerkt worden als de, door [medeverdachte 1] zo omschreven, ‘werkers’ van de organisatie.
- (iv)
Ook [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn bij [medeverdachte 1] thuis geweest, waarbij in het bijzonder van belang is dat op een plastic tas met zeven vuurwapens bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6].
- (v)
In de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie komen verschillende bijnamen voor, waaronder [bijnaam 5] en [bijnaam 4]. Dit zijn de bijnamen van [verdachte] en [medeverdachte 6]. Er is tevens een schrift aangetroffen met financiële administratie waarop de initialen [verdachte] zijn geschreven, hetgeen past bij de initialen van [verdachte].
- (vi)
Bij [verdachte] en [medeverdachte 6] thuis is eveneens administratie aangetroffen die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen. Bovendien komen daarin gedeeltelijk dezelfde bijnamen voor als in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie.
- (vii)
Bij [medeverdachte 7] thuis is eveneens administratie gevonden die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen en waarin bijnamen voorkomen die ook voorkomen in de administratie, die bij [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het betreft hier, mede blijkens de getuigenverklaring van [medeverdachte 7], de registratie van criminele inkomsten en uitgaven. [medeverdachte 7] fungeerde in dat opzicht als een soort kassier van de organisatie. Daarnaast heeft [medeverdachte 7] met een EncroChat-telefoon berichten ontvangen en verstuurd die verband hielden met de handel in verdovende middelen.
- (viii)
Een deel van die berichten is van en aan [verdachte] en [medeverdachte 6], waarbij opvalt dat [medeverdachte 7] degene is die dingen moet uitzoeken. En hij houdt [verdachte] en [medeverdachte 6] op de hoogte van de financiële positie van de organisatie door balansen van inkomsten en uitgaven te sturen.
- (ix)
[verdachte] en [medeverdachte 6] zitten dan in het buitenland, hebben geen legaal inkomen maar beschikken kennelijk wel over veel geld. Een (gering) deel van, hun illegale inkomen bestaat uit een gefingeerd dienstverband. Deze ‘salarisbetalingen’ verwerkt [medeverdachte 7] ook in zijn administratie, terwijl [medeverdachte 3] hem voorafgaand instrueert.
- (x)
[verdachte] heeft [medeverdachte 1] ‘zakgeld en snipperdagen’ gegeven.
- (xi)
Bij [medeverdachte 6], [verdachte], en [medeverdachte 7] zijn grote contante geldbedragen aangetroffen, die geen aannemelijke legale herkomst hebben.
Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in paragraaf 8.2 die tot oogmerk had de — samengevat — (voorbereiding) van handel in verdovende middelen en het witwassen van geld. Dit samenwerkingsverband bestond uit Iznir, [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5]. Niet ieders rol is even duidelijk geworden, maar in elk geval blijkt dat [medeverdachte 6] en [verdachte] een leidende positie hadden. Dat volgt niet enkel uit de vaststelling dat zij over het meeste geld beschikten, en zodoende een jaar op de vlucht konden blijven, maar ook uit het feit dat voor hen een zogenaamd legaal salaris werd geregeld, [verdachte] een ‘eigen’ administratie had bij [medeverdachte 1] thuis, door [medeverdachte 7] aan hen beiden verantwoording werd afgelegd over de financiële positie, [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf en [verdachte] zich ten opzichte van [medeverdachte 1] letterlijk gedroeg als ‘werkgever’ door hem ‘snipperdagen en zakgeld’ te geven. [medeverdachte 6] heeft bij de politie noch op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep een verklaring afgelegd die een ander licht werpt op (de redengevendheid van) deze feiten en omstandigheden. De rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan als meer ondersteunend worden gezien door het bewaren en vervoeren van drugs en/of geld. Ook [medeverdachte 3] hield zich daarmee bezig, maar zijn rol was groter, aangezien hij ook veelvuldig, met bijvoorbeeld [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7], communiceerde over de drugshandel en aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf ‘salarisbetalingen’ voor [medeverdachte 6] en [verdachte] in de boekhouding te verwerken. Behalve dat [medeverdachte 7] dus ook een rol speelde in de drugshandel zelf, was hij de ‘kassier’. Bij hem gingen enorme bedragen geld in en uit de kas. De rol van [medeverdachte 5] komt minder prominent naar voren, maar duidelijk is dat hij betrokken was bij de feitelijke drugshandel ten behoeve van de organisatie en ook voorraad bij hem thuis was opgeslagen. Hij komt dan ook veelvuldig terug in de administratie van de organisatie.
Bovengenoemde gedragingen van de verdachten hielden verband met of strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie: de handel in verdovende middelen en witwassen. Ook gelet óp de omvang van de illegale handel die miljoenen euro's bedroeg kan het niet anders zijn dan dat men al langere tijd georganiseerd te werk ging. Er is dan ook sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.
Dat brengt het hof bij de vraag gedurende welke periode de organisatie heet geopereerd. [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat hij al 3,5 jaar voor do organisatie werkte. Voor de periode vanaf 2016 is hiervoor ook steun te vinden in het feit dat in de administratie wordt gesproken over ‘seizoen 16/17’. Naar het oordeel van het hof is dit echter te weinig om met de vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat de organisatie ook al in de periode daarvoor, volgens de tenlastelegging vanaf 1 januari 2013, heeft bestaan. Laat staan dat ieders rol in deze eerdere periode kan worden vastgesteld. Met in achtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet komt het hof op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat de organisatie heeft bestaan, en de verdachte daaraan heeft deelgenomen, vanaf 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017. Dat is dus bijna twee jaar.
Ten slotte overweegt het hof dat, hoewel in de woning van [medeverdachte 1] ook een grote hoeveelheid wapens is aangetroffen die — gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] en het aantal wapens — van de organisatie was, daaruit niet zonder meer volgt dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Aanvullende bewijs daarvoor ontbreekt, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.’8.
14.
Geen van de door het Hof samengevatte punten — in samenhang met de bewijsvoering die tot die punten heeft geleid — kan echter, op zichzelf beschouwd dan wel bezien in onderlinge samenhang, (op begrijpelijke wijze) de conclusie dragen dat requirant deel heeft genomen aan een criminele organisatie.
15.
Het samengevatte punt I) gebruikt het Hof, aldus zijn eigen overwegingen,9. slechts voor zover het steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Op zichzelf genomen betekent het dus niets. Punt III) betreft niet — rechtstreeks — requirant en is derhalve evenmin redengevend voor het bewijs van zijn deelname aan de organisatie. Punten II) en IV) betreffen de aanwezigheid van requirant in het huis van [medeverdachte 1]. Blijkens de op de terechtzitting door de voorzitter van het Hof voorgelezen en als herhaald en ingelast te beschouwen e-mail van requirant,10. die via zijn raadsman ter kennis van het Hof gekomen is, ontkent requirant ook niet zijn aanwezigheid in het pand van [medeverdachte 1]. Hij zegt daarover dat hij bij vrienden op bezoek kwam. In tegenstelling tot [medeverdachte 6], is van requirant dan ook geen DNA aangetroffen op een tas inhoudende vuurwapens, maar slechts op een drietal sigarettenpeuken. In tegenstelling tot [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], zijn ook geen vingerafdrukken aangetroffen op de zich daar bevindende administratie of bankbiljetten.11. Punt IV) — en daarmee punt II) — kan daarom slechts redengevend zijn in samenhang met andere bewijsmiddelen.
16.
Punt (v) betreft administratie, waarin de bijnamen van requirant en [medeverdachte 6] zouden voorkomen. Ook is er een schrift gevonden met de initialen ‘[verdachte]’ erop, hetgeen volgens het Hof past bij (de naam van) requirant (‘[verdachte]’). Wat de bijnamen betreft, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor in de toelichting op middel 1 heb betoogd, met welk middel het onderhavige middel — in zoverre — in samenhang gelezen moet worden. Met betrekking tot de initialen geldt dat dit het schrift betreft waar vingerafdrukken van [medeverdachte 2] op aangetroffen zijn. Dat ‘[verdachte]’ staat voor ‘[verdachte]’ zou wellicht een begrijpelijke gevolgtrekking zijn als (ook) zijn vingerafdrukken erop gevonden waren, wat aldus niet het geval is. Terzijde merk ik op dat bij pleidooi ook een andere, niet onaannemelijke mogelijkheid genoemd is die de ‘initialen’ verklaart, niettegenstaande 's Hofs vrije selectie en waardering van bewijsmateriaal.12.
17.
Punt (vi) betreft — voor zover hier relevant — dat bij requirant thuis administratie thuis gevonden is die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen, waarin gedeeltelijk dezelfde bijnamen voor zouden komen als in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie. Het eerste aspect is in zichzelf genomen irrelevant, nu de vraag is of deelname aan een organisatie blijkt. Ik geef de overwegingen van het Hof weer:
‘Onder andere deze namen [bijnaam 7] en [bijnaam 3] komen terug in administratie uit de [c-straat]. in de woning van [verdachte] is een notitieblaadje aangetroffen met verschillende berekeningen en waarop bovenaan (handgeschreven) de aantekening ‘pokertoernooi’ is gemaakt. Die laatste aantekening is kennelijk bedoeld als misleiding, want de berekeningen hebben geen enkele (logische) relatie met (de inleg bij) een pokertoernooi. Overigens heeft [verdachte] hierover ook geen verklaring afgelegd die dit op enige wijze onderbouwt. Het hof gaat er, mede gelet op de hoogte van de verschillende bedragen, vanuit dat ook deze berekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder is van belang dat op de achterkant van de notitie ook de bijnaam [bijnaam 2] ([medeverdachte 3]) voorkomt. En ook is de (bij)naam [bijnaam 8] vermeld. In zoverre bestaat er ook een verband met de, nog nader te bespreken, gegevens die afkomstig zijn van de PGP-telefoon van [medeverdachte 7]. Hij stuurt namelijk op 5 juni 2017 een overzicht naar [verdachte] (op diens vraag:
‘Hoeveel papier had je van ons liggen?’
), waarvan een deel luidt:
Voor [bijnaam 8]:
+97190
+195450
+317380
=610020 balance
[…]’13.
18.
Van belang is het volgende. Onder bewijsmiddel 47, ‘gebeurtenis veertien’ staat dat [medeverdachte 7] iets naar ‘4D8E67 ([bijnaam 5])’ stuurt. ‘Het hof begrijpt: [verdachte].’ Evenwel is in cassatie betwist dat deze gelijkstelling door het Hof begrijpelijk is. Het Hof lijkt de overeenkomst tussen de bij requirant aangetroffen administratie en het PGP-bericht te lokaliseren in dat [medeverdachte 7] de naam ‘[bijnaam 8]’ vermeldt in zijn bericht, terwijl de administratie de bijnaam ‘[bijnaam 8]’ noemt. Naast het feit dat zulks niet dezelfde naam betreft, is een gegeven dat het Hof kennelijk niet heeft kunnen vaststellen wie of wat ‘[bijnaam 8]’ en/of ‘[bijnaam 8]’ is. Aldus bestaat er weliswaar min of meer een overeenkomstig element in de aan requirant toegeschreven communicatie en zijn administratie, doch slechts aangaande een bijnaam waarvan we niet weten wie deze bijnaam toebehoort of wat deze bijnaam representeert (zo heeft het Hof bijvoorbeeld ook ‘[bijnaam 7]’ geduid als ‘(bij)naam,’14. terwijl feit van algemene bekendheid is dat dit voor heroïne staat, en aldus deze overeenkomst in administratie van drugshandelaren niet bepaald opmerkelijk hoeft te zijn15.). Aldus valt niet in te zien waarom de in de administratie opgenomen (bij)naam ‘[bijnaam 8]’ redengevend zou zijn voor deelname aan de onderhavige criminele organisatie door requirant.
19.
Punten (vii en viii) betreffen punten die veronderstellen dat requirant ‘[bijnaam 5]’ betreft. Ik verwijs in zoverre terug naar wat ik daar eerder over heb gesteld (zie middel I).
20.
Dat requirant in het buitenland kon leven — kennelijk veel geld tot zijn beschikking hebbende (ix en xi) — en grote contante bedragen voorhanden had, zegt hoegenaamd niets over de vraag waar hij deze gelden vandaan had. In het bijzonder maakt deze omstandigheid geen onderscheid ten faveure van ‘deelname aan een criminele organisatie’ ten opzichte van ‘zelf in de drugsscene zitten.’ Deze omstandigheid kan daarom niet zonder nadere — doch ontbrekende — motivering redengevend geacht worden voor zijn deelname aan de onderhavige criminele organisatie. Hetzelfde gaat op voor het ‘gefingeerde dienstverband.’ Dat een groep dealers dezelfde persoon of organisatie gebruiken om een rookgordijn op te werpen met betrekking tot hun inkomsten, maakt niet dat dat één grote organisatie is, evenmin als een bank één organisatie vormt met alle ondernemingen die daar een bankrekening hebben.
21.
Ten slotte zou requirant (x) [medeverdachte 1] ‘zakgeld en snipperdagen’ gegeven hebben. Het Hof acht dat redengevend voor het bestaan van een werknemer-werkgeversrelatie tussen beiden. Evenwel valt niet goed in te zien hoe de term ‘zakgeld’ hier redengevend is voor een dergelijke relatie. ‘Zakgeld’ geeft men aan een kind of hulpbehoevende. In lijn daarmee laat de term ‘snipperdagen’ zich niet verhouden tot het type werk dat [medeverdachte 1] volgens het Hof voor de organisatie deed. [medeverdachte 1] bewaarde volgens het Hof immers de handel in zijn woning. [medeverdachte 1] zou nog zo lang met ‘vakantie’ kunnen gaan, dat ontslaat hem echter niet van de rol die hij volgens het Hof in deze context vervulde. De termen ‘zakgeld en snipperdagen’ zijn mitsdien niet zonder meer (begrijpelijk) te relateren aan een beweerdelijk tussen requirant en [medeverdachte 1] bestaande werknemer-werkgeversrelatie, laat staan dat deze termen de deelname van requirant aan een criminele organisatie (met onder anderen die [medeverdachte 1]) kunnen adstrueren.
22.
Een kritische blik op de samengevatte punten van het Hof laat aldus zien dat zij geen van allen — op zichzelf noch in samenhang bezien — redengevend kunnen zijn voor de beweerde deelname door requirant aan de criminele organisatie. Het onder .1 bewezenverklaarde is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het arrest lijdt derhalve aan nietigheid en kan niet in stand blijven.
Middelen ten aanzien van feit 2
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) in verbinding met artikel 359 jo. 451 Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het onder .2 bewezenverklaarde, te weten dat requirant ‘van een gelbedrag van 75.160,00 euro de vindplaats heeft verborgen of heeft verhuld wie de rechthebbende was’, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans deze bewezenverklaring onbegrijpelijk is,
nu uit de bewijsvoering slechts kan worden afgeleid dat requirant een stapeltje geld op een ongebruikelijke plaats heeft bewaard.
Het bestreden arrest kan hierom, voor zover het de bewezenverklaring van feit 2 betreft, niet in stand blijven.
Toelichting
23.
Het Hof heeft ten laste van requirant onder feit 2 (onder meer) bewezenverklaard dat:
‘hij op 6 november 2017 (op het adres [g-straat 02]) te [c-plaats]
Van een voorwerp, te weten een gelbedrag van 75.160,00 euro de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was’16.
24.
Het Hof heeft het ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als volgt gemotiveerd:
‘Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op verschillende plaatsen geldbedragen aangetroffen tot een totaal van € 95.545,41. Een gedeelte van dit geld — drie geldsommen tot een totaalbedrag van € 75.160,00 — was verstopt in een ruimte onder de trap (…).
Dit betekent dat bewezen kan worden dat het ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard op de hierna te melden wijze. Daarbij merkt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde onderdelen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ nog het volgende op. Zoals hiervoor is opgemerkt, was een drietal geldsommen — tot een totaal van € 75.160,00 — geplaatst in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Deze geldbedragen waren hierdoor goed verborgen. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden gesproken worden van een situatie waarin de verdachte de vindplaats van de geldsommen heeft verborgen en waarin hij heeft verhuld wie de rechthebbende is geweest. Ook dit is overigens door de verdediging niet betwist’17.
25.
In het licht van dit oordeel stel ik het volgende voorop. Het feit dat requirant iets niet betwist heeft, wil nog niet zeggen dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen/bewijsvoering afgeleid hoeft te kunnen worden.
Ad a)
26.
Bij deze deelklacht stel ik voorop dat het Hof het bewijsmiddel — zie bewijsmiddel 2 — vrij ruim interpreteert, in die zin dat het onbegrijpelijk is dat het Hof er uit afleidt dat er een verborgen ruimte onder de traptrede zat. Er bevond zich, aldus het bewijsmiddel, een luikje bovenop een traptrede, waarop een losliggende vloerbedekking lag. De overweging van het Hof doet het echter voorkomen alsof eerst een stevig bevestigd vloerkleed met bijzondere moeite verwijderd moest worden.
27.
Aldus kan er weinig meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dan dat requirant een stapeltje geld op een ongebruikelijke plaats heeft bewaard. Immers lag het geld in een, op een daaroverheen losliggend vloerkleed na, kast. Dit is onvoldoende grond voor de bewezenverklaring dat requirant de vindplaats van het geld verborgen heeft. Ter adstructie van dat standpunt wijs ik op het volgende.
28.
Met betrekking tot het ‘verbergen of verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid onder a, Sr houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, onder meer het volgende in:
‘Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)
Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna).
Over de termen ‘verbergen of verhullen’ kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term ‘verhelen’ is de term ‘verbergen’ gekozen. ‘Verbergen’ en ‘verhullen’ zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van ‘verhullen’ — volgens Van Dale synoniem voor ‘versluieren’ — zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen.
De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de ‘werkelijke aard’ van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.’
(Kamerstukken II, 1999–2000, 27 159, nr. 3, p, 14, 15).’
29.
Onder verwijzing naar deze wetsgeschiedenis kwam Uw Raad in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, tot het oordeel dat de bewezenverklaring van witwassen onvoldoende met redenen was omkleed. Uit de door het Hof in die zaak gebezigde bewijsvoering kon namelijk niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld — bijna anderhalf miljoen euro — was aangetroffen.
30.
Hetzelfde lot trof de zaak ten grondslag aan HR 5 april 2016, NJ 2016/385. De bewezenverklaring in die zaak hield in dat de verdachte de herkomst van het geldbedrag heeft verborgen en verhuld door het in een sealbag te verpakken, welk pakketje zich in een boodschappentas bevond, die achter een bankstel op de zolder in zijn woning werd aangetroffen. Ook hier kon uit de gebezigde bewijsvoering aldus niet meer kan worden afgeleid dan dat in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld was aangetroffen op een wat ongebruikelijke plek.
31.
Ten slotte kan nog worden gewezen op het recente HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462, waarin het ging om de verdenking van witwassen door geldbedragen (in de zak van een trui en onder bijrijdersstoel van een auto aanwezig te hebben. Nu uit de bewijsvoering van het Hof niet méér kon worden afgeleid dan dat de verdachte — in losse stapeltjes — geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 had meegevoerd in zijn kleding en onder een autostoel, was de bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen en verhullen van de vindplaats’ van deze geldbedragen volgens Uw Raad ontoereikend gemotiveerd.
32.
Gezien deze jurisprudentie van Uw Raad dient ook in de onderhavige zaak geconcludeerd te worden dat het bewezenverklaarde ‘verbergen van de vindplaats’ van het geldbedrag van (ca.) € 75.000 niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Immers is in dat verband in wezen niets meer vastgesteld dan dat het geld is opgeborgen in — ik citeer bewijsmiddel 2 — ‘een holle ruimte (…) onder de trap die leidt naar de eerste verdieping van de woning’ van requirant.
Ad b)
33.
Het Hof heeft over hetzelfde geldbedrag voorts nog geoordeeld dat requirant heeft verhuld wie hiervan de rechthebbende is. Daarover merk ik het volgende op.
34.
In HR 14 februari 2017, NJ 2017/377, heeft Uw Raad met betrekking tot het bestandsdeel ‘verhullen’ van de ‘herkomst’ uitgelegd dat het gaat om gedragingen die gericht zijn om het zich daarop te bemoeilijken, en dat de gedragingen in kwestie geschikt moeten zijn om dat doel te bereiken. Het gaat daarbij om de objectieve strekking van het handelen. Het komt mij voor dat mutatis mutandis dit ook van toepassing geacht kan worden op het verhullen van de rechthebbende (in plaats van de herkomst).
35.
Ik vermag niet in te zien hoe men door een stapel geld in een trapluikje te bewaren, het zicht op de rechthebbende van dat geld verhult — zeker niet wanneer die trap is gelegen in de eigen woning. De rechthebbende wordt verhuld door complexe (pseudo-) juridische of fiscale structuren op te stellen, door het te vermengen met duidelijk wit geld, door administratie te vernietigen, etc. Het bij elkaar houden van een zak geld en die thuis — bij wijze van spreken — in een oude sok steken, is juist ongeschikt om het zicht op de rechthebbende van dat geld te verhullen. Het geld blijft immers allemaal bij elkaar, en dat nog eens op een tot de verdachte te herleiden plek ook.
36.
Het oordeel van het Hof dat requirant van het bedoelde heeft verhuld wie de rechthebbende is, namelijk door dit geldbedrag op te bergen in een holle ruimte onder de trap in zijn huis, is dan ook onbegrijpelijk. Vergelijk in dit verband overigens HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14 (‘Nu uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verbergen’ van de herkomst van het geldbedrag, mede gelet op de hiervoor weergegeven wetgeschiedenis, niet naar de eis der wet met redenen omkleed’) en HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:790(‘Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in de (vakantie)woning van de verdachte een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, te weten in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de ‘herkomst’ van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr, zoals weergegeven in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, niet toereikend gemotiveerd’).
Belang
37.
Requirant heeft belang bij deze klacht. Door een vrijspraak voor dit onderdeel van het onder .2 tenlastegelegde, wordt de aard en ernst van het bewezenverklaarde aangetast. Het gaat immers om een fors geldbedrag dat door hem zou zijn witgewassen, hetgeen onmiskenbaar heeft doorgeklonken in de strafoplegging. Bovendien ontvalt bij een vrijspraak de thans gehanteerde basis voor verbeurdverklaring van dit geld. Ook in zoverre bestaat een belang bij cassatie. Wellicht zou requirant kunnen worden tegengeworpen dat ook het louter voorhanden hebben van dit geldbedrag ten laste is gelegd. Ik merk evenwel op dat dit door het Hof — om moverende redenen — thans niet bewezen is verklaard. In het (hypothetische) geval dat zulks wél bewezen zou zijn verklaard, dan ligt bovendien een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond in de rede (zie ook het volgende middel). Voor het antwoord op de vraag of dit beroep kan slagen, zijn echter nadere feitelijke vaststellingen van belang, waarvoor in cassatie geen ruimte bestaat.
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in verbinding met artikel 350 en 358 lid jo. 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het oordeel van het Hof dat het (onder .2) bewezenverklaarde als witwassen van een geldbedrag van ca. € 20.000 en drie horloges gekwalificeerd kan worden van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting
38.
Het Hof heeft ten laste van requirant onder feit 2 (onder meer) bewezenverklaard dat requirant:
‘voorwerpen, te weten:
- —
een geldbedrag van € 20.385,41 en
- —
horloges (…)
voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf’18.
39.
Ten aanzien van deze voorwerpen heeft de verdediging — deels in lijn met het vonnis van de rechtbank — (subsidiair) een beroep gedaan op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het Hof heeft daar als volgt op beslist:
‘10.1. Overweging met betrekking tot de kwalificatie-uitsluitingsgrond
De verdediging heeft ten aanzien van, het bedrag van € 20.385,41 en ten aanzien van de drie horloges een beroep gedaan op de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond strekt ertoe dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door een verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. De achtergrond van deze uitsluitingsgrond is dat dient te worden voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch óók schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen, Met deze uitsluitingsgrond wordt bevorderd dat in zo'n geval het door de verdachte begane grondmisdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
Uit het voorgaande volgt dat enkel degene die een concreet gronddelict heeft begaan, terwijl dat gronddelict onmiddellijk tot gevolg heeft dat een voorwerp voorhanden is gekomen, een geslaagd beroep kan doen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De deelname aan een criminele drugsorganisatie kan niet als een concreet gronddelict worden beschouwd in vorenbedoelde zin. Deze deelname, en het strafrechtelijk verwijt dat daarbij aan de deelnemers kan worden gemaakt, dient te worden onderscheiden van het voorhanden hebben door een of meer van die deelnemers van de criminele gelden die door de drugsorganisatie zijn verkregen. Dit voorhanden hebben is een aparte, strafrechtelijk separaat te sanctioneren, gedraging die niet het automatische gevolg is van de deelname aan de criminele (drugs)organisatie. Kort gezegd: de deelname aan een drugsorganisatie is strafrechtelijk te onderscheiden van het witwassen dat door deelnemers aan die organisatie kan worden maar niet automatisch wordt gepleegd.
Voor de conclusie dat een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is zal met name in de volgende gevallen aanleiding bestaan:
- (i)
er is sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf);
- (ii)
uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort dat sprake is van het verwerven of voorhanden: hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf; of
- (iii)
de verdachte heeft met voldoende concretisering een toelichting gegeven op dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
Gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385.41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dit betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.
Evenmin is deze grond van toepassing op de drie horloges. De enkele opmerking van de verdachte in een e-mail aan zijn raadsman ten aanzien van de horloges dat hij wel eens werd betaald in natura is, zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij deze horloges direct uit eigen misdrijf heeft verkregen.’
40.
Tegen de achtergrond van deze overwegingen merk ik eerst het volgende op. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen. Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.) Deze rechtsregels hebben (slechts) betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers).
41.
In de onderhavige zaak heeft het Hof geoordeeld dat ‘[g]esteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385.41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dit betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.’
42.
Daarmee wijkt het Hof af van het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg, die op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband had gelegd met een bepaald misdrijf van requirant waaruit het geldbedrag (en de horloges) afkomstig zijn, te weten de (ook in hoger beroep) bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie.19. Die afwijking motiveert het Hof — kort gezegd — door de opvatting te bezigen dat enkel degene die een concreet gronddelict heeft begaan, terwijl dat gronddelict onmiddellijk tot gevolg heeft dat een voorwerp voorhanden is gekomen, een geslaagd beroep kan doen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De deelname aan een criminele drugsorganisatie kan volgens het Hof niet als een concreet gronddelict worden beschouwd in vorenbedoelde zin, omdat deze deelname, en het strafrechtelijk verwijt dat daarbij aan de deelnemers kan worden gemaakt, dient te worden onderscheiden van het voorhanden hebben door een of meer van die deelnemers van de criminele gelden die door de drugsorganisatie zijn verkregen. Dit voorhanden hebben is, aldus nog steeds het Hof, een aparte, strafrechtelijk separaat te sanctioneren gedraging, die niet het automatische gevolg is van de deelname aan de criminele (drugs)organisatie. De deelname aan een drugsorganisatie is strafrechtelijk te onderscheiden van het witwassen dat door deelnemers aan die organisatie kan worden maar niet automatisch wordt gepleegd, zo besluit het Hof.
43.
Op zichzelf is juist dat voor deelneming aan een criminele organisatie niet vereist is dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij de strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878). Dat laat echter onverlet dat in artikel 140 Sr de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij de organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven strafbaar is gesteld, in welk verband voor de deelneming aan die organisatie vereist is dat de verdachte niet alleen tot die organisatie behoort, maar ook dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van die organisatie (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657). Zodanige deelname kan dan ook als grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dienen, namelijk als verkregen door middel van de deelneming aan een criminele organisatie (HR 8 juli 2008, NJ 2008/495 m.nt. J.M. Reijntjes).
44.
Het (kennelijke) oordeel van het Hof dat de onder .1 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie geen eigen (grond)misdrijf betreft waaruit de voorhanden witwasvoorwerpen direct (kunnen) zijn verkregen, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
45.
Voor zover het Hof in dit verband nog bedoeld heeft — met de overweging dat ‘de deelname aan een drugsorganisatie (…) strafrechtelijk te onderscheiden [is] van het witwassen dat door deelnemers aan die organisatie kan worden maar niet automatisch wordt gepleegd’ — dat requirant de bedoelde witwassen voorwerpen mogelijk slechts voor andere leden van de criminele organisatie voorhanden heeft gehad, merk ik op dat dit oordeel alsdan — zonder nadere motivering, die ontbreekt — onbegrijpelijk is, aangezien het Hof ter adstructie van het vermoeden van witwassen heeft vastgesteld dat deze voorwerpen aan requirant toebehoren.20.
46.
Maar ook overigens is de verwerping van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. De voor dit oordeel dragende overweging luidt dat ‘gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385.41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict’, waarbij het Hof beweerdelijk ten overvloede opmerkt op dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen’. Zo overvloedig is die laatste overweging echter niet. Dat een verdachte niet (zelf) heeft gesteld dat een witwasvoorwerp uit eigen misdrijf afkomstig is, ontslaat de rechter er immers niet van te onderzoeken of anderszins aannemelijk is dat dit voorwerp direct uit eigen misdrijf afkomstig is. Het ontbreken van zodanige stelling kan immers goed gelegen zijn in het feit dat de verdachte überhaupt ontkent enig misdrijf te hebben gepleegd. Zo is dat ook hier. Grond voor ‘eigen misdrijf’ kan dan desondanks gevonden worden in (bijvoorbeeld) het feit dat uit de gebezigde bewijsvoering rechtstreeks voortvloeit dat aannemelijk is dat het geldbedrag of goed afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers, rov. 2.4.1). Dat de verdachte niet wordt vervolgd voor een misdrijf dat tot de verkrijging van dat geld of goed heeft of kan hebben geleid, doet daaraan niet af;21. dit betreft immers in wezen slechts het gevolg van de keuzes die de steller van de tenlastelegging heeft gedaan.
47.
Welnu, uit de in deze zaak door het Hof gebezigde bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort — indien deze bewijsvoering tenminste voor juist kan worden gehouden (quod non, maar dat hier terzijde) — dat aannemelijk is dat de witwasvoorwerpen afkomstig zijn uit een door requirant zelf begaan misdrijf. Uit de bewijsmiddelen vloeit immers (kort gezegd) voort dat er diverse (recente) drugshandeladministraties zijn aangetroffen (zie onder meer de bewijsmiddelen 42 en 43), die volgens de getuige [medeverdachte 1] zouden toebehoren aan een organisatie (bewijsmiddel 7), waarvan het Hof heeft vastgesteld dat requirant daaraan leiding heeft gegeven. Ook zijn er daadwerkelijk drugs aangetroffen die het Hof eveneens aan diezelfde organisatie toeschrijft. Het Hof overweegt daarover dat dit duidt op ‘de grootschalige handel in verdovende middelen’.22. Het Hof brengt e.e.a. ook expliciet in verbinding met requirant door te concluderen dat in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie verschillende (bij)namen voorkomen, waaronder [bijnaam 5] en [verdachte], hetgeen volgens het Hof de bijnaam respectievelijk initialen van [verdachte] zijn, alsmede middels de vaststelling bij [verdachte] thuis eveneens administratie is aangetroffen die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen.23.
48.
Voor zover het Hof heeft geoordeeld, althans bedoeld heeft te oordelen, dat op grond van de gebezigde bewijsvoering niet aannemelijk is dat het voorhanden hebben van de onderhavige witwasvoorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door requirant zelf begaan misdrijf, te weten drugshandel, dan is dat oordeel dus niet begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
49.
Het bestreden arrest kan gezien het voorgaande — voor wat betreft de kwalificatie van het onder .2 tenlastegelegde als witwassen in de zin van artikel 420bis Sr — niet in stand blijven.
Middelen ten aanzien van de strafoplegging
Middel V
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikelen 350 en 359 in verbinding met artikel 415 (Sv),
doordat het gerechtshof vanwege het uitblijven van een ontnemingsprocedure een mede op de omzet van de criminele organisatie gebaseerde geldboete van €100.000,- heeft opgelegd, terwijl de motivering dat requirant eenvoordeelvan voornoemd bedrag heeft gehad, onbegrijpelijk is.
Het bestreden arrest kan hierdoor, ten aanzien van de strafoplegging, niet in stand blijven.
Toelichting
50.
Het Hof heeft onder meer als bestraffing een geldboete ter grootte van €100.000,- opgelegd. Het Hof heeft de oplegging van deze geldboete als volgt gemotiveerd:
‘Het hof is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar passend en geboden is, Ook acht het hof de oplegging van een forse geldboete aangewezen, De drijfveer voor verdachtes handelen zal zijn geweest om veel geld te verdienen. Dat dit ook is gelukt blijkt niet alleen uit de grote omzet van de drugsorganisatie, maar ook uit het feit dat de verdachte, zonder over een legaal inkomen te beschikken, in staat was om ruim een jaar op de vlucht te blijven, waarbij hij — zo blijkt uit de bevindingen van de politie (zie bijvoorbeeld doorgenummerde pag. 20127 e.v. en 20129) — in Dubai op grote voet leefde. Het hof acht het daarom passend dat de verdachte ook een straf zal worden opgelegd die hem financieel raakt, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat — zoals ter terechtzitting is gebleken — er uiteindelijk geen ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt. Het hof zal de verdachte een geldboete van € 100.000,00 opleggen, die bij niet-betaling zal worden vervangen door een hechtenis voor de duur van 360 dagen. Het hof merkt hierbij op dat in dit geval op basis van artikel 12 van de Opiumwet — in aanmerking genomen dat de waarde van het geld dat de drugsorganisatie heeft verkregen, zoals uit het voorgaande volgt, hoger is dan een vierde gedeelte van het bedrag van de vijfde geldboetecategorie (€ 82.000,00) — een geldboete van de zesde categorie (maximaal € 820.000,00) kan worden opgelegd.’
51.
In het licht van deze overwegingen stel ik het volgende voorop. De strafoplegging door de feitenrechter laat zich in cassatie in weinig gevallen concreet toetsen. Er zijn echter enkele uitzonderingen. Bijvoorbeeld wanneer een geldboete als ‘afroomboete’ wordt ingezet, is de toetsing in cassatie nauwgezetter. Zo moet, indien de rechter met een afroomboete (vooral) poogt het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen, het daarin besloten liggende oordeel over de hoogte van dat voordeel begrijpelijk zijn. Ook moet rekening worden gehouden met gevoerde verweren over de financiële positie van de verdachte (vgl. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684).
52.
In de conclusie voorafgaand aan HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594 schrijft (toen nog) Advocaat-Generaal Bleichrodt dat hij mede rekening houdt met het feit dat indien het Openbaar Ministerie wél een ontnemingsvordering had ingediend, de verdediging zich had kunnen verweren tegen die ontnemingsvordering, terwijl een boete bij arrest — de mogelijkheid waarvan verder niet ter sprake is gekomen — de verdediging voor een (op de toetsing in cassatie na) voldongen feit plaatst.
53.
In het onderhavige arrest is sprake van een geldboete die primair is opgelegd met het doel om, kort gezegd, requirant te laten merken dat misdaad niet loont. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat requirant een jaar op de vlucht kon blijven, met flink comfort doch zonder over legaal inkomen beschikken.
54.
Tegelijkertijd ligt in de vaststellingen van het Hof besloten dat requirant gedurende de bewezenverklaarde periode inkomsten ontving via een gefingeerd dienstverband bij [A] B.V. en diens rechtsvoorgangers.24. Hoe vaak requirant salaris ontving, heeft het Hof echter niet exact vastgesteld. Wel heeft het vastgesteld dat het duurde tot en met het moment van zijn aanhouding, en dat het dienstverband bestond vanaf ‘ongeveer 2015.’ Requirant kreeg aldus het Hof enkele malen €6.400 euro uitbetaald. Hoe vaak precies, is zoals gezegd niet helder, maar er zullen minstens zestien uitbetalingen van €6.400 plaatsgevonden moeten hebben om de €100.000,- te overstijgen, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat er ook minstens eenmaal een uitbetaling van ‘slechts’ €3.200 plaatsvond.25.
55.
Het Hof noemt het gefingeerde dienstverband een ‘gering deel’ van requirants inkomsten. Aldus brengt het tot uitdrukking dat de inkomsten van requirant vele malen hoger zullen zijn geweest. Het Hof vervalt daarbij evenwel in speculatie over de wijze waarop het geld uit de organisatie de portemonnees van de leden instroomde en de omvang daarvan. De omzet van élk bedrijf is beduidend hoger dan het salaris van de ‘CEO.’ De omzet is (hier) immers dat wat de verkoop van de ingekochte cocaïne — en overige middelen — marcheert. De winst — c.q. het behaalde voordeel — is wat voor requirant overblijft nadat van die omzet zijn afgetrokken: de inkoopkosten, maandlasten aan PGP-telefoons, vervoerskosten, kosten voor opslag van de stash, ‘salaris’ voor de ondergeschikten en wat dies meer zij.
56.
Daarbij wijs ik erop dat een belastingvrije ‘salarisbetaling’ van netto €6.400 op zichzelf genomen een tamelijk riant bedrag is. In zoverre is reeds 's Hofs overweging dat requirant een ‘gering deel’26. van zijn inkomsten via het voornoemde gefingeerde dienstverband ontving, onbegrijpelijk: het is niet bijzonder laag — ook niet voor een miljoenen-‘bedrijf,’ —, terwijl het Hof voorts niet heeft vastgesteld hoe requirant dan de ‘rest’ van zijn inkomsten ontving. Het Hof heeft überhaupt niet vastgesteld dat requirant ergens anders geld mee verdiende, alsook heeft het Hof niets vastgesteld over wat er onder de streep overbleef voor de criminele organisatie. Voorts heeft het Hof geen vaststellingen gedaan over met wie requirant in Dubai verbleef, of hij daar (nadere) inkomsten had27. en, zo ja, waar die dan uit bestonden.
57.
In een ontnemingsprocedure had dit alles zorgvuldig onderzocht kunnen worden, waarbij de verdediging — wetende waarop het verweer moest voeren — had kunnen controleren of de vordering tot ontneming — c.q. de posten die tot dat voordeel zouden strekken — juist was (c.q. waren). De ontnemingsmaatregel heeft immers een reparatoir karakter. Vastgesteld dient te worden welk voordeel de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. Bovendien kan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In een ontnemingsprocedure wordt ook specifiek gedebatteerd over de hoogte van het bedrag aan de hand van een financieel rapport. De pas naar deze waarborgen is thans door het Hof afgesneden. In plaats daarvan is requirant met een forse boete om de oren geslagen, terwijl uit geen enkele opmerking van het Hof — laat staan het Openbaar Ministerie — afgeleid kon worden dat het Hof in de richting van een geldboete — in relatie tot de vermeend verkregen winst — zat te denken. In verband met dat laatste merk ik op dat eerst daags voor aanvang van de inhoudelijke behandeling door het Openbaar Ministerie te kennen was gegeven dat vanwege het verstrijken van de wettelijke termijn (ex artikel 511b lid 1 Sv) er geen ontnemingsvorderingen aangebracht zullen worden.28.
58.
De opgelegde geldboete is, vanwege de daaraan ten grondslag liggende motivering, dan ook onbegrijpelijk. Het bestreden arrest kan derhalve, voor zover het de strafoplegging betreft, niet in stand blijven.
Middel VI
Schending van het rechten/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en/of artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de onder 1 (Audi Q7), 2, 5, 6 (twee Rolex horloges en een Audemars Piguet horloge), 7 (Mercedes Benz E-500) 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 22 (geldbedragen) inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, die bij de doorzoeking van de woning en onder requirant zijn aangetroffen, verbeurd heeft verklaard,
dan wel doordat het Hof (de waarde van) deze voorwerpen ten onrechte niet(de facto)in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting die voortvloeit uit de aan requirant opgelegde geldboete van € 100.000,-,
nu het Hof heeft vastgesteld dat deze voorwerpen aan requirant toebehoren en de opgelegde geldboete — blijkens de overwegingen van het Hof — mede strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Het Hof heeft, zo bleek al in de toelichting op het vorige middel, aan requirant onder meer een geldboete van € 100.000,- opgelegd. Daarbij overweegt het Hof dat passend wordt geacht om ook een straf op te leggen die hem financieel raakt, waarbij het Hof mede in aanmerking neemt dat er uiteindelijk geen ontnemingsprocedure tegen hem aanhangig is gemaakt. De oplegging van de geldboete strekt derhalve (mede) ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.
Voorts heeft het Hof ook een aantal geldbedragen, horloges en auto verbeurd verklaard. Daarover overweegt het Hof dit inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen betreffen, die bij de doorzoeking van de woning en onder requirant zijn aangetroffen, en aan hem toebehoren. Het onder .2 bewezen verklaarde witwassen is volgens het Hof met betrekking tot deze voorwerpen begaan en zijn daarom vatbaar voor verbeurdverklaring.29.
3.
In het licht hiervan merk ik op dat artikel 33a lid 1 en 2 Sr — voor zover hier relevant — als volgt luidt:
‘Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
- 1.
- a.
voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
- b.
voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
(…)
- 2.
Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
- a.
degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
- b.
niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.’
4.
Gegeven de toelichting van het Hof op de verbeurdverklaring, lijdt het geen twijfel dat het Hof ‘sub b’ als grondslag heeft willen gebruiken. Het Hof heeft echter óók vastgesteld dat de verbeurdverklaarde voorwerpen aan requirant toebehoren; niet alleen in het kader van de verbeurdverklaringen, maar ook bij de vaststelling van het vermoeden van witwassen.30. Dit duidt erop dat het Hof (tevens) aanneemt dat de bedoelde voorwerpen tenminste indirect zijn verkregen uit andere strafbare feiten waarvoor requirant is veroordeeld (dan het bewezenverklaarde witwassen). De bedoelde vaststelling laat zich immers moeilijk anders begrijpen,31. mede omdat verbeurdverklaring ertoe strekt de veroordeelde in zijn vermogen te treffen.32. Het één sluit het ander overigens ook niet uit: men kan immers witwassen met een voorwerp dat door een eigen (grond)misdrijf is verkregen.
5.
Met een verbeurdverklaring van voorwerpen die worden aangemerkt als (middellijke) opbrengst van een strafbaar feit, kan (dan ook) worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.33. Punt is evenwel dat het Hof in casu bij de strafoplegging echter al tot uitdrukking heeft gebracht dat beoogd wordt om voordeel van requirant middels de oplegging van een geldboete te ontnemen.
6.
Deze situatie is mijns inziens problematisch, gezien onder meer HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, waarin Uw Raad heeft bepaald dat ingeval van samenloop van een dergelijke verbeurdverklaring en ontneming, het verbeurdverklaarde voordeel moet worden afgetrokken van het bedrag dat eventueel daarnaast nog via een ontnemingsprocedure wordt gevorderd. Weliswaar ziet dit arrest specifiek op samenloop van enerzijds verbeurdverklaring en anderzijds ontneming middels een reguliere ontnemingsprocedure, maar ik zie geen goede reden aanwezig om niet aan te nemen dat de ratio van dit arrest — te weten dat hetzelfde voordeel niet dubbel mag worden ontnomen — niet tevens van toepassing op situaties als de onderhavige, waarin de rechter beoogt om wederrechtelijk verkregen voordeel middels de oplegging van een geldboete te ontnemen. Ook in dat geval wordt de verdachte immers mogelijk ‘dubbel gepakt’.
7.
Gelet daarop is onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk, het in het arrest besloten liggende oordeel van het Hof dat de aan requirant toebehorende voorwerpen onder 1 (Audi Q7), 2, 5, 6 (twee Rolex horloges en een Audemars Piguet horloge), 7 (Mercedes Benz E-500) 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 22 (geldbedragen),34. verbeurd kunnen worden verklaard, althans is onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk, dat het Hof de (waarde van de) bedoelde verbeurdverklaarde voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op de aan requirant opgelegde betalingsverplichting uit hoofde van de geldboete, althans dat bij de oplegging van die geldboete ten onrechte niet (kenbaar) is meegewogen dat ten laste van requirant ook diverse verbeurdverklaringen zijn uitgesproken (waarvan overigens de totale waarde de € 100.000,- ruim overstijgt), zodat de strafoplegging in zoverre onbegrijpelijk is.
8.
Het bestreden arrest kan hierdoor ten aanzien van de strafoplegging — waaronder tevens begrepen de beslissingen tot verbeurdverklaring — niet in stand blijven.
9.
Daarbij merk ik ten overvloede op dat het feit dat de verbeurdverklaring niet onherroepelijk zijn hier geen rol speelt, omdat voor de executie van (geld)straffen geen met artikel 6:6:26 Sv vergelijkbare regeling bestaat.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 25 januari 2024
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑01‑2024
Arrest Hof, p. 17.
Zie het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep, d.d. 8, 15 en 29 maart 2023, p. 36.
Pleitnota rechtbank, p. 12–13.
Van Dorst & Borgers, Cassatie in Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer, 2022/7.1.3.
Arrest Hof, p. 8–10.
Bijlage bewijsmiddelen arrest Hof, bewijsmiddel 3.
Arrest Hof, p. 17.
Arrest Hof, p. 14–15.
Arrest Hof, p. 4–5.
Zie het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep, d.d. 8, 15 en 29 maart 2023, p. 11 en bijlage.
Vgl. arrest Hof, p. 7.
Pleitnota hoger beroep, p. 3–4: ‘De initialen [verdachte] in de aangetroffen drugsorganisatie in de [c-straat] worden opnieuw toegeschreven aan [verdachte]. Niet gek, maar bekend uit het dossier is dat er een zekere ‘[bijnaam 9]’ fungeert die toch echt een relevante rol lijkt te hebben doch nimmer als zodanig een behandeling te verduren heeft gekregen zoals [verdachte], althans in het onderzoek 13Quebec dan.’
Arrest Hof, p. 9–10.
Arrest Hof, p. 9
Een feit van algemene bekendheid is elk gegeven dat ‘ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen’ (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291. Het Drugs Enforcement Agency (DEA) van de Verenigde Staten heeft een — direct in zoekmachine Google verschijnende bij de zoekterm ‘drugs slang’ — ‘Drug Slang Code Words’ gepubliceerd, waarin ‘[bijnaam 7]’ vermeld staat als ‘slang’ voor heroïne. Het lijkt mij overigens ook op zijn minst van algemene bekendheid dat woorden (c.q. zelfstandige naamwoorden) beginnend met een ‘H’ in de drugsscene naar heroïne (kunnen) verwijzen.DEA (2017). Drug Slang Code Words. DEA Intelligence Report, May 2017. DEA Houston Division, Houston. Pagina 4. URL = https://www.dea.gov/sites/default/files/2018-07/DIR-020-17%20Drug%20Slang%20Code%20Words.pdf
Arrest Hof, p. 18.
Arrest Hof, p. 16–17.
Arrest Hof, p. 18.
Vonnis rechtbank, p. 13.
Arrest Hof, p. 16. Zie ook de beslissing tot verbeurdverklaring, p. 24 arrest.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam, 12 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:31888, waarin de verdachte louter voor witwassen werd vervolgd, maar op grond van omstandigheden van het geval (met name het aantreffen van een drugsadministratie) door het Hof aannemelijk werd geacht dat het onder de verdachte inbeslaggenomen geld van drugshandel afkomstig was. Beroepshalve weet ik dat het door het OM tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.
Arrest Hof, p. 4.
Arrest Hof, p. 14.
Arrest Hof, p. 12.
Bewijsmiddel 44.
Arrest Hof, p. 14.
Het Hof heeft vastgesteld dat hij daar geen legaal inkomen had. Gelet op het feit dat dit Hof hem veroordeelt voor deelname aan een criminele organisatie, kan bezwaarlijk gesteld worden dat het niet voor de hand ligt dat requirant open staat voor het zich laten lenen voor klusjes die hem op minder rechtmatige wijze van leefgeld voorzien.
Blijkens p. 2 van het proces-verbaal van de zitting d.d. 8 maart 2023, is die mededeling op zijn vroegst op 2 maart 2023 gedaan.
Arrest Hof, p. 24.
Arrest Hof, p. 16.
Zie hierover ook Hofstee onder .7–.11 van diens conclusie vóór HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888.
T&C Strafrecht, commentaar op art. 33a Sr: Vatbaarheid voor verbeurdverklaring, aant. 4a.
Kamerstukken II 2009–2010, 32 194 nr. 3, p. 4
Arrest Hof, p. 23–24.