Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.4.3
5.4.3 Stap 2: Leer van de redelijke toerekening
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS304098:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Di Bella (2014), p. 78.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017) De verbintenis in het algemeen, paragraaf 57.
Klaassen (2017), nr. 18.
Artikel 6:75 en 6:162 lid 3 BW.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017) De verbintenis in het algemeen, paragraaf 50 en Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aant. 1.3.1.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017) De verbintenis in het algemeen, paragraaf 63.
In dat geval wordt ‘ter zake van schadeposten die op basis van de csqn-toets buiten de boot zouden vallen, toch een vergoedingsplicht [.] aangenomen’. De rechtspraak is op dit punt echter terughoudend, Klaassen (2013), p. 128.
Brunner (1981), p. 210 e.v.
Holthuijsen-van der Kop (2015), § 1.
Voor een actueel overzicht van de factoren inclusief aanvullingen verwijs ik naar: Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.3 factoren, Holthuijsen-van der Kop (2015) en Spier/Hartlief (2015), p. 277.
Deze factor is opgenomen in artikel 6:98 BW.
Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.4.3.1 Algemeen.
Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.4.4.2, de schuldgraad, Spier/Hartlief (2015), p. 278 en Klaassen (2017), nr. 42.
Holthuijsen-van der Kop merkt op dat haar geen rechtspraak bekend is waaruit blijkt dat de aard van de activiteit invloed kan uitoefenen op de causaliteitsbeslissing. Zij meent dat de factor dan ook kan worden weggelaten bij de toerekening van art. 6:98 BW. Holthuijsen-van der Kop (2015), § 2. Zie verder: Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.3 factoren en 4.4.4.4 Feitelijke aard van de gedraging.
Deze factor is opgenomen in artikel 6:98 BW. Holthuijsen-van der Kop merkt op dat geen sprake is van een op zichzelf staande deelregel. ‘Uitspraken waarin expliciet voor een ruime of enge toerekening is gekozen omdat er sprake is van een bepaalde soort (al dan niet ernstige) schade, ontbreken’. Holthuijsen-van der Kop (2015), § 2.5. Zie verder: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017) De verbintenis in het algemeen, paragraaf 63, paragraaf 65 en 66, Di Bella (2014), p. 81, Spier/ Hartlief (2015), p. 278.
Holthuijsen-van der Kop merkt op dat het gezichtspunt weinig zelfstandige betekenis heeft. Holthuijsen-van der Kop (2015), § 2.7. Zie verder: HR 20 maart 1970, NJ 1970/251 (Waterwingebied) en HR 21 maart 1975, NJ 1975/372 (Aangereden hartpatiënt). Spier/Hartlief (2015), p. 278.
De meningen zijn hierover verdeeld. Voorstanders stellen dat de draagkracht een factor is die van invloed is op de toerekening. Tegenstanders stellen dat draagkracht onderdeel uitmaakt van de matiging ex. artikel 6:109 BW. Holthuijsen-van der Kop (2015), § 2.8. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.10 Draagkracht.
In de literatuur worden deze factoren onderscheiden in aanvulling op voornoemde vijf factoren van Brunner. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.3 factoren en Holthuijsen-van der Kop (2015), § 3.
HR 5 juni 2009, NJ 2012/182 (de Treek/ Dexia), r.o. 5.4.3 en HR 5 juni 2009, NJ 2012/183 (LEVOB/Bolle), r.o. 4.8.2.
Holthuijsen-van der Kop (2015), § 2.2.
Spier/Hartlief (2015), p. 277.
Bij de voorzienbaarheid in het kader van de leer van de redelijke toerekening is sprake van de voorzienbaarheid van de schade. (zie paragraaf 5.2 en 5.3 voor andere vormen van voorzienbaarheid). Bij waarschijnlijkheid is het Kelderluik arrest relevant. Zie paragraaf 4.2.2.2 voor een korte bespreking in het arrest. Zie voorts: Klaassen (2017), nr. 34, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017) De verbintenis in het algemeen, § 65 en 66, Di Bella (2014) Di Bella (2014), p. 81 en Spier/Hartlief (2015), p. 277 en 285, HR 1 juli 1977, NJ 1978/84 (Van Hees/Esbeek)
Voorzienbaarheid in geobjectiveerde zin dient in deze context volgens Hartkamp en Sieburgh als volgt te worden opgevat: ‘Bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van de schade als gezichtspunt bij de redelijke toerekening, moet rekening worden gehouden met de feitelijke omstandigheden, de algemene kennis en de ervaring, die de aansprakelijk gestelde persoon op het moment waarop de wanprestatie of onrechtmatige daad plaatsvond, kende en/of bezat of, gemeten naar de maatstaf van een gemiddeld ontwikkeld mens onder vergelijkbare omstandigheden, had behoren te kennen en/of te bezitten’. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017), nr. 71 en 72. Zie tevens: Klaassen (2017), nr. 35, Enkele nadere opmerkingen over de voorzienbaarheid, Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, 4.6.2 Gradaties, met verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 345. Parl. Gesch. Boek 6, p. 345, zie Di Bella (2014), p. 79.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 mei 2004, JOR 2004/206, r.o. 10.19.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o, 6.6.1, alsmede de annotatie van H. Beckman bij het arrest.
Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aantekening 4.11.1 Invloed verzekering op toerekening.
Zoals eerder opgemerkt zal in de praktijk een accountantsorganisatie aansprakelijk worden gesteld (zie paragraaf 5.2) en niet de individuele accountant.
Hartlief (2011) en Hartlief & Tjittes (1999).
HR 9 mei 2003, NJ 2005/168, r.o. 4.3.3 (Belien/Noord Brabant).
Holthuijsen-van der Kop (2015), § 3.1.
HR 9 mei 2003, NJ 2005/168 (Belien/Noord Brabant), r.o. 4.3.3. Tevens: Dijkshoorn (2011), p. 257 e. v. Opgemerkt wordt dat het hier de overheid betrof die informatie achterhield en dat niet duidelijk is in hoeverre deze uitspraak een groter bereik heeft.
Zetteler & Pheijffer (2016), p. 9 e.v.
HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452, r.o. 3.3.3. Zie tevens: Berghuijs & Roestenberg (2018), Barbiers & Hijink (2018).
Conclusie A-G Hartlief d.d. 12 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:430, r.o. 3.33. Conclusie behorend bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452.
Toepassing van uitsluitend het csqn-criterium kan een ruime aansprakelijkheid ten gevolge hebben. Om die reden bakent artikel 6:98 BW de omvang van de schadevergoedingsplicht af,1 indien het csqn-verband vaststaat. Deze afbakening wordt de leer van de redelijke toerekening genoemd.2
Artikel 6:98 BW betreft de vraag of de schade in voldoende verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis.3 De vraag of een schadeveroorzakend handelen of nalaten kan worden toegerekend4 aan de persoon die hiervoor aansprakelijk wordt gehouden, is reeds aan de orde gekomen in paragraaf 5.2.
Artikel 6:98 BW is opgenomen in afdeling 6.1.10 van het BW over de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Deze afdeling is zowel in geval van een tekortkoming als in geval van onrechtmatige daad van toepassing.
De leer van de redelijke toerekening geeft antwoord op de vraag tot hoever de aansprakelijkheid strekt.5 Het antwoord op deze vraag luidt dat schade alleen dient te worden vergoed, indien de schade in zodanig verband staat met de schade toebrengende activiteit van de aangesproken accountant, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis in redelijkheid kan worden toegerekend. Hierbij worden alle omstandigheden van het geval betrokken.6 Over het algemeen genomen heeft toepassing van het criterium van toerekening naar redelijkheid een beperking van schade ten gevolge. Bij wijze van uitzondering leidt het criterium van toerekening naar redelijkheid soms tot een uitbreiding.7
Voor de factoren die van belang zijn voor de invulling van de leer van de redelijke toerekening wordt doorgaans verwezen naar Brunner.8 Brunner heeft in 1981 geïnventariseerd welke gezichtspunten/factoren in de rechtspraak van de Hoge Raad zichtbaar waren. Deze werkte hij uit tot deelregels die aangeven hoe de factoren moeten worden toegepast.9 De deelregels zijn tot op de dag van vandaag actueel. In het hiernavolgende som ik uitsluitend de factoren op, waarbij in de voetnoten wordt verwezen naar de belangrijkste literatuur.10 Daarna zal ik uitsluitend bij die factoren stilstaan die relevant zijn bij accountantsaansprakelijkheid. De factoren zijn:
Aard van de aansprakelijkheid;11
De strekking van de norm;12
De schuldgraad;13 en
De aard van de activiteit;14
Aard van de schade;15
Voorzienbaarheid;
Verwijderdheid;16
De draagkracht van partijen.17
Daarnaast speelt een rol hoe partijen zich jegens elkaar gedragen en kan een eventuele verzekering van belang zijn.18
Wat zou het schema van Brunner kunnen betekenen in de context van accountants-aansprakelijkheid?
(i)(a) De strekking van de norm
Ik sluit niet uit dat bij accountantsaansprakelijkheid sprake kan zijn van ruimere toerekening (waardoor sneller een causaal verband wordt aangenomen) met betrekking tot de ‘strekking van de norm’. De bijzondere zorgplicht van de accountant lijkt namelijk sterk op de bijzondere zorgplicht van financiële ondernemingen (zie paragraaf 3.2.3), en in de effectenlease arresten19 is sprake van een ruimere toerekening vanwege de bijzondere zorgplicht van financiële ondernemingen.20 Dit zal echter sterk afhangen van de omstandigheden van het geval.
(ii) Aard van de schade
Bij een beroepsfout van de accountant is in beginsel sprake van het handelen of nalaten van een individuele beroepsbeoefenaar. In de praktijk zal echter een accountantsorganisatie aansprakelijk worden gesteld (zie paragraaf 5.2.2 en 5.2.3) en in dat geval is sprake van bedrijfsuitoefening, hetgeen een rechtvaardiging zou kunnen zijn voor ruimere toerekening. Toerekening van schade toegebracht tijdens bedrijfsuitoefening is namelijk eerder gerechtvaardigd dan wanneer de aansprakelijke persoon een beroepsbeoefenaar is.21
(iii) Voorzienbaarheid
Hierbij dient gedacht te worden aan waarschijnlijkheid ofwel voorzienbaarheid van de schade.22 Wanneer is schade voorzienbaar/in lijn der verwachting? Volgens de wetsgeschiedenis moet hierbij uitgegaan worden van hetgeen naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was.23 Helaas is in de procedure die verband houdt met het Vie d’Or geschil niet duidelijk geworden of de schade volgens de Hoge Raad voorzienbaar was (of had moeten zijn) voor de accountant. Volgens het hof was de schade objectief voorzienbaar (of had moeten zijn) voor de accountant.
Het hof overweegt: ‘De schade moet ook in redelijkheid aan de accountants worden toegerekend. Zij hadden moeten beseffen dat de problemen van Vie d’Or groot waren, met name door het ontoereikend zijn van de administratie, en dat schade aan de polishouders voorzienbaar was indien zij dit met de mantel der liefde zouden blijven bedekken, in plaats van zodanige signalen af te geven dat de directie – en bij gebreke daarvan: de raad van commissarissen of de Verzekeringskamer – wel moesten ingrijpen24’.
De Hoge Raad casseert het oordeel van het hof. De Hoge Raad overweegt: ‘Gelet op hetgeen de accountants gemotiveerd hebben aangevoerd en dat erop neerkwam dat zij (net als de Verzekeringskamer) het probleem van de ontoereikendheid van de administratie als serieus hebben onderkend, sterk hebben aangedrongen op verbetering daarvan en aan die verbetering hun medewerking hebben verleend, hetgeen tot aanzienlijke verbetering heeft geleid, is het oordeel van het hof, zonder nadere motivering, die het hof niet heeft gegeven, niet begrijpelijk’.25
(v) Draagkracht
Volgens Boonekamp26 wordt ter zake draagkracht en eventuele verzekering vrij algemeen aangenomen: ‘dat het bestaan van een verzekering aan de zijde van de aansprakelijke of aan de zijde van de gelaedeerde van invloed is of kan zijn op de toerekening’. Accountantsorganisaties27 zijn verplicht een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten (zie paragraaf 5.2.4). Ik kan me derhalve voorstellen dat deze factor in geval van accountants-aansprakelijkheid een ruime toerekening ten gevolge zou kunnen hebben.28
Processuele houding
Ten aanzien van de processuele houding van de aangesproken accountant is van belang dat sinds het arrest Beliën/Noord Brabant29 wordt aangenomen dat een laakbare houding van de aansprakelijk gestelde procespartij een ruime toerekening rechtvaardigt.30 Bij een laakbare houding kan gedacht worden aan een aangesproken accountant die bewust informatie voor de andere partij achterhoudt31 of zich verzet tegen inzage in het controledossier. Zoals in paragraaf 3.2.4 opgemerkt dient de accountant inzicht te geven in de inhoud van het controledossier en zal de accountant alle redelijke vragen over zijn werkzaamheden moeten beantwoorden. Van de accountant mag alsdan worden gevergd ‘dat deze duidelijk maakt hoe de controle is aangepakt, welke stukken daarbij zijn opgevraagd, welke instructies zijn gegeven en welke vragen zijn gesteld32’. Zie tevens paragraaf 5.5.2 inzake verzwaarde stelplicht en 5.5.2.1 inzake de exhibitieplicht.
HR inzake aansprakelijkheid accountant en redelijke toerekening
Het hof heeft in 2016 inzake de aansprakelijkheid van een accountant met betrekking tot een door de accountant gegeven advies overwogen dat de door de benadeelde geleden schade in redelijkheid niet aan de accountant kan worden toegerekend. Het hof wijst in haar overweging op omstandigheden die mijns inziens samenhangen met de voorzienbaarheid van de geleden schade.
In het geschil dat ten grondslag ligt aan deze procedure speelt een belangrijke rol dat de onderneming van de benadeelde (mede) door toedoen van een -achteraf niet betrouwbare- derde-adviseur failliet is gegaan. De benadeelde verwijt de accountant dat hij hem niet heeft gewaarschuwd voor deze derde-adviseur. Het hof overweegt dat de door de benadeelde geleden schade in redelijkheid niet aan de (onvoldoende kritische houding van de) accountant kan worden toegerekend (dit betreft stap 2 van het causaal verband, de leer van de redelijke toerekening). Daarbij acht het hof van belang dat de derde-adviseur zichzelf bij de benadeelde heeft gemeld, de derde- adviseur een vergoeding van € 10.000,– per maand ontving van de onderneming van benadeelde, de derde-adviseur kennelijk erg overtuigend overkwam en gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen om de waarheid te verbloemen, de benadeelde zelf nooit aan de derde-adviseur heeft getwijfeld en niet is komen vast te staan dat alle door de derde-adviseur aangedragen financiers verzonnen waren.
De Hoge Raad overweegt met betrekking tot het cassatiemiddel dat opkomt tegen voornoemde overweging van het hof, dat het antwoord op de vraag of de schade (deels) aan de accountant is toe te rekenen, in het bijzonder ervan afhangt of van de accountant in de concrete omstandigheden van dit geval had mogen worden verwacht dat hij de benadeelde voor het (mogelijk) onrechtmatig handelen van de derde-adviseur waarschuwde, en wat de gevolgen van die waarschuwing dan (vermoedelijk) zouden zijn geweest. Het hof heeft daarover niets vastgesteld, hoewel de stellingen van de benadeelde daartoe wel aanleiding gaven. De Hoge Raad vernietigt dientengevolge het arrest van het hof.33
De Hoge Raad lijkt bij zijn overweging de primaire benadering van A-G Hartlief te volgen. A-G Hartlief gaat er met betrekking tot voornoemde overweging van het Hof namelijk primair vanuit dat de overweging betrekking heeft op de vraag of de accountant heeft gehandeld als een ‘redelijk bekwaam en redelijk handelend registeraccountant’, oftewel de zorgplicht van de accountant. In het vervolg van zijn conclusie overweegt de A-G subsidiair: ‘Rov. 8 zou ook nog aldus kunnen worden gelezen dat de schade in causale zin (als bedoeld in art. 6:98 BW) in redelijkheid niet aan [verweerder 2] kan worden toegerekend’.34 Ik heb in voorgaande de overweging van het Hof gelezen in lijn met de subsidiaire benadering van de A-G.
Conclusie leer van de redelijke toerekening
Toepassing van de leer van de redelijke toerekening zal voor de aansprakelijk gestelde accountant niet snel resulteren in een beperking van de verbintenis tot schadevergoeding. Sterker nog, onder omstandigheden kan de leer van de redelijke toerekening voor de accountant een ruime toerekening van schade ten gevolge hebben. Als ik kijk naar de factoren van Brunner, zijn bij accountantsaansprakelijkheid met name de volgende factoren relevant. Een ruime toerekening kan aan de orde zijn vanuit het oogpunt van de strekking van de norm. Deze ruime toerekening zou dan voortkomen uit de bijzondere zorgplicht van accountants. Een ruime toerekening kan voorts aan de orde zijn vanuit het oogpunt van draagkracht (en verzekering). Tot slot kan de voorzienbaarheid in het kader van toerekenbaarheid een belangrijke factor zijn. Het hof heeft in het Vie d’Or arrest aangenomen dat de schade aan de polishouders voorzienbaar was. Opgemerkt wordt echter dat een ruime toerekening sterk afhangt van de omstandigheden van het geval. Er is weinig jurisprudentie over en het algemene beeld is dat terughoudendheid wordt betracht.