Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.4.2
3.4.2 Het PontMeyer arrest
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590818:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
JOR 2007/166.
HR 17 september 2004, NJ 2005, 169.
HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467.
HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576 (m. nt. M.H. Wissink). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar het PontMeyer arrest in een geschil omtrent de betekenis van een bepaald beding in een tussen commerciële partijen gesloten en door deskundige juristen geredigeerde vaststellingsovereenkomst dat het het hof vrijstond 'om in dit geval, dat wordt gekenmerkt door de in rov. 4.7 van het bestreden arrest vermelde factoren — waaronder met name de aard van de overeenkomst (een vaststellingsovereenkomst inzake een zuiver commerciële transactie), en het feit dat partijen bij de totstandkoming daarvan werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden — vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de in het onderdeel bedoelde stellingen [van eiseres in cassatie] te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van art. 8a en vervolgens te beoordelen of [eiseres in cassatie], de partij op wie hier de bewijslast rust, voldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten (vgl. HR 19 januari 2007, RvdW 2007, 108).'
JOR 2007/198.
Zie H.N. Schelhaas 2008, pp. 151, 157 en 160. Schelhaas lijkt in haar artikel overigens onvoldoende oog te hebben voor het feit dat de door haar gepropageerde beginselen van rechtszekerheid en van de verbindende kracht van overeenkomsten (pacta sunt servanda) geen tegenstelling met de redelijkheid en billijkheid vormen, maar bij uitstek via deze norm (zie art. 3:12 BW) in de rechtsverhouding van partijen werkzaam zijn. Voor een sprekend voorbeeld hiervan zij verwezen naar het (ook door Schelhaas aangehaalde) arrest HR 20 februari 1998, NI 1998, 493 (Briljant Schreuders/ABP), alwaar de Hoge Raad overweegt: 'Redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe.' Zie over de verhouding tussen billijkheid en rechtszekerheid eveneens Royer 1972, p. 534. Zie voorts over art. 3:12 BW Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 397.
Schelhaas 2008, t.a.p. en Tjittes 2005, p. 20 en van dezelfde: Tjittes 1997, p. 375-388. Zie ook Tjittes 2009, alwaar Tjittes redelijkheid en billijkheid en taalkundige uitleg een aantal malen tegenover elkaar plaatst, bijv. op p. 27, waar hij opmerkt: 'Het verwondert daarom niet dat commerciële partijen aangeven te willen ontkomen aan een redelijke (curs. van mij, PSB) uitleg, door expliciet overeen te komen dat hun contract objectief of grammaticaal moet worden uitgelegd.' Zie ook de pp. 24-27 en p. 88.
Meyer Europe is enig aandeelhoudster van PontMeyer. Op 2 februari 1999 worden door haar alle aandelen PontMeyer geleverd aan koper WPH. In de door partijen gesloten SPA (Share Purchase Agreement) worden PontMeyer en WPH gevrijwaard voor bepaalde belastingschulden. De in de SPA opgenomen `indemnification' strekt zich echter niet uit tot vennootschapsbelasting-schulden `included in the provision in the Interim Accounts for corporate income tax covering the period as of April 1, 1998 up to and including the Economic Transfer Date'. Einde 1998 ontvangt PontMeyer een aanslag vennootschapsbelasting. PontMeyer zendt vervolgens de aanslag ter betaling door aan Meyer Europe, zulks met een beroep op de betreffende vrijwaringsclausule voor belastingschulden in de SPA.
In rechte strijden partijen vervolgens over de vraag of de bewuste aanslag vennootschapsbelasting nu wel of niet onder de vrijwaringsverplichting van Meyer Europe valt. Meyer Europe meent van niet en stelt zich op het standpunt dat de uitzondering in de vrijwaringsclausule ook betrekking heeft op de gewraakte aanslag vennootschapsbelasting: de woorden 'as of April 1, 1998' moeten volgens haar worden begrepen als 'as per/as at April 1, 1998'.
Het hof verwerpt echter de door Meyer Europe verdedigde uitleg van de woorden `as of' in art. 8 onder b SPA en overweegt dat, hoewel 'as of' zowel 'from' (vanaf) kan betekenen als 'as per/as at' (per), in het onderhavige geval, gelet op het zinsverband — 'the period as of April 1, 1998 up to and including the Economic Transfer Date' — , de betekenis 'from' (vanaf), ter aanduiding van het begin van het ook qua eindpunt exact omlijnde tijdvak, veruit het meest voor de hand ligt. Verder oordeelt het hof dat de overige inhoud van de SPA evenmin tot de door Meyer Europe bepleite uitleg dwingt.
Het daartegen door Meyer Europe gerichte cassatiemiddel bevat de klacht dat het hof, aldus oordelende, de Haviltex-maatstaf heeft miskend door — voorshands beslissend gewicht toe te kennen aan de taalkundige aspecten zonder in zijn overwegingen de door Meyer Europe aangevoerde stellingen te betrekken. De Hoge Raad denkt daar echter anders over:
"3.4.1 Het hof heeft de door Meyer Europe voorgestane, 'Engelstalige' (dus taalkundige) interpretatie van de woorden 'as of' in art. 8 onder b SPA verworpen en daartoe overwogen dat, hoewel 'as of' zowel 'from' (vanaf) kan betekenen als 'as per/as at' (per), in het onderhavige geval, gelet op het zinsverband — 'the period as of April 1, 1998 up to and including the Economic Transfer Date' — , de betekenis 'from' (vanaf), ter aanduiding van het begin van het ook qua eindpunt exact omlijnde tijdvak, veruit het meest voor de hand ligt (rov. 7.2). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de verdere inhoud van de SPA evenmin tot de genoemde interpretatie van Meyer Europe dwingt (rov. 7.3). Daarom is het hof uitgegaan van dezelfde 'in hoge mate door taalkundige overwegingen ingegeven betekenis als die welke de rechtbank heeft toegekend aan de bewoordingen van de SPA' (rov. 7.4). Aan die taalkundige betekenis dient volgens het hof een groot gewicht te worden toegekend. Daartoe neemt het als omstandigheden in aanmerking de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract, de wijze van totstandkoming ervan en in het bijzonder de hierboven onder 3.3.3 (d) geciteerde `entire agreement clause' van art. 17.5 SPA (rov. 8.1).
(…)
3.4.3 Deze klacht faalt. Het hof heeft met zijn hiervoor in 3.4.1 samengevatte overwegingen tot uitdrukking gebracht dat voor het antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze mochten toekennen aan de omstreden woorden in art. 8 onder b, SPA en wat zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten, in de door het hof in rov. 8.1 genoemde omstandigheden, waaronder de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract, de wijze van totstandkoming ervan en in het bijzonder de hierboven onder 3.3.3 (d) geciteerde `entire agreement clause' van art. 17.5 SPA, als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van die woorden, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA. Een en ander geeft niet blijk van een onjuiste opvatting aangaande de wijze waarop in een zaak als deze de Haviltex-maatstaf dient te worden toegepast. Het stond het hof in dat verband vrij, gelijk het kennelijk heeft gedaan, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de door Meyer Europe aangevoerde, hiervoor onder 3.4.2 (ii) en (iii) samengevatte, stellingen, te komen tot een — voor, zoals hierna zal blijken, tegenbewijs door Meyer Europe vatbaar — oordeel aangaande de uitleg van art. 8 onder b en die stellingen, gelijk het blijkens rov. 9 heeft gedaan, te beoordelen in het kader van het door Meyer Europe te leveren tegenbewijs."
Blijkens zijn JOR noot bij dit arrest heeft Tjittes het arrest opgevat als blijk van een toenemende gevoeligheid van de Hoge Raad voor de belevingswereld "van in het bijzonder Engelse en Amerikaanse partijen, waar grammaticale uitleg van contracten voorop staat" en welke partijen "nogal onbegrijpend stonden tegenover de redelijkheids- en de "alle omstandigheden van het geval"-benadering van de Nederlandse uitlegregels."1 Het arrest hoort wat hem betreft daarmee thuis in een ontwikkeling die met de arresten Wessanen/ Nutricia2 en CBB/JP03 enige jaren eerder zou zijn ingezet. Met het arrest geeft de Hoge Raad volgens Tjittes te kennen het belang van taalkundige uitleg in het internationale handelsverkeer in te zien. In zijn bespreking van het kort na PontMeyer gewezen arrest Derksen/Homburg4 gaat Tjittes nader op de PontMeyer zaak in en komt vervolgens tot de slotsom dat de Hoge Raad in PontMeyer de regel heeft geformuleerd dat "een met zorg gesloten commercieel contract in beginsel taalkundig moet worden uitgelegd."5 Uit beide arresten zou volgens Tjittes de les kunnen worden getrokken dat, waar het gaat om een uitonderhandelde, zuiver commerciële transactie, bij de totstandkoming waarvan partijen zijn bijgestaan door deskundige raadslieden, een taalkundige uitleg in beginsel aangewezen is.
Schelhaas heeft zich achter Tjittes' lezing van het arrest geschaard. In een artikel, getiteld "Pacta sunt servanda bij commerciële contractanten", bepleit zij, in navolging van Tjittes, in één adem het fors terugsnoeien van de rol van redelijkheid en billijkheid in rechtsverhoudingen tussen commerciële contractanten en de hantering van een grammaticale (elders in haar artikel weer als objectief of taalkundig aangeduide) uitleg van commerciële contracten.6 Begrijp ik beide schrijvers goed, dan komt hun betoog ten aanzien van de arresten PontMeyer en Derksen/Homburg erop neer dat de Hoge Raad blijkens deze arresten voor wat betreft de uitleg van een door professionals geredigeerd en uitonderhandeld commercieel contract thans een taalkundige uitleg voorstaat en dat bij deze uitleg de redelijkheid en billijkheid een "terughoudende rol" is toebedeeld.7 In de volgende subparagraaf zal ik uiteenzetten dat deze visie duidt op een misverstaan van de rol die redelijkheid en billijkheid bij uitleg spelen.