Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.3.2
IV.2.3.2 Beginpunt: normale aansprakelijkheidsregels
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460481:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 november 1927, ECLI:NL:HR:1927:BG9436, NJ 1928, p. 634, m.nt. Scholten (Kretzschmar/Mendes de Léon). Zie voor een uitvoerige analyse van dit arrest Karapetian 2019, par. 2.3.1. Zie voorts de opmerkingen hieromtrent van Asser/Kortmann 3-III 2017/156.
Ik spreek hier van ‘volledige toerekening’, want volgens thans geldend recht wordt bij ‘gewone toerekening’ de aansprakelijkheid niet verplaatst, maar uitgebreid; de handelende persoon blijft ook na toerekening aan de rechtspersoon in beginsel aansprakelijk voor zijn eigen handelingen. Zie par. IV.3.3.2.
In HR 2 april 1880, W. 4516 (Staat/Van Os) en HR 12 januari 1883, W. 4868.
Zie over het persoonlijke karakter van onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid voorts par. IV.3.3. Zie over het toerekeningsvereiste par. IV.5.4 en par. IV.2.2.3 onder ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van 6:162 BW’.
Een belangrijk arrest waarin de Hoge Raad zich principieel uitspreekt over de mogelijkheid om bestuurders aansprakelijk te stellen uit onrechtmatige daad, is het Kretschmar/Mendes de Léon-arrest uit 1927.1 In dit arrest neemt de Hoge Raad afstand van de tot dan toe aangehangen orgaantheorie. De orgaantheorie houdt in dat de gedragingen van een orgaan van een vennootschap (zoals een bestuurder) dat handelt binnen diens bevoegdheden, volledig wordt toegerekend aan de rechtspersoon.2 Een dergelijke gedraging heeft dan enkel te gelden als de gedraging van de vennootschap, en daarom kan niet het orgaan maar slechts de vennootschap voor de gedraging aansprakelijk worden gesteld.3
De afwijzing van de orgaantheorie brengt met zich dat bestuurders die zelf een onrechtmatige daad hebben gepleegd (of dat nou binnen- of buiten bevoegdheid gebeurde) persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. In casu achtte de Hoge Raad de bestuurders van de Amsterdamse Handelsbank NV gehouden tot het betalen van een schadevergoeding, omdat zij “tegen betere weten in een geheel scheeve voorstelling van den staat van zaken in de N.V. [geven]” waardoor een derde wordt bewogen aandelen te nemen voor een veel te hoge prijs.
In het arrest benadrukt de Hoge Raad dat voor de aansprakelijkheid van de leden van het orgaan is vereist dat zij zelf een toerekenbare onrechtmatige gedraging hebben verricht. Hiermee roept de Hoge Raad echter geen bijzondere aansprakelijkheidsdrempel voor organen van vennootschappen in het leven; dit uitgangspunt sluit aan bij de voorwaarden voor aansprakelijkheid die voortvloeien uit artikel 6:162 BW.4