Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.3.6
IV.2.3.6 Verdere verankering van de ernstig verwijt-maatstaf
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460145:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (concl. A-G Timmerman), NJ 2013/302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse Villa). Zie uitvoeriger hierna onder par. IV.2.8.
Waarover kritisch, o.a. Bartman 2014, p. 723; Westenbroek 2017, par. 10.7. Ook andere auteurs zien liever dat de bestuurder de hogere aansprakelijkheidsdrempel alleen kan inroepen jegens institutioneel betrokkenen. Zie bijvoorbeeld Van Veen 2016, p. 273; Groffen in zijn annotatie bij Hof Leeuwarden, 22 maart 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV6514, JOR 2006/148.
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (concl. A-G Timmerman), NJ 2013/302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse Villa), r.o. 3.4.2. Deze afbakening van het toepassingsbereik komt hieronder uitvoeriger aan bod in par. IV.2.8.
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (concl. A-G Timmerman), NJ 2013/302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse Villa), r.o. 3.4.2.
Hierin verschilt de systematiek van de ernstig verwijt-doctrine van bijvoorbeeld de regeling voor beroepsaansprakelijkheid, waarin beroepsregels invulling geven aan het onrechtmatigheidsvereiste, meer specifiek aan de ongeschreven zorgplicht. Op dit onderscheid kom ik nog terug in par. IV.3.6.6. Verder verlaat de Hoge Raad met dit onderscheid de benadering uit het Ontvanger/S-arrest, waarin de Hoge Raad bij een Beklamel-casus de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid nog nadrukkelijk plaatst in de sleutel van “hetgeen in de gegeven omstandigheden krachtens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt” – dus, onrechtmatigheid. HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5154, NJ 2006/312, m.nt. Schilfgaarde (Ontvanger/S), r.o. 3.4.3.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2; HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2. De rechtsregel uit deze arresten is nog eens bevestigd in HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, JOR 2014/297, m.nt. Kroeze (Pommé) en HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:499 (concl. A-G Timmerman), NJ 2015/240, m.nt. Van Schilfgaarde (ING Bank/X.).
Ook in HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF) keert het artikel 2:9 BW-argument niet meer terug. Cf. Timmerman die vasthoudt aan de relevantie van artikel 2:9 BW voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, en meent dat de Hoge Raad dit ook doet. “Dat de Hoge Raad art. 2:9 BW niet telkens in zijn bestuurdersaansprakelijkheidsarresten herhaalt, betekent niet – zo is mijn ervaring – dat de Hoge Raad dit niet meer vindt.” Timmerman 2020, par. 3.
Van Veen 2016, p. 273 noemt dit een vergissing, en ook Westenbroek 2017, par. 10.6.2 meent dat de rechtvaardiging die de Hoge Raad geeft voor de aansprakelijkheidsdrempel niet kan worden gebaseerd op het Willemsen/NOM-arrest.
Van Schilfgaarde spreekt in zijn annotatie onder Hezemans Air van een ‘veralgemenisering’ van dit argument, en merkt op dat eraan kan worden getwijfeld of dit ook een verbetering is. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde, nr. 7. Ook Kroeze in zijn noot onder Hezemans Air, JOR 2014/296, nr. 3 merkt deze verbreding op, maar ziet daar geen problemen in. Kritisch over het verruimen van het toepassingsbereik van de ernstig verwijt-maatstaf: Bartman 2014, p. 723; Van Veen 2016, p. 273; Westenbroek 2017, par. 10.6-10.7.
In latere jurisprudentie over bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wordt de ernstig verwijt-maatstaf verder verankerd en ook toegepast in andere gevalstypen. Illustratief in dit kader is een overweging van de Hoge Raad in het Spaanse villa-arrest, dat later in deze paragraaf uitvoeriger aan bod komt.1 Dit arrest draait om de aansprakelijkheid van een bestuurder van een makelaarsvennootschap die heeft bemiddeld bij de aankoop van een villa in Spanje door een ouder echtpaar. In dat kader heeft de bestuurder het echtpaar verkeerd voorgelicht, waardoor het een deel van de koopprijs heeft betaald voor een huis dat nooit opgeleverd werd.
In rechtsoverweging 3.4.1 beslist de Hoge Raad onder verwijzing naar het Ontvanger/Roelofsen-arrest dat de ernstig verwijt-maatstaf niet alleen geldt in een situatie waarin een schuldeiser wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op de vennootschap door toedoen van de bestuurder, maar dat deze maatstaf ook op zijn plaats is bij beantwoording van de vraag of een bestuurder jegens een derde aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen van de vennootschap. Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat deze maatstaf niet alleen geldt in gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid in verband door de rechtspersoon geschonden contractuele verplichtingen, maar dat ook persoonlijk een ernstig verwijt is vereist voordat de bestuurder kan worden aangesproken in het kader van een aan de rechtspersoon toe te rekenen onrechtmatige daad. De bijzonderheid die speelde in het Willemsen/NOM-arrest en Nutsbedrijf Westland-arrest – waarin de bestuurder in beide gevallen aansprakelijk werd gesteld door een institutioneel betrokkene – wordt door de Hoge Raad niet genoemd als een voorwaarde, waardoor er ten opzichte van die arresten sprake lijkt te zijn van een verruiming van het toepassingsbereik van de maatstaf.2
In het voorliggende geval achtte de Hoge Raad de maatstaf echter toch niet toepasselijk, omdat de bestuurder – kort gezegd – volgens de Hoge Raad niet aansprakelijk wordt gesteld op de grond dat hem als bestuurder het verwijt wordt gemaakt, maar omdat hij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens het echtpaar.3 Om deze reden gelden volgens de Hoge Raad “de gewone regels van onrechtmatige daad”.4 Deze overweging is om twee redenen van belang. In de eerste plaats blijkt uit deze overweging dat er situaties zijn waarin de bestuurder van een vennootschap géén beroep kan doen op de hogere aansprakelijkheidsdrempel, waarover hieronder in paragraaf IV.2.8 meer. In de tweede plaats is deze uitspraak significant omdat de Hoge Raad duidelijk een onderscheid maakt tussen de ‘ernstig verwijt’-maatstaf enerzijds en de “gewone regels van onrechtmatige daad” anderzijds. Dit wijst erop dat de ernstig verwijt-maatstaf geen invulling geeft aan één van de gewone aansprakelijkheidscriteria van artikel 6:162 BW,5 maar dat er sprake is van een afwijkend aansprakelijkheidsregime voor bestuurders.
In de zogenoemde 5 september-arresten wordt de ernstig verwijt-maatstaf opnieuw bestendigd door de Hoge Raad:6
“Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. (..)” [curs. TRB]
In dit arrest wordt nogmaals benadrukt dat de hogere aansprakelijkheidsdrempel voor zowel contractuele- als buitencontractuele aansprakelijkheid opgaat. Voor de rechtvaardiging wordt niet langer geleund op artikel 2:9 BW (dit argument verdwijnt zelfs geheel uit zicht),7 maar overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar het Willemsen/NOM-arrest als volgt:8
“Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.”
In het Willemsen/NOM-arrest werd de bestuurder aansprakelijk gesteld door een aandeelhouder, en daar was dus sprake van zelfgekozen betrokkenheid en een vennootschappelijk belang dat de bestuurder niet defensief handelt. De argumentatie verschiet daarmee van kleur en de rechtvaardiging van de toets wordt veralgemeniseerd: volgens de Hoge Raad is namelijk niet slechts het belang van de vennootschap en de betrokkenen gebaat bij een hoge drempel, maar is er zelfs sprake van een maatschappelijk belang.9
De rechtvaardiging is dus niet langer verbonden aan artikel 2:9 BW, en het belang dat wordt gediend met de hoge aansprakelijkheidsdrempel schat de Hoge Raad nu ruimer in dan eerst. Bovendien lijkt het erop dat de Hoge Raad de ernstig verwijtmaatstaf heeft verheven tot algemene regel, met een toepassingsbereik ruimer dan slechts de bestuurdersaansprakelijkheid jegens vennootschappelijke insiders. De rechtvaardiging van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel komt nader aan bod in paragraaf IV.3.