Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4126.
HR, 30-01-2026, nr. 25/00980
ECLI:NL:HR:2026:132
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-01-2026
- Zaaknummer
25/00980
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:132, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1255
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:4126
ECLI:NL:PHR:2025:1255, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:132
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2025
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2026-0028
Uitspraak 30‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Familierecht. Partneralimentatie. Verlaging door hof van door rechtbank vastgestelde alimentatie met ingang van tijdstip gelegen vóór datum van uitspraak in hoger beroep. Miskenning van vereiste behoedzaamheid bij bepaling van ingangsdatum van verlaagd bedrag? Terugbetalingsverzoek ten onrechte afgewezen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00980
Datum 30 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/01/369972 / FA RK 21-1749 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2023;
b. de beschikking in de zaken 200.328.276/01 en 200.328.278/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 december 2024.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024 en tot verwijzing.
De advocaten van de vrouw hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
De man en de vrouw zijn in 1974 met elkaar getrouwd. De beschikking van de rechtbank waarbij de echtscheiding tussen de man en de vrouw is uitgesproken, is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Voor zover in cassatie van belang ziet deze zaak op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: de partneralimentatie).
2.3
De rechtbank heeft de partneralimentatie bepaald op € 2.948,-- bruto per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, dat wil zeggen 7 september 2023 (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)).
2.4
Het hof1.heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de partneralimentatie bepaald op € 18,-- per maand, met ingang van 7 september 2023. Het hof heeft het verzoek van de man tot terugbetaling van de door hem vanaf 7 september 2023 te veel betaalde partneralimentatie afgewezen.
Ten aanzien van de ingangsdatum van de partneralimentatie heeft het hof als volgt overwogen:
“Ingangsdatum
6.1.
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is niet in geschil. Het hof zal daarom deze datum ook als ingangsdatum nemen. De echtscheidingsbeschikking is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.”
Ten aanzien van het verzoek van de man tot terugbetaling van de door hem te veel betaalde partneralimentatie heeft het hof als volgt overwogen:
“Terugbetaling
6.14.
De man heeft verzocht om terugbetaling door de vrouw van de te veel door hem betaalde partneralimentatie vanaf 7 september 2023. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
6.15.
Het hof overweegt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014: 1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365) staat bij het met terugwerkende kracht verlagen van een onderhoudsbijdrage behoedzaamheid voorop, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In onderhavig geval heeft de man het hof onvoldoende inzicht gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald. Het verzoek van de man tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde partneralimentatie zal daarom als zijnde onvoldoende bepaald worden afgewezen.”
3. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
3.1
De Hoge Raad ziet aanleiding eerst het middel in het incidentele beroep te behandelen.
3.2
Het middel klaagt over de ingangsdatum van de door het hof vastgestelde partneralimentatie, zoals bepaald in het dictum van de bestreden beschikking. In de kern voert het middel aan dat het hof de ingangsdatum van de door hem verlaagde partneralimentatie heeft bepaald op een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak, zonder kenbaar de behoedzaamheid te betrachten die volgens het door het hof (in rov. 6.15) aangehaalde beoordelingskader is geboden.
3.3
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad2.gelden met betrekking tot de door de rechter
te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
3.4
Uit het dictum van de bestreden beschikking volgt dat het hof de door hem verlaagde partneralimentatie heeft laten ingaan op 7 september 2023, dat wil zeggen op een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn beschikking, te weten 19 december 2024. Uit die beschikking blijkt niet dat het hof daarbij de hiervoor in 3.3 bedoelde behoedzaamheid in acht heeft genomen. Het hof heeft niet gemotiveerd waarop zijn keuze berust om de verlaging van de partneralimentatie niet te laten ingaan op of na de datum van zijn beschikking, maar op een eerder gelegen tijdstip. Evenmin heeft het hof – uitgaande van een verlaging van de partneralimentatie met ingang van 7 september 2023 – kenbaar beoordeeld of, en in hoeverre, in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen zij in overeenstemming met haar behoefte aan partneralimentatie reeds heeft uitgegeven in de periode gelegen tussen 7 september 2023 en 19 december 2024.
3.5
Op grond van het vorenstaande slaagt de hiervoor in 3.2 weergegeven klacht.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1
De onderdelen I-1 en 2 van het middel keren zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.15) dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw bij wege van partneralimentatie heeft betaald en dat zijn verzoek daarom als onvoldoende bepaald wordt afgewezen. Volgens de onderdelen heeft het hof met zijn oordeel de vaste rechtspraak van de Hoge Raad miskend.
4.2
Indien de rechter een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage verlaagt met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak en de onderhoudsplichtige in verband daarmee verzoekt om terugbetaling van hetgeen de onderhoudsgerechtigde in de voorafgaande periode te veel heeft ontvangen, moet de rechter aan de hand van de hiervoor in 3.3 weergegeven regels beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen laatstgenoemde in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds heeft uitgegeven. Aan die beoordeling staat niet in de weg dat de onderhoudsplichtige geen of onvoldoende inzicht heeft gegeven in hetgeen hij in de voorafgaande periode daadwerkelijk heeft betaald.
4.3
De hiervoor in 4.1 weergeven klacht treft dus doel. Voor zover onderdeel 3 hierop voortbouwt, slaagt het eveneens.
4.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 30 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑01‑2026
Zie bijvoorbeeld HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, rov. 3.5.1; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2; HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, rov. 3.2.1.
Conclusie 14‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Familierecht. Verlaging partneralimentatie met terugwerkende kracht door appelrechter. Behoedzaamheid rechter vereist. Ingangsdatum. Verzoek tot terugbetaling.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00980
Zitting 14 november 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de man],
hierna: de man,
advocaat: mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
advocaten: mr. J.H.M. van Swaaij en mr. R.J. ter Rele.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze echtscheidingszaak gaat het in cassatie uitsluitend nog over de partneralimentatie. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat de man als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw een bedrag van € 2.948,- bruto per maand dient te betalen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het hof komt tot een lagere draagkracht van de man en stelt de door hem te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht vast op een bedrag van € 18,- bruto per maand. Het verzoek van de man tot terugbetaling van de door hem te veel betaalde partneralimentatie heeft het hof afgewezen. Het hof acht dat verzoek onvoldoende bepaald, omdat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald.
1.2
Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de appelrechter in een geval als het onderhavige behoedzaam gebruik maken van zijn bevoegdheid met terugwerkende kracht een wijziging te brengen in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde onderhoudsbijdrage. Die behoedzaamheid brengt met zich, kort gezegd, dat de rechter moet beoordelen of, en in hoeverre, een uit zijn beslissing voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Van die beoordeling moet de rechter zich rekenschap geven in zijn motivering.
1.3
Gelet op deze vaste rechtspraak zie ik aanleiding om eerst het middel in het incidentele beroep te bespreken. In het incidentele cassatieberoep klaagt de vrouw mijns inziens met succes dat het hof het toepasselijke beoordelingskader bij een beslissing tot verlaging van een onderhoudsbijdrage met ingang van een voor de uitspraak gelegen datum heeft miskend.
1.4
In het principale cassatieberoep komt de man op zijn beurt met succes op tegen de afwijzing van zijn verzoek tot terugbetaling. De beslissing op dit verzoek is mijns inziens gegeven met het antwoord op de uit vaste rechtspraak voortvloeiende vraag of, en in hoeverre een terugbetalingsverplichting van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, indien de alimentatie met terugwerkende kracht wordt verlaagd. Het hof heeft deze vraag wel onder ogen gezien, maar niet kenbaar beoordeeld. Het hof heeft het verzoek tot terugbetaling ten onrechte laten afstuiten op een gebrek aan inzicht in de bedragen die de man aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald.
2. Feiten1. en procesverloop
2.1
Partijen [zijn] met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
2.2
De man heeft bij de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank ingekomen op 13 april 2021.
2.3
De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) vast te stellen van € 3.430,- bruto per maand.2.De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit zelfstandige verzoek.
2.4
De mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 15 december 2022 heeft de rechtbank een voorlopige voorziening vastgesteld die inhoudt dat de man met ingang van 1 november 2022 een bedrag moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw van € 3.585,- per maand.3.
2.6
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2023 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de man € 2.948,- bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.4.De rechtbank heeft haar beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.5.
2.7
Deze beschikking (hierna ook: de echtscheidingsbeschikking) is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.8
De man is op 12 juni 2023 bij het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023. Hij heeft het hof in het petitum verzocht die beschikking “deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen overeenkomstig voormelde grieven”. Een deel van de grieven van de man heeft betrekking op de partneralimentatie. De man heeft in zijn beroepschrift onder meer betoogd dat hij geen draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen (zie grief 3, in het bijzonder onder 16 van het beroepschrift). Ook heeft de man in zijn beroepschrift verzocht om terugbetaling door de vrouw van de te veel door hem betaalde partneralimentatie, als volgt (beroepschrift onder 17):
“Terugbetaling
De man vordert terugbetaling van al hetgeen hij aan de vrouw heeft moeten voldoen krachtens de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023 vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot de dag der algehele voldoening.”
2.9
De vrouw heeft op 20 juli 2023 een verweerschrift ingediend in hoger beroep.
2.10
Zowel het beroepschrift van de man als het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw zijn dus ingediend vóórdat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.11
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 4 september 2024. Partijen zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.12
Bij beschikking van 19 december 20246.(hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof beslist. Het dictum luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
“Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2023, voor zover daarbij de partneralimentatie is bepaald op € 2.948,-- bruto per maand, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2023 als uitkering tot haar levensonderhoud € 18,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
(…).”
2.13
Het hof heeft daartoe allereerst in r.o. 6.1. ten aanzien van de ingangsdatum overwogen:
“Ingangsdatum
6.1.
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is niet in geschil. Het hof zal daarom deze datum ook als ingangsdatum nemen. De echtscheidingsbeschikking is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.”
2.14
Vervolgens heeft het hof in r.o. 6.2. en 6.3. de huwelijksgerelateerde behoefte respectievelijk de behoeftigheid van de vrouw vastgesteld, en in r.o. 6.4. tot en met 6.11. de draagkracht van de man beoordeeld en berekend. Naar het oordeel van het hof bedraagt die draagkracht € 18,- bruto per maand.
2.15
Met betrekking tot het verzoek van de man om terugbetaling heeft het hof het volgende overwogen:
“Terugbetaling
6.14.
De man heeft verzocht om terugbetaling door de vrouw van de te veel door hem betaalde partneralimentatie vanaf 7 september 2023. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
6.15.
Het hof overweegt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365) staat bij het met terugwerkende kracht verlagen van een onderhoudsbijdrage behoedzaamheid voorop, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In onderhavig geval heeft de man het hof onvoldoende inzicht gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald. Het verzoek van de man tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde partneralimentatie zal daarom als zijnde onvoldoende bepaald worden afgewezen.”
2.16
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping ingediend.7.
3. Bespreking van de middelen in het principale en het incidentele beroep
Korte introductie van de cassatiemiddelen en volgorde van bespreking
3.1
Het middel in het principale beroep bestaat uit drie onderdelen en verschillende subonderdelen. De eerste twee onderdelen richten zich tegen r.o. 6.15. van de bestreden beschikking, hiervoor onder 2.15 geciteerd. Het derde onderdeel bevat een voortbouwklacht.
3.2
Het eerste onderdeel klaagt kort gezegd dat het hof, door na te laten zich een beeld te vormen van de terugbetalingsverplichting en te toetsen of die in redelijkheid kan worden aanvaard, de in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde maatstaf inzake terugbetaling heeft miskend, alsmede dat het hof buiten het partijdebat is getreden en de artikelen 149 en 150 Rv heeft miskend met zijn oordeel dat de man het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald.
3.3
Het tweede onderdeel klaagt dat het hof met zijn voornoemde oordeel in r.o. 6.15. inzake het terugbetalingsverzoek (ook) heeft miskend dat het aan de hand van de beschikbare gegevens moet beoordelen of in dit geval terugbetaling van de vrouw kan worden verwacht.
3.4
Het middel in het incidentele beroep keert zich tegen de beslissing in het dictum dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2023 als uitkering tot haar levensonderhoud € 18,- per maand moet betalen. Dit middel klaagt dat het hof het in r.o. 6.15. vooropgestelde kader voor de beoordeling van een verzoek tot verlaging van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht verkeerd en/of onbegrijpelijk heeft toegepast en de vereiste behoedzaamheid bij een beslissing tot verlaging met terugwerkende kracht van een onderhoudsbijdrage heeft miskend.
3.5
De middelen in het principale en het incidentele beroep stellen aldus de toepassing van dezelfde – door het hof in r.o. 6.15. weergegeven – vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde. De middelen hangen nauw met elkaar samen. Het principale beroep is het klaarblijkelijk te doen om de afwijzing van het op terugbetaling gerichte verzoek van de man, terwijl het incidentele beroep de zaak benadert over de band van de ingangsdatum van de door het hof op een lager bedrag vastgestelde partneralimentatie. Ik zie aanleiding om eerst het middel in het incidentele beroep te bespreken, omdat het bestaan van een eventuele terugbetalingsverplichting in de eerste plaats afhangt van de ingangsdatum van de door het hof op een lager bedrag vastgestelde onderhoudsbijdrage. Het hierna te schetsen juridisch kader is gemeenschappelijk en dient ter inleiding van de bespreking van de beide middelen.
3.6
Vooraf merk ik nog op dat in deze zaak een voorlopige voorziening ten aanzien van partneralimentatie is vastgesteld (zie hiervoor onder 2.5). In de bestreden beschikking is het bestaan van deze voorlopige voorziening niet onder ogen gezien, terwijl ook in de middelen deze geen rol van betekenis speelt. Bij de hierna volgende bespreking van de klachten betrek ik deze voorlopige voorziening dan ook niet.8.
Juridisch kader
3.7
De rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt volgens artikel 1:402 lid 1 BW tevens de dag vast van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn. Deze bepaling laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting.9.Dat kan ook een datum zijn die is gelegen voor de datum waarop de rechter beslist. In het geval van partneralimentatie kan de ingangsdatum evenwel gelet op artikel 1:81 BW niet zijn gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.10.
3.8
Alimentatie kan dus met terugwerkende kracht worden vastgesteld en gewijzigd. De rechter moet in het algemeen behoedzaam omgaan met zijn bevoegdheid een wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een gewijzigde onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels:11.
“(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.”
3.9
De in deze rechtspraak bedoelde behoedzaamheid geldt dus niet alleen in geval van een wijziging of intrekking met terugwerkende kracht van een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, maar ook als de appelrechter een lagere onderhoudsbijdrage vaststelt dan de eerste vaststelling door de rechter in eerste aanleg.12.In het navolgende concentreer ik me op die laatste situatie, omdat die zich in deze zaak voordoet.
3.10
Als de appelrechter een in eerste aanleg door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage vernietigt en verlaagt met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum, dan ontstaat voor de alimentatiegerechtigde – in beginsel – een terugbetalingsverplichting voor zover de bijdrage die de alimentatieplichtige in de voorafgaande periode feitelijk heeft betaald, dat (lagere) bedrag overstijgt. Grondslag voor die verplichting is onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).13.
3.11
De appelrechter die tot het oordeel komt dat de onderhoudsbijdrage overeenkomstig de wettelijke maatstaven op een lager bedrag uitkomt dan het bedrag dat de rechter in eerste aanleg had vastgesteld, zal op grond van de hiervoor genoemde vaste rechtspraak moeten stilstaan bij de mogelijke gevolgen voor de alimentatiegerechtigde als de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht op dit lagere bedrag wordt vastgesteld en als gevolg daarvan een terugbetalingsverplichting ontstaat.
3.12
Als de rechter de onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht verlaagt en dus een terugbetalingsverplichting ontstaat, zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten beoordelen of en in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd (zie hiervoor onder 3.8, onder (iii)).
3.13
Bij deze beoordeling dient de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om terug te krijgen hetgeen te veel is betaald, in aanmerking te nemen.14.Verder kunnen van belang zijn: de omvang van de terugbetalingsverplichting, de omvang van de inkomsten en de vermogenspositie van de alimentatiegerechtigde, de vraag of sprake was van een aanvankelijk te hoog vastgestelde behoefte van de alimentatiegerechtigde dan wel een aanvankelijk te hoog vastgestelde draagkracht van de alimentatieplichtige, de vraag in hoeverre voorzienbaar was en de alimentatiegerechtigde er rekening mee heeft kunnen houden dat de alimentatie zou worden verlaagd en de vraag of en in hoeverre de alimentatiegerechtigde de aan alimentatie ontvangen bedragen al heeft verbruikt (in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud).15.
Onzekerheid over feitelijke betalingen
3.14
Zoals hiervoor bleek, is de omvang van het eventueel terug te betalen bedrag ook een van de factoren die van belang is bij beantwoording van de vraag of en in hoeverre in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde terugbetaling kan worden verlangd. Daarvoor is van belang te weten wat in de voorbije periode feitelijk door de alimentatieplichtige is betaald en/of bij deze is verhaald. Alleen voor zover dat bedrag het door de appelrechter vastgestelde bedrag overstijgt, ontstaat immers een terugbetalingsverplichting.16.
3.15
Het is echter niet vanzelfsprekend dat informatie over feitelijke betalingen beschikbaar is in de procedure. Die gegevens behoren ook niet tot de financiële informatie die partijen volgens het procesreglement moeten overleggen.17.Als partijen geen informatie hebben verstrekt over gedane feitelijke betalingen in de verstreken periode, ligt het mijns inziens voor de hand dat de rechter partijen daarnaar vraagt bij de mondelinge behandeling.18.
3.16
In de praktijk komt het ook voor dat de rechter, bij gebrek aan gegevens over feitelijke betalingen in de verstreken periode, in het kader van de beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting uitgaat van het verschil tussen de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage en het lagere bedrag dat de rechter vaststelt. Dan laat de rechter bij zijn beoordeling dus in het midden of en in hoeverre feitelijk is voldaan aan de eerder vastgestelde onderhoudsverplichting.19.Beoordeeld wordt dan of en in hoeverre in redelijkheid terugbetaling van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd, veronderstellenderwijs uitgaand van volledige nakoming door de alimentatieplichtige in de verstreken periode en met toepassing van de hiervoor onder 3.13 genoemde factoren. Ter illustratie verwijs ik naar de volgende overweging van hof Arnhem-Leeuwarden:20.
“5.15 Omdat het in hoger beroep vastgestelde bedrag aan partneralimentatie lager is dan het bedrag dat de rechtbank heeft opgelegd, moet het hof beoordelen of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het eventueel te veel ontvangene aan de man terugbetaalt. Daarbij houdt het hof rekening met het volgende. Als de man volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, dan heeft hij aan de vrouw een bedrag betaald van € 25.662,- (14 x € 1.833,- sinds 24 april 2023). In deze echtscheidingsprocedure wordt voor het eerst vastgesteld of en met welke bijdrage de man in het levensonderhoud van de vrouw moet voorzien, zodat de vrouw er rekening mee moest houden dat de uitkomst van dit hoger beroep van de man kon leiden tot een lagere bijdrage voor haar. De bijdrage die de man moest voldoen (€ 1.833,- per maand), blijkt nu hoger dan zijn draagkracht toeliet (€ 553,- per maand sinds 24 april 2023, in totaal € 7.742,-). Daarnaast weegt het hof mee dat de vrouw over vermogen beschikt omdat zij uit de verrekening van de partnerschapsvoorwaarden recht heeft op een bedrag (van € 123.500,-). Dit leidt ertoe dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij terugbetaalt wat zij (eventueel) te veel heeft ontvangen.”
3.17
Mijns inziens is er ook niets op tegen om bij gebrek aan gegevens over feitelijke betalingen uit te gaan van het verschil tussen de door de rechtbank eerder vastgestelde hogere onderhoudsbijdrage en het door het hof bepaalde lagere bedrag. Dat verschil vormt immers de bovengrens: het bedrag dat de terugbetalingsverplichting maximaal kan behelzen. Als de rechter terugbetaling van dit maximumbedrag in redelijkheid aanvaardbaar acht, dan geldt dat te meer als het terug te betalen bedrag in werkelijkheid lager is doordat de alimentatieplichtige in de voorbije periode niet of niet volledig aan de eerder vastgestelde onderhoudsverplichting heeft voldaan.
3.18
Als de rechter volledige terugbetaling van dit maximumbedrag niet in redelijkheid aanvaardbaar acht, maar terugbetaling van een deel daarvan wel, dan kan hij de mogelijke terugbetalingsverplichting tot een bepaald bedrag beperken.21.Deze redelijkheidsbeoordeling zal de rechter maken aan de hand van de hiervoor onder 3.13 genoemde factoren.
Waartoe leidt het oordeel dat terugbetaling in redelijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd?
3.19
De appelrechter die een lagere partneralimentatie vaststelt en van oordeel is dat terugbetaling in redelijkheid niet kan worden verlangd van de alimentatiegerechtigde, heeft – zo volgt mijns inziens ook uit de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak – twee knoppen waaraan hij kan draaien.
3.20
In de eerste plaats kan hij draaien aan de knop van de ingangsdatum: de rechter kan in dat geval de door hem vastgestelde lagere onderhoudsbijdrage laten ingaan op de datum van zijn uitspraak.22.Dit strookt met de behoedzaamheid die de Hoge Raad van de feitenrechter vergt bij het laten ingaan van een lagere alimentatie dan eerder vastgesteld op een datum die is gelegen voor de uitspraak van de rechter. Consequentie van deze optie is dat de alimentatiegerechtigde dan niet terug hoeft te betalen wat conform de vernietigde uitspraak is betaald tot de ingangsdatum van het nieuwe, lagere bedrag, te weten de datum van de uitspraak. Is in de voorgaande periode echter niet of niet volledig betaald conform de eerdere uitspraak van de rechtbank dan kan de alimentatieplichtige daarop alsnog aanspraak maken. Mocht de appelrechter dit evenmin redelijk vinden, kan hij voor de periode in het verleden het bedrag bepalen op hetgeen in feite is betaald of verhaald. Dat is mijns inziens dan toch een verkapte eerdere ingangsdatum voor een lager bedrag.
3.21
Zuiverder vind ik daarom de tweede knop waaraan de appelrechter kan draaien: bepalen dat van de alimentatiegerechtigde in redelijkheid geen of slechts gedeeltelijk terugbetaling kan worden verlangd. In dat geval stelt de rechter wel met terugwerkende kracht een lagere partneralimentatie vast: met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen ingangsdatum, bijvoorbeeld de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum. Vervolgens oordeelt de rechter dat in redelijkheid − aan de hand van de hiervoor onder 3.13 genoemde factoren − van de alimentatiegerechtigde geen of slechts beperkt terugbetaling kan worden verlangd.23.
Afzonderlijk verzoek tot terugbetaling
3.22
Indien een alimentatieplichtige een afzonderlijk verzoek tot terugbetaling doet van hetgeen hij te veel heeft betaald (onbepaald24.) in geval verlaging met terugwerkende kracht, zal de rechter ook daarop moeten beslissen. De beslissing van de appelrechter op een dergelijk afzonderlijk verzoek tot terugbetaling vloeit voort uit de beoordeling die de rechter ingevolge de hiervoor genoemde vaste rechtspraak al moet verrichten. De rechter die de door hem vastgestelde lagere alimentatie laat ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum dient immers steeds te beoordelen of en in hoeverre terugbetaling in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd.
3.23
Bij deze uit de vaste rechtspraak voortvloeiende beoordeling dient de rechter ook het belang van de alimentatieplichtige om terug te krijgen hetgeen te veel is betaald in aanmerking te nemen (zie hiervoor onder 3.13). Hoewel die vaste rechtspraak strekt ter bescherming van de alimentatiegerechtigde in geval van verlaging van alimentatie met terugwerkende kracht, is in de daaruit, op een afzonderlijk verzoek van de alimentatieplichtige voortvloeiende beslissing dus ook rekening te houden met het belang van laatstgenoemde.
3.24
Voor die beoordeling op grond van de vaste rechtspraak is, zoals hiervoor is toegelicht, informatie over wat feitelijk is betaald weliswaar nuttig, maar niet strikt noodzakelijk.25.Indien de appelrechter van oordeel is dat terugbetaling van het maximaal terug te betalen bedrag (zie hiervoor onder 3.17) in redelijkheid kan worden verlangd, kan genoemd afzonderlijk verzoek tot terugbetaling mijns inziens dan ook zonder meer worden toegewezen. Partijen kunnen nadien aan de hand van de beschikking exact bepalen welk bedrag terug is te betalen. En als dat nul is omdat de alimentatieplichtige niet heeft betaald of niet meer heeft betaald dan wat volgens de beschikking van de appelrechter verschuldigd is, schaadt de toewijzing van dat verzoek tot terugbetaling ook niet.
3.25
Als de appelrechter oordeelt dat gehele terugbetaling niet, maar gedeeltelijke terugbetaling wel in redelijkheid wel kan worden verlangd, kan daar mijns inziens ook in worden voorzien. Zo kan de appelrechter dan bepalen dat moet worden terugbetaald, maar niet meer dan bedrag x per maand, of dat moet worden terugbetaald voor zover meer is betaald dan bedrag x.
3.26
Ik keer terug naar de bespreking van de middelen.
Incidenteel beroep
3.27
Zoals hiervoor onder 3.5 aangekondigd, bespreek ik eerst het middel in het incidentele beroep, nu dit ziet op de ingangsdatum van het door het hof vastgestelde bedrag aan partneralimentatie.
3.28
Het middel is gericht tegen de beslissing in het dictum van de bestreden beschikking dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2023 als uitkering tot haar levensonderhoud € 18,- per maand moet betalen. Het klaagt kort weergegeven dat het hof het in r.o. 6.15. vooropgestelde, op zichzelf juiste, beoordelingskader voor de beoordeling van een verzoek tot verlaging van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht verkeerd en/of onbegrijpelijk heeft toegepast, omdat het hof eraan heeft voorbijgezien dat behoedzaamheid niet alleen betracht moet worden bij een veroordeling tot terugbetaling van uitkeringen tot levensonderhoud, maar ook bij een beslissing tot verlaging met terugwerkende kracht van een uitkering tot levensonderhoud waarbij zo’n veroordeling niet wordt uitgesproken. Immers, de onderhoudsplichtige heeft met deze beslissing in de hand een vordering uit onverschuldigde betaling wat betreft de achteraf bezien te veel betaalde bedragen, aldus kort gezegd het middel. Als het hof het genoemde beoordelingskader niet heeft miskend, dan is zijn oordeel volgens het middel onbegrijpelijk in het licht van dit kader.
3.29
Het middel slaagt.
3.30
Het hof heeft in r.o. 6.1. overwogen, kort weergegeven, dat de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor partneralimentatie, te weten de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, niet in geschil is en dat het hof daarom deze datum, 7 september 2023, ook als ingangsdatum zal nemen (zie hiervoor onder 2.13).
3.31
De door de rechtbank bepaalde ingangsdatum heeft evenwel betrekking op de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting zelf. Die datum dicteert niet zonder meer ook vanaf welke datum het door de appelrechter vastgestelde, lagere, bedrag is verschuldigd. Op laatstgenoemde ingangsdatum en de daaruit mogelijk voortvloeiende gevolgen ziet de hiervoor onder 3.8 aangehaalde vaste rechtspraak.
3.32
Het hof heeft in zijn overwegingen geen kenbare aandacht besteed aan de ingangsdatum van de door hem vastgestelde verlaging van de partneralimentatie tot € 18,- per maand. Pas uit het dictum kan worden afgeleid dat het hof dat lagere bedrag laat ingaan op 7 september 2023.
3.33
Het hof heeft aldus met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage verlaagd. Ingevolge de hiervoor onder 3.8 aangehaalde vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarbij behoedzaamheid geboden. Die behoedzaamheid brengt mee, kort gezegd, dat de rechter in een dergelijk geval steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken moet beoordelen in hoeverre een uit zijn beslissing voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.Het hof heeft in r.o. 6.15. naar die vaste rechtspraak verwezen en heeft deze dus onder ogen gezien, maar heeft er geen blijk van gegeven de daarin aan de rechter voorgeschreven behoedzaamheid aan te dag te hebben gelegd. Aldus heeft het hof het toepasselijke beoordelingskader miskend, dan wel is zijn beslissing onbegrijpelijk.
3.34
Klaarblijkelijk heeft het hof gemeend aan die uit vaste rechtspraak voortvloeiende beoordeling niet toe te (hoeven) komen, omdat het hof het verzoek van de man tot terugbetaling als onvoldoende bepaald heeft afgewezen. Daartoe heeft het hof overwogen dat de man het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij heeft betaald (r.o. 6.15.). Daarmee rijst de vraag welk belang de vrouw heeft bij het slagen van haar klachten in het incidentele beroep. Dat belang is mijns inziens evenwel gegeven, nu ook die afwijzing van het verzoek tot terugbetaling mijns inziens geen stand kan houden, zoals hierna zal blijken.
Principaal beroep
3.35
Dat brengt mij bij het middel in het principale beroep van de man. De onderdelen 1 en 2 van dat middel zijn gericht tegen de beslissing aan het slot van r.o. 6.15. dat de man het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald en dat het verzoek van de man tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde partneralimentatie daarom als onvoldoende bepaald zal worden afgewezen.
3.36
Subonderdeel 1-1 en onderdeel 2 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Beide onderdelen klagen in de kern dat het hof met zijn oordeel in r.o. 6.15. inzake het terugbetalingsverzoek van de man de in de (hiervoor onder 3.8 genoemde) vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf ten onrechte niet heeft toegepast, dan wel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd is. In de genoemde vaste rechtspraak ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en zal zich daarvan kenbaar rekenschap moeten geven. Het hof heeft dat niet gedaan, aldus de klachten.26.
3.37
De klachten van deze onderdelen slagen.
3.38
Vaststelling in appel met terugwerkende kracht van een lager bedrag aan partneralimentatie dan in eerste aanleg, leidt in beginsel tot een terugbetalingsverplichting op grond van artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling), voor zover de alimentatieplichtige in de voorafgaande periode achteraf bezien te veel heeft betaald (zie hiervoor onder 3.10). De appelrechter moet in verband hiermee ingevolge de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd. De rechter verricht die beoordeling aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken en onafhankelijk van een op die terugbetaling betrekking hebbend verweer van de alimentatiegerechtigde.
3.39
In de bestreden rechtsoverweging heeft het hof de hiervoor onder 3.8 geciteerde vaste rechtspraak wel weergegeven, maar vervolgens niet toegepast. Het hof heeft immers niet kenbaar onderzocht of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen zij sinds de door het hof bepaalde ingangsdatum te veel zou hebben ontvangen. Bij zijn beoordeling had het hof de hiervoor onder 3.13 genoemde factoren moeten meewegen, waaronder het belang van de man om terug te krijgen hetgeen te veel is betaald. Ook het oordeel van het hof dat de draagkracht van de man fors lager is dan in eerste aanleg is bepaald en dat de aanvullende behoefte van de vrouw ook lager uitvalt dan in eerste aanleg, betreft factoren die het hof dan had moeten meewegen.
3.40
Die beoordeling of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd, wordt er niet door gehinderd dat de rechter geen informatie heeft over of, en in hoeverre, de alimentatieplichtige in de voorafgaande periode feitelijk aan zijn alimentatieverplichting heeft voldaan. Weliswaar ontbreekt dan het zicht op de daadwerkelijke omvang van het (mogelijk) terug te betalen bedrag, maar de rechter kan dan in zijn beoordeling rekening houden met het bedrag dat ten hoogste moet worden terugbetaald. Indien hij terugbetaling van dit geheel niet redelijk acht, maar van een gedeelte wel, dan kan hij een terugbetalingsverplichting beperken door te bepalen welk bedrag moet worden terugbetaald (zie hiervoor onder 3.18).
3.41
Met het voorgaande is mijns inziens niet verenigbaar dat een afzonderlijk verzoek van de alimentatieplichtige dat is gericht op terugbetaling door de alimentatiegerechtigde van wat − achteraf bezien, gezien de beschikking van de appelrechter − te veel is betaald, wordt afgewezen op de grond dat de alimentatieplichtige geen inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij ten behoeve van het levensonderhoud aan de alimentatiegerechtigde heeft betaald. Met de uitkomst van de ingevolge vaste rechtspraak te verrichten beoordeling is de beslissing op dit afzonderlijke verzoek immers gegeven. De rechter die een terugbetalingsverplichting geheel of gedeeltelijk in redelijkheid aanvaardbaar acht, kan een tot terugbetaling strekkend verzoek dan ook (geheel of gedeeltelijk) toewijzen op de hiervoor onder 3.24 en 3.25 vermelde wijze. Als nadien blijkt dat de alimentatieplichtige al die tijd niet had voldaan aan zijn betalingsverplichting, of niet méér dan de bijdrage die hij volgens de beschikking van de appelrechter verschuldigd is, schaadt de toewijzing van het verzoek – dat ertoe strekt dat moet worden terugbetaald wat te veel werd betaald – de alimentatiegerechtigde niet.
3.42
De klachten van subonderdeel 1-1 en onderdeel 2 slagen dan ook.
3.43
Dan kom ik nu toe aan de bespreking van subonderdeel 1-2. Hierin wordt geklaagd dat het oordeel aan het slot van r.o. 6.15. dat de man het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald in strijd is met de artikelen 149 en 150 Rv en dat het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden. Daartoe wordt kort gezegd betoogd dat in de hiervoor onder 2.8 geciteerde passage uit het beroepschrift van de man besloten ligt dat de man (stipt) aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat de vrouw niet heeft betwist dat zij de bedragen heeft ontvangen. Volgens het subonderdeel had het hof, nu de betaling door de man is komen vast te staan, het verzoek tot terugbetaling moeten toewijzen, althans aan voormelde maatstaf dienen te toetsen.
3.44
Ik stel vast dat het middel in dit subonderdeel (veronderstellenderwijs) meegaat in de kennelijke opvatting van het hof dat de man in het kader van zijn verzoek tot terugbetaling van de te veel door hem betaalde partneralimentatie moet stellen dat en wat hij feitelijk heeft betaald. Die opvatting is mijns inziens niet juist (zie hiervoor onder 3.22 e.v. en 3.41). Voor zover het subonderdeel in verband hiermee niet reeds afstuit op een gebrek aan belang, merk ik het volgende op.
3.45
Volgens het subonderdeel ligt in de stellingname van de man in het beroepschrift – inhoudende dat hij terugbetaling vordert van al hetgeen hij aan de vrouw heeft moeten voldoen krachtens de beschikking van 14 maart 2023 − besloten dat hij stipt aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Echter, nu het beroepschrift dateert van vóór de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, was de in die beschikking vastgestelde alimentatieverplichting nog helemaal niet aangevangen op het moment van zijn stellingname in het beroepschrift. Reeds om die reden kan in het beroepschrift niet de stelling worden ingelezen dat de man (stipt) aan zijn betalingsverplichting uit de echtscheidingsbeschikking heeft voldaan.27.
3.46
Subonderdeel 1-2 faalt gelet op het voorgaande. Wel terecht is overigens de opmerking in het subonderdeel dat voor toewijzing van een verzoek dat strekt tot terugbetaling van wat uit hoofde van de uitspraak van het hof te veel is betaald, “niet exact hoeft vast te staan hoeveel er is betaald’ (zie de procesinleiding p. 4”, onderaan en p. 5, bovenaan). Dat sluit aan bij subonderdeel 1-1 en onderdeel 2, naar de bespreking waarvan ik verwijs.
3.47
Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht, die in het verlengde van onderdelen 1 en 2 slaagt.
3.48
De slotsom is dat de onderdelen 1-1, 2 en 3 van het middel in het principale cassatieberoep van de man doel treffen, evenals het middel in het incidentele cassatieberoep van de vrouw.
3.49
Dat brengt mij bij het volgende.
Schending waarheidsplicht artikel 21 Rv en veroordeling proceskosten?
3.50
De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep (hoofdstuk B.4, onder 8-9) naar voren gebracht dat de man in de cassatieprocesinleiding in strijd met de waarheid heeft gesteld dat hij een bedrag van € 44.220,- (15 maanden x € 2.948,-) aan partneralimentatie aan de vrouw zou hebben betaald. In werkelijkheid is immers volgens de vrouw slechts een bedrag van € 29.970,60 betaald.28.De vrouw verzoekt de Hoge Raad om aan deze schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv de gevolgtrekking te verbinden dat, anders dan in familiezaken gebruikelijk is, de man wordt veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief.
3.51
Ik volg de vrouw niet in dit betoog.
3.52
In de procesinleiding in cassatie van de man is op p. 2 onder het kopje ‘samenvatting van de klachten’ het volgende te lezen (mijn onderstreping; A-G):
“In r.o. 6.15 overweegt het hof inzake het terugbetalingsverzoek van de man dat de man onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald, waardoor het verzoek tot terugbetaling zal worden afgewezen. Hiermee miskent het hof artikel 149 en 150 Rv en treedt het buiten het partijdebat, nu de vrouw helemaal niet heeft gesteld dat zij de bedragen niet ontvangen heeft, maar zich er uitsluitend op heeft beroepen dat zij behoefte en de man draagkracht heeft om het bedrag te voldoen. Met een ingangsdatum van 7 september 2023 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) en de datum van de beschikking van het hof van 19 december 2024 was het door de man reeds betaalde bedrag (15 maanden x (€ 2.948 – € 18,-) derhalve een bedrag van € 43.950,-) geen lastige berekening en ook niet iets dat tot executiegeschillen zou kunnen leiden. Daarom had het hof zelfs al kunnen volstaan met het opleggen van de verplichting om (eventueel) teveel ontvangen bedragen terug te betalen.”
3.53
Artikel 21 Rv schrijft voor dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. In het principale cassatieberoep gaat het om de vraag of het hof het verzoek van de man tot terugbetaling zonder schending van enige rechtsregel, begrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Inzet van het cassatieberoep was niet dat de Hoge Raad zelf het op de terugbetaling betrekking hebbende verzoek zou toewijzen. Daarvoor is ook geen ruimte, nu er in cassatie geen ruimte is voor een partijdebat over de feiten. Hoeveel de man exact heeft betaald, is dan ook voor de beslissing in cassatie niet van belang.29.Reeds om die reden faalt het betoog van de vrouw.
4. Conclusie
De conclusie strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑11‑2025
De onder 2.1 en 2.7 genoemde feiten zijn ontleend aan r.o. 4.1 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4126.
Zie r.o. 2.3.1 van de hierna te noemen echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 14 maart 2023 en de brief van de vrouw van 6 oktober 2022, p. 6 (zie processtuk 7 in het B-dossier).
Deze beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 15 december 2022 (die niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd) is door de vrouw overgelegd als productie 2 bij haar verweerschrift in hoger beroep. Bij beschikking betreffende wijziging voorlopige voorzieningen van 16 februari 2023 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de beschikking van 15 december 2022; zie productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw.
De echtscheidingsbeschikking is niet op rechtspraak.nl gepubliceerd.
Uit het dossier maak ik op dat de vrouw bij het hof ’s-Hertogenbosch een incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de echtscheidingsbeschikking wat betreft de partneralimentatie heeft ingediend. Blijkens de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 november 2023 heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dit verzoek ingetrokken. Het hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar incidentele verzoek in hoger beroep. Zie voor de op dit incidentele verzoek betrekking hebbende stukken de processtukken 15 tot en met 18 in het B-dossier.
In het A-dossier ontbreekt de brief van de advocaat van de vrouw van 6 oktober 2022 met producties (processtuk 7 in het B-dossier), de brief van de advocaat van de vrouw van 13 december 2022 met productie (processtuk 9 in het B-dossier), en de stukken die betrekking hebben op het incidenteel verzoek van de vrouw tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de echtscheidingsbeschikking wat betreft de partneralimentatie en het voorwaardelijke tegenverzoeken van de man (processtukken 15 tot en met 18 in het B-dossier). In het B-dossier ontbreekt de brief van de advocaat van de man van 21 juni 2023 (processtuk 13 in het A-dossier).
Zie over de per 1 juli 2023 gewijzigde regeling over de geldigheidsduur van een voorlopige voorziening partneralimentatie (artikel 826 Rv) en de mogelijke implicaties daarvan in zaken als deze: A.V.T. de Bie, 'Een problematische oplossing. De geldigheidsduur van de (niet meer zo) voorlopige voorziening partneralimentatie', EB 2025/30.
Zie o.m. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631, NJ 2002/185, r.o. 3.4, onder verwijzing naar Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 784, T.M. bij art. 1.17.1.11. Zie recenter nog de conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:1036, onder 3.44, voor HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:21, RFR 2024/42.
Zie HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3567, RFR 2016/31, r.o. 4.1.2, met vergelijkende verwijzing naar oudere rechtspraak.
Zie HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, r.o. 3.2.1, onder verwijzing naar HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, JPF 2020/109, m.nt. P. Vlaardingerbroek, JIN 2020/152, m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.2.2 en HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, JPF 2017/127, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.4. Zie eerder onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, r.o. 3.5.1-3.5.2, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92, r.o. 5.3 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, JPF 2016/99, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.4. Aan dit juridisch kader met betrekking tot wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht en de terugbetalingsverplichting heb ik ook aandacht besteed in mijn recente conclusie, ECLI:NL:PHR:2025:957, onder 3.32-3.34, voor HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1572 (art. 81 lid 1 RO).
De Hoge Raad is daarmee teruggekomen van oudere rechtspraak, die kort gezegd erop neerkwam dat in het laatstgenoemde geval voor de appelrechter geen bijzondere motiveringseisen gelden en het van de omstandigheden van het geval afhangt of de rechter gehouden is te motiveren waarom terugbetaling van het onverschuldigd betaalde kon worden verlangd; zie o.m. HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0434, NJ 2005/226, r.o. 4.3.2 en HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0901, NJ 2007/502, m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 3.5. Zie hierover ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/609 (p. 597).
Zie onder meer HR 17 september 2004, hiervoor aangehaald, r.o. 4.3.2 (“Door de beslissing van het hof (…) kwam aan de andersluidende beslissing van de rechtbank de rechtsgrond te ontvallen, zodat hetgeen de man op grond van deze laatste beslissing aan de vrouw had voldaan onverschuldigd betaald was.”). Vgl. buiten de context van onderhoudsverplichtingen o.m. HR 19 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2854, NJ 1999/367, r.o. 3.3 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052, NJ 2016/358, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JBPr 2016/50, m.nt. L.M. van den Berg, r.o. 3.3.2. Zie hierover ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/609 (p. 597). Vgl. N.A.J.M. Rasenberg, 'Wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht en de terugbetalingsverplichting in het licht van de onverschuldigde betaling', REP 2024/346, onder 1.
HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, r.o. 3.6.3; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132, met red. aantek., r.o. 3.2.4.
Vgl. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1742, JPF 2015/106, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.3.3, onder vergelijkende verwijzing naar HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132, met red. aantek. Vgl. ook reeds HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, r.o. 3.6.1 en 3.6.3. Zie ook de conclusie van voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:20217:176, onder 2.5 met verdere verwijzing, voor HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, JPF 2017/127, m.nt. P. Vlaardingerbroek.
Onder verwijzing naar rechtspraak betoogt Wortmann dat er geen reden is voor behoedzaamheid bij de bepaling van de ingangsdatum van een verlaging of nihilstelling van de alimentatie op een datum in het verleden als blijkt dat er over die periode in het verleden niet is betaald en er daarom geen ingrijpende gevolgen voor de alimentatiegerechtigde in de vorm van terugbetaling ontstaan: S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en Familierecht, art. 1:402 BW, aant. 2 (actueel t/m 1 januari 2025). Zie ook: zie HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8095, NJ 2012/242, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2012/26, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.5 en vgl. ook HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2305, r.o. 3.3. Vgl. hof Amsterdam 16 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:962, r.o. 5.3.4, slot, waarin het hof overweegt dat het niet over een eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw hoef te beslissen, omdat de man tot nu toe geen partneralimentatie heeft betaald.
Zie art. 2.1.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, zestiende versie, juli 2025 (Stcrt. 2025, 20916). Soms zal ten tijde van het instellen van hoger beroep en indiening van het verweerschrift de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde partneralimentatie ook nog niet zijn ingegaan, omdat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zoals ook in dit geval.
Vgl. aldus ook N.A.J.M. Rasenberg, 'Wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht en de terugbetalingsverplichting in het licht van de onverschuldigde betaling', REP 2024/346, onder 5. Rasenberg gaat verder in haar artikel in op de vraag hoe de beslissing “dat de alimentatiegerechtigde niet terug hoeft te betalen” in het dictum kan worden opgenomen in geval van wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht wegens wijziging van omstandigheden. Zij onderscheidt daarbij vier verschillende scenario’s.
Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4101, r.o. 5.15; hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3753, r.o. 5.19; rechtbank Oost-Brabant 15 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2268, r.o. 3.19.
Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4101, r.o. 5.15.
Vgl. rechtbank Oost-Brabant 15 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2268, r.o. 3.19.
Vgl. de handelwijze van het gemeenschappelijk hof van justitie in de zaak die heeft geleid tot HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304 (zie r.o. 3.2 en 4.2.3).
Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3753, r.o. 5.19. Vgl. ook Rb Zeeland-West-Brabant 5 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6012, r.o. 4.30-4.32 (in een wijzigingsprocedure); hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1140, r.o. 5.5 (m.b.t. kinderalimentatie).
Ik ga er daarbij, zoals ook in deze zaak, van uit dat geen concreet terug te betalen bedrag is verzocht.
Dat is denk ik anders wanneer de alimentatieplichtige zijn op terugbetaling gerichte verzoek concretiseert door daaraan een bepaald bedrag te koppelen. Een dergelijk verzoek – dat hier niet aan de orde is – zal naar ik aanneem alleen kunnen worden toegewezen als in de procedure komt vast te staan dat genoemd bedrag (te veel) is betaald.
Onderdeel 2 wordt nader uitgewerkt en toegelicht in de procesinleiding onder 2.1-2.3. De paragrafen 2.1 en 2.2 bevatten mijns inziens geen afzonderlijke klachten, en voor zover dat al zo zou zijn, lopen deze onaanvaardbaar vooruit op de uitkomst van de na cassatie en verwijzing alsnog te verrichten beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting. Dat laatste geldt ook voor de laatste volzinnen van de toelichting op onderdeel 1-1.
De voorlopige voorziening ten aanzien van partneralimentatie die in deze zaak is vastgesteld, speelt in cassatie geen rol en laat ik dus ook bij de bespreking van dit subonderdeel buiten beschouwing. Zie ook hiervoor onder 3.5.
De vrouw heeft als bijlage bij het verweerschrift bankafschriften overgelegd waaruit dit zou blijken. Verder is in het verweerschrift onder 8 een tabel opgenomen waarin is vermeld welke bedragen de vrouw volgens haar van de man ontvangen heeft en op welke data.
Overigens volgt ook uit het door de vrouw verstrekte overzicht van de betalingen dat de man meer heeft betaald dan € 18,- bruto per maand, de onderhoudsbijdrage die het hof heeft vastgesteld (en die in cassatie niet is bestreden).
Beroepschrift 20‑05‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
VERWEERSCHRIFT TEVENS HOUDENDE INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Datum: 20 mei 2025
Geeft eerbiedig te kennen:
Verweerster in het principaal cassatieberoep, tevens incidenteel verzoekster tot cassatie, is [de vrouw] (hierna: de vrouw), wonende te [woonplaats], en zij kiest voor deze zaak woonplaats ten kantore van de advocaten bij de Hoge Raad mrs. J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele (Molenveldlaan 162, 6523 RN Nijmegen), die voor haar dit verweerschrift ondertekenen en indienen.
Verzoeker tot cassatie in het principaal cassatieberoep, tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep, is [de man] (hierna: de man), die woont te [woonplaats] en voor deze zaak woonplaats gekozen heeft ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek.
Hierbij stelt de vrouw incidenteel cassatieberoep in tegen de door de man (principaal) bestreden beschikking (hierna: hoofdstuk A).
Zoals hierna (hoofdstuk B) toegelicht wordt, kan het principaal cassatieberoep niet tot cassatie leiden, omdat het hof niet om de in het principale middel vermelde redenen het recht geschonden of essentiële vormen verzuimd heeft.
A. Incidenteel cassatieberoep
De vrouw voert tegen de beschikking van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 19 december 2024 (zaaknummers: 200.328.276/01 en 200.328.278/01) aan het volgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat in de beschikking, zulks om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
‘Miskenning vereiste behoedzaamheid bij verlaging alimentatie ex tune
Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk en/of onbegrijpelijk is de beslissing in het dictum dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2023 als uitkering tot haar levensonderhoud € 18 per maand moet betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Immers, het hof heeft het beoordelingskader1. miskend dat geldt voor een verlaging met terugwerkende kracht van een onderhoudsbijdrage, inhoudende — kort gezegd — dat de rechter a. behoedzaamheid moet betrachten bij een verlaging met terugwerkende kracht van een uitkering tot levensonderhoud, b. zal moeten beoordelen of een dergelijke verlaging in redelijkheid aanvaard kan worden en, …, indien hij overgaat tot alimentatieverlaging met terugwerkende kracht, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
Uitwerking en toelichting
Het hof heeft het in rov. 6.15 vooropgestelde — op zichzelf juiste — beoordelingskader voor de beoordeling van een verzoek tot verlaging van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht verkeerd en/of onbegrijpelijk toegepast bij zijn hier bestreden beslissing.
Want het hof heeft eraan voorbijgezien dat genoemde behoedzaamheid niet alleen betracht moet worden bij een veroordeling tot terugbetaling van uitkeringen tot levensonderhoud, maar ook bij een beslissing tot verlaging met terugwerkende kracht van een uitkering tot levensonderhoud waarbij zo'n veroordeling niet uitgesproken wordt. Immers, de onderhoudsplichtige kan, indien deze veroordeling niet uitgesproken is, onder verwijzing naar deze beslissing een op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) gebaseerde eis instellen tegen de onderhoudsgerechtigde wat betreft de, gezien deze beslissing, achteraf bezien te veel betaalde bedragen,2. dan wel zijn vordering uit onverschuldigde betaling op de onderhoudsgerechtigde verrekenen met vorderingen van laatstgenoemde. In casu wordt dit laatste ook gesuggereerd in het principale middel.3. Derhalve had het hof, met inachtneming van genoemd beoordelingskader, moeten beoordelen of verlaging met terugwerkende kracht van de onderhoudsbijdrage redelijk is, en van deze beoordeling rekenschap moeten geven in zijn motivering, wat het hof ten onrechte nagelaten heeft.
Indien het hof het genoemde beoordelingskader niet miskend heeft, dan is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van dit kader.
Op grond van dit middel moge het de Hoge Raad behagen om de bestreden beschikking te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht; kosten rechtens, met bepaling dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is indien deze niet voldaan zijn binnen veertien dagen na de datum waarop de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doet.
B. Verweer tegen het principale cassatiemiddel
B.1. Verweer tegen onderdeel 1
1.
Subonderdeel 1-1 bevat in essentie de klacht dat het hof zich bij zijn afwijzing in rov. 6.15 van het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de te veel door de man betaalde partneralimentatie ten onrechte niet, althans niet kenbaar, een beeld ervan gevormd heeft of in redelijkheid een terugbetalingsverplichting van reeds betaalde alimentatie aanvaard kan worden. De klacht verwijst daartoe naar de jurisprudentie van Uw Raad4. over de behoedzaamheid die de rechter moet betrachten bij het met terugwerkende kracht wijzigen van een alimentatieverplichting.
2.
Deze klacht kan om drie redenen slechts falen.
2.1
Ten eerste heeft de man geen belang bij de klacht. Want het hof heeft het terugbetalingsverzoek van de man blijkens deze rov. 6.15 afgewezen op de grond dat hij onvoldoende inzicht gegeven heeft in de bedragen die hij aan de vrouw betaald heeft ten behoeve van haar levensonderhoud. Hierin ligt besloten dat de man naar 's hofs oordeel niet aan zijn stelplicht voldaan heeft. Aldus kwam het hof hoe dan ook niet toe aan een beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting.
2.2
Ten tweede ziet de klacht eraan voorbij dat de rechter zich volgens de bedoelde jurisprudentie alleen rekenschap hoeft te geven in zijn motivering van zijn beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting, indien hij beslist dat alimentatie terugbetaald moet worden.5. Maar in casu heeft het hof juist beslist dat de vrouw géén alimentatie hoeft terug te betalen. Daarom hoefde het hof in zijn motivering geen rekenschap te geven van zijn beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting.
2.3
Ten derde ziet de klacht eraan voorbij dat de bedoelde jurisprudentie over de behoedzaamheid die betracht moet worden bij een wijziging met terugwerkende kracht van een alimentatieverplichting, dient ter bescherming van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de alimentatieplichtige geen geslaagd beroep doen op deze jurisprudentie.
3.
Subonderdeel 1-2 bevat in de kern de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden zou zijn door in rov. 6.15 te oordelen dat de man onvoldoende inzicht gegeven heeft in de bedragen die hij aan de vrouw betaald heeft ten behoeve van haar levensonderhoud.
Ter onderbouwing van de klacht wordt in het subonderdeel het beroepschrift van de man geciteerd, waarin hij gesteld heeft:
‘De man vordert terugbetaling van al hetgeen hij aan de vrouw heeft moeten voldoen krachtens de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023 vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot de dag der algehele voldoening…’6.
Volgens de klacht zou in dit citaat besloten liggen dat de man (stipt) aan zijn betalingsverplichtingen voldaan heeft. De vrouw heeft dit niet betwist, aldus de klacht. Daarom zou het hof volgens de klacht het terugbetalingsverzoek van de man hebben moeten toe wij zen, althans dit verzoek hebben moeten toetsen aan de maatstaf die volgt uit de genoemde jurisprudentie van Uw Raad.
4.
Deze klacht moet falen.
4.1
Ten eerste is uitleg van processtukken feitelijk. Niet onbegrijpelijk is dat het hof hierboven geciteerde stelling van de man niet aldus uitgelegd heeft, dat daarin besloten zou liggen dat hij stipt aan zijn betalingsverplichtingen voldaan zou hebben. Immers, de man heeft slechts terugbetaling verzocht van hetgeen hij heeft moeten betalen aan de vrouw, en niet van hetgeen hij daadwerkelijk betaald heeft.
4.2
Ten tweede ligt in 's hofs oordeel in rov. 6.15 dat de man onvoldoende inzicht gegeven heeft in de bedragen die hij aan de vrouw betaald heeft ten behoeve van haar levensonderhoud, besloten dat de man naar 's hofs oordeel niet aan zijn stelplicht voldaan heeft. Voor het toewijzen van een verzoek tot terugbetaling van alimentatie, is immers vereist dat deze alimentatie daadwerkelijk betaald is, en de man heeft slechts gesteld dat hij terugbetaling vordert van al hetgeen hij heeft moeten betalen, zonder daarbij zelfs maar een concreet bedrag te noemen. Anders dan de man suggereert op blz. 2 van zijn cassatieprocesinleiding onder het kopje ‘Samenvatting van de klachten’,7. behoefde het hof niet zelf te berekenen welk bedrag de man heeft moeten betalen aan de vrouw dan wel betaald zou hebben.
4.3
Ten derde heeft de man in het kader van deze klacht een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum aangevoerd, namelijk dat hij een bedrag van € 44.220 (15 maanden x € 2.948) aan partneralimentatie aan de vrouw zou hebben.8. Bovendien is het feitelijk onjuist dat de man dit bedrag aan de vrouw betaald zou hebben. Want de man heeft in werkelijkheid slechts een bedrag van € 29.970,60 aan de vrouw betaald; zie hierover nader hoofdstukdeel B.4.
B.2. Verweer tegen onderdeel 2
5.
Onderdeel 2 bevat in wezen de klacht dat het hof miskend zou hebben dat de behoedzaamheid die volgens de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad betracht moet worden bij het toewijzen van een terugbetalingsverzoek van reeds betaalde partneralimentatie, een uitwerking zou zijn van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, en dat het in casu niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de vrouw reeds betaalde partneralimentatie moet terugbetalen, nu tussen de man en de vrouw verrekeningen dienen plaats te vinden.
6.
Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting en moet daarom falen. Immers, genoemde behoedzaamheid is geen uitwerking van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
6.1
Want, gezien deze behoedzaamheid, mag een terugbetalingsverzoek van reeds betaalde alimentatie niet spoedig toegewezen worden. Dit terwijl op grond van terughoudendheid die betracht moet worden bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid,9. een terugbetalingsverzoek juist niet spoedig afgewezen zou mogen worden.
6.2
De bedoelde behoedzaamheid is volgens de rechtspraak van Uw Raad10. gebaseerd op de onderstaande passage uit de Toelichting Meijers:
‘Al is dus de rechter bevoegd de aanvangsdatum van de verplichting of van haar wijziging vóór de dag der dagvaarding te stellen — iets wat ten allen overvloede nog uit het derde lid van dit artikel blijkt -, zo dient de rechter desniettemin van deze bevoegdheid een voorzichtig gebruik te maken. De verplichting is immers met een tot het voldoen van een geldsom zonder meer, maar tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze verplichting is minder sprekend, wanneer levensonderhoud voor het verleden dan wanneer het voor de toekomst wordt gevraagd: iemand in het verleden te onderhouden is evenzeer iets tegenstrijdigs als iemand in het verleden te moeten verzorgen. En zeker mag het recht om levensonderhoud te kunnen vorderen niet misbruikt worden om door met het instellen van de actie te wachten, een potje te vormen. Aan de andere kant mogen deze overwegingen niet ten gevolge hebben, dat zij, die levensonderhoud verschuldigd zijn de betaling uitstellen of geheel achterwege laten en het instellen van een procedure door schijnmanoeuvres trachten te voorkomen om aldus minder te behoeven te betalen. Vandaar dat hier een discretionnaire macht aan de rechter is gegeven.’11.
Uit deze passage volgt dat de te betrachten behoedzaamheid verband houdt met het eigen karakter van de verplichting tot betaling van alimentatie. Er zijn geen aanwijzingen dat deze behoedzaamheid gebaseerd zou zijn op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarom moet de klacht falen.
B.3. Verweer tegen onderdeel 3
7.
Onderdeel 3 bevat slechts een voortbouwklacht. Deze klacht moet falen in het voetspoor van de klachten van de onderdelen 1 en 2.
B.4. Schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv) — feitelijk onjuist ontoelaatbaar novum
8.
Zoals hiervóór in § 4.3 reeds vermeld, heeft de man in de cassatieprocesinleiding (blz. 2) in strijd met de waarheid gesteld dat hij een bedrag van € 44.220 (15 maanden x € 2.948) aan partneralimentatie aan de vrouw betaald zou hebben. Want in werkelijkheid heeft de man slechts een bedrag van € 29.970,60 aan de vrouw betaald. Als bijlage bij dit verweerschrift worden bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de man in totaal slechts dit laatstgenoemde bedrag aan de vrouw betaald heeft. In de onderstaande tabel is vermeld op welke data welke bedragen volgens deze bankafschriften de vrouw van de man ontvangen heeft:
Datum | Bedrag (€) |
|---|---|
5 oktober 2023 | 2.529,85 |
6 oktober 2023 | 2.529,85 |
1 november 2023 | 1.779,35 |
1 december 2023 | 1.779,35 |
3 januari 2024 | 1.779,35 |
2 februari 2024 | 1.779,35 |
2 maart 2024 | 1.779,35 |
3 april 2024 | 1.779,35 |
2 mei 2024 | 1.779,35 |
2 juni 2024 | 1.779,35 |
9 juli 2024 | 1.779,35 |
1 augustus 2024 | 1.779,35 |
4 september 2024 | 1.779,35 |
2 oktober 2024 | 1.779,35 |
1 november 2024 | 1.779,35 |
1 december 2024 | 1.779,35 |
Totaal: | 29.970,60 |
De aan de schending te verbinden consequentie
9.
De vrouw verzoekt Uw Raad om aan deze schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv) de gevolgtrekking te verbinden dat, anders dan in familiezaken gebruikelijk is, de man veroordeeld wordt in de proceskosten conform het liquidatietarief.
Met conclusie dat het de Hoge Raad moge behagen om het principale cassatieberoep te verwerpen; met veroordeling van de man in de proceskosten conform het liquidatietarief, met bepaling dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is indien deze niet voldaan zijn binnen veertien dagen na de datum waarop de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doet.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑05‑2025
Onder andere HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2.
Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1263, rov. 3.4; HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, rov. 3.4.2; HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, rov. 3.3.
Cassatieprocesinleiding-blz. 2: ‘Daarbij is bovendien van belang dat er over en weer verrekeningen plaatsvinden, waarbij het e.e.a. kan worden verrekend.’Cassatieprocesinleiding-subonderdeel 2.2: ‘Wanneer er, zoals in casu, over en weer verrekeningen dienen plaats te vinden is een dergelijke situatie naar de aard niet aan de orde.’
Onder andere HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2 (onderstreping toegevoegd): ‘Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.’
Beroepschrift-§ 17.
Cassatieprocesinleiding-blz. 2: ‘Met een ingangsdatum van 7 september 2023 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) en de datum van de beschikking van het hof van 19 december 2024 was het door de man reeds betaalde bedrag (15 maanden x (€ 2.948- € 18,-) derhalve een bedrag van € 43.950,-) geen lastige berekening en ook niet iets dat tot executiegeschillen zou kunnen leiden.’
Zie voetnoot 7. Het in de cassatieprocesinleiding genoemde bedrag van € 43.950 is het bedrag dat de man te veel betaald zou hebben als gevolg van de verlaging van de partneralimentatie met terugwerkende kracht van € 2.948 naar € 18 per maand.
Zie onder andere HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153, rov. 3.1.2; Asser/Sieburgh 6-III 2022/413.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347, rov. 3.2.1.
Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis BW Boek 1, blz. 784.
Beroepschrift 30‑01‑2025
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
Verzoeker tot cassatie is:
De heer [de man], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], verder te noemen: 'de man', in deze zaak te Den Haag woonplaats kiezende aan de Statenlaan 28 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad de Nederlanden mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek, die door hem ten deze tot zijn advocaat wordt gesteld en als zodanig deze procesinleiding ondertekent en indient;
Verweerster te dezen is:
Mevrouw [de vrouw], hierna te noemen: ‘de vrouw’, wonende te ([postcode]) [woonplaats], gemeente [gemeente], aan de [adres], voor wie in hoger beroep is opgetreden mr. M.A. Becking, kantoorhoudende te (5651 GK) Eindhoven aan de Mispelhoefstraat 25 (Advocaten Familie- en Erfrecht)
De man stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 19 december 2024 hierna: de beschikking, gewezen onder zaaknummers 200.328.276/01 en 200.328.278/01.
De man voert tegen de beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in de beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Kern van de zaak
Feiten
i.
Partijen zijn op 30 september 1974 gehuwd en op 14 maart 2023 gescheiden. De echtscheiding is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers. Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant ('s‑Hertogenbosch) de man een alimentatie opgelegd van € 2.948,- bruto per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
ii.
Tegen voormelde beschikking is de man op 12 juni 2023 in hoger beroep gekomen. De man heeft onder andere (voor zover hier van belang) aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft en hij heeft terugbetaling gevorderd van al hetgeen hij de vrouw heeft moeten voldoen krachtens de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023.
iii.
De vrouw heeft bij verweerschrift van 19 juli 2023 onder meer (voor zover hier van belang) aangevoerd dat de man wel draagkracht heeft en aan de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023 moet voldoen. Van terugbetaling kan volgens de vrouw geen reden zijn, nu de vrouw volgens eigen zegge behoefte en de man draagkracht heeft om het bedrag te voldoen1..
iv.
Op 4 september 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Blijkens het p-v van de zitting is niet gesproken over de terugbetaling. Bij beschikking van 19 december 2024 heeft het hof 's‑Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij de partneralimentatie is bepaald op € 2.948,- bruto, vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2023 een bedrag van € 18,- per maand zal betalen.
B. Klachten
Samenvatting van de klachten
Het hof overweegt in r.o. 6.7 e.v. terecht dat voor de berekening van de draagkracht van de man naast zijn AOW-uitkering en pensioenuitkering niet ook moeten worden uitgegaan van een inkomen uit BP Beheer BV in de vorm van salaris en/of dividend, waardoor het hof in r.o. 6.11 tot de terechte conclusie komt dat de man € 18,- per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. In r.o. 6.15 overweegt het hof inzake het terugbetalingsverzoek van de man dat de man onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald, waardoor het verzoek tot terugbetaling zal worden afgewezen. Hiermee miskent het hof artikel 149 en 150 Rv en treedt het buiten het partijdebat, nu de vrouw helemaal niet heeft gesteld dat zij de bedragen niet ontvangen heeft, maar zich er uitsluitend op heeft beroepen dat zij behoefte en de man draagkracht heeft om het bedrag te voldoen. Met een ingangsdatum van 7 september 2023 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) en de datum van de beschikking van het hof van 19 december 2024 was het door de man reeds betaalde bedrag (15 maanden x (€ 2.948- € 18,-) derhalve een bedrag van € 43.950,-) geen lastige berekening en ook niet iets dat tot executiegeschillen zou kunnen leiden. Daarom had het hof zelfs al kunnen volstaan met het opleggen van de verplichting om (eventueel) teveel ontvangen bedragen terug te betalen. Het hof had conform de jurisprudentie van Uw Raad dienen te beoordelen, naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, of en in hoeverre in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd. Door dit niet te doen, heeft het hof de juridische maatstaf miskend. Daarbij is bovendien van belang dat er over en weer verrekeningen plaatsvinden, waarbij het e.e.a. kan worden verrekend. Er is dus geen sprake van iets dat zou zijn verbruikt en tot terugbetalingsproblemen zou (kunnen) leiden.
1.
Het hof oordeelt in rov. 6.15 terecht dat de behoedzaamheid van het met terugwerkende kracht verlagen van een onderhoudsbijdrage voorop staat en dat deze behoedzaamheid meebrengt dat de rechter zal moeten beoordelen of en in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd en zich van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering, maar past deze maatstaf vervolgens ten onrechte niet toe door aan het slot van r.o. 6.15 te oordelen dat de man onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald. Dit oordeel getuigt hetzij van een onjuiste rechtsopvatting (onjuiste want te strenge maatstaf en in strijd met artikel 149 en 150 Rv en het partijdebat), hetzij is dit oordeel onbegrijpelijk, dan wel is het niet toereikend gemotiveerd. Dit wordt hierna verder uitgewerkt en toegelicht.
De maatstaf inzake terugbetaling
1-1
Uw Raad heeft aangaande het verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud beslist (onderstreept door mij, JESG)2.:
- (i)
De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
- (ii)
Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
- (iii)
Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
Deze maatstaf veronderstelt derhalve dat de rechter die met ingang van een in het verleden gelegen datum een wijziging aanbrengt in de alimentatieverplichting zich vooraf een beeld vormt van de terugbetalingsverplichting die daaruit voortvloeit voor de alimentatie-ontvanger en vervolgens toetst of deze terugbetalingsverplichting gelet op alle omstandigheden van het geval zoals gebleken is uit het dossier in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij spelen de financiële omstandigheden van partijen een rol en dan met name of er aanwijzingen te vinden zijn dat er bij de alimentatiegerechtigde voldoende mogelijkheden zijn voor terugbetaling, bijvoorbeeld omdat er over en weer nog huwelijksvermogen moet worden afgewikkeld. Wanneer echter de alimentatiegerechtigde geen eigen middelen heeft en noodgedwongen hetgeen teveel is betaald heeft moeten uitgeven ter voldoeding van een vastgestelde behoefte, dan brengt de behoedzaamheid die de rechter moet betrachten mee dat terugbetaling in redelijkheid kan worden gevergd. Eén van de wijzen waarop een alimentatierechter aan voormelde behoedzaamheid vorm kan geven, is dus te onderzoeken of de alimentatiegerechtigde een andere reële mogelijkheid heeft om hetgeen teveel betaald is terug te betalen (bijvoorbeeld door in te teren op beschikbaar vermogen of te verrekenen met bedragen die zullen vrijkomen uit een verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap).
Het hof heeft dat alles hetzij achterwege gelaten, hetzij daarvan in elk geval in de motivering geen blijk gegeven. Het heeft zich geen, althans niet kenbaar, beeld gevormd van de terugbetalingsverplichting en ook niet getoetst of dat in redelijkheid kan worden aanvaard, hetgeen in de onderhavige zaak beslist zo zou zijn geweest in verband met de bedragen die de man in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de vrouw diende te voldoen, waarmee dit dus verrekend had kunnen worden.
De vrouw heeft immers zelf gesteld: In het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal de man nog ruimschoots aan de vrouw dienen te voldoen (…)3. Door na te laten zich een beeld te vormen van de terugbetalingsverplichting en te toetsen of dat in redelijkheid kan worden aanvaard, heeft het hof de juridische maatstaf miskend.
1-2
Het oordeel is tevens in strijd met artikel 149 en 150 Rv en het hof is buiten het partijdebat getreden, nu de man qua terugbetaling heeft gesteld (vet en onderstreept JESG):4.
‘De man vordert terugbetaling van al hetgeen hij aan de vrouw heeft moeten voldoen krachtens de beschikking van 14 maart 2023 vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot de dag der algehele voldoening.’
Daarin ligt besloten dat de man ook (stipt) aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De vrouw heeft ook niet betwist dat de man maandelijks het door de rechtbank opgelegde bedrag van € 2.948,- heeft voldaan of gesteld dat hij daarmee op enigerlei wijze in gebreke is gebleven. De vrouw stelt daarentegen slechts:5.
- '43.
Voor zover het de terugbetaling betreft (punt 17 van het hoger beroepschrift) is de vrouw van oordeel dat de terugbetalingsverplichting eveneens dient te worden afgewezen.
- 44.
De man stelt onder punt 17 dat de vrouw de ontvangen partneralimentatie dient terug te betalen, die zij ontvangen heeft op basis van de beschikking van 14 maart 2023. Blijkbaar is de man vergeten dat de betalingen tot aan de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking worden verricht en moeten worden verricht op basis van de beschikkingen voorlopige voorzieningen. Deze beschikkingen zijn niet door de man overgelegd.
(…)
- 50.
Op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen dient de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 3.585,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vanaf 1 november 2022. Dit bedrag dient de man aan de vrouw te voldoen totdat de echtscheiding definitief is. Daarna dient de man te voldoen conform de beschikking van uw rechtbank van 14 maart 2023.
Van terugbetaling kan geen reden zijn en de man heeft het verzoek ook niet verder onderbouwd. De vrouw heeft behoefte/aanvullende behoefte en de man heeft draagkracht om dat bedrag te voldoen.'
Kortom: de vrouw heeft niet betwist dat zij de bedragen ontvangen heeft, maar betwist de stelling van de man dat hij dit diende te betalen op basis van de beschikking van 14 maart 2023. Er waren immers ook voorlopige voorzieningen op grond waarvan de man tot betaling verplicht was. De vrouw stelt dat van terugbetaling geen sprake kan zijn, omdat zij (aanvullende) behoefte heeft en de man draagkracht heeft. Zij stelt dus niet dat zij de bedragen niet ontvangen heeft, maar dat de beschikking van de rechtbank moet worden bekrachtigd, waardoor er van terugbetaling geen sprake kan zijn.
Door te oordelen dat de man onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald, treedt het hof aldus buiten het partijdebat (het verzint zelf een afwijzingsgrond) en miskent het artikel 149 en 150 Rv, nu de vrouw dit niet gesteld heeft en niet heeft betwist dat de bedragen door de man zijn voldaan op grond waarvan hij terugbetaling vordert. Daarbij kan de man naar de aard van de zaak ook geen concreet bedrag noemen, omdat niet op voorhand valt vast te stellen wanneer het hof zijn beschikking wijst en evenmin welk exact bedrag wordt opgelegd als alimentatie.
Dit nog daargelaten dat het hof eenvoudig had kunnen toewijzen dat dient te worden terugbetaald hetgeen uit hoofde van de uitspraak van het hof teveel is betaald.
Daarvoor hoeft eenvoudig niet exact vast te staan hoeveel er is betaald. In zoverre is de uitspraak van het hof ook nog onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
Nu de betaling door de man is komen vast te staan had het hof de terugbetalingsvordering moeten toewijzen, althans aan voormelde maatstaf dienen te toetsen.
2
Het hof miskent met zijn oordeel in r.o. 6.15 inzake het terugbetalingsverzoek van de man dat de man onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald, waardoor het verzoek tot terugbetaling zal worden afgewezen, voorts dat in de in onderdeel I.1 genoemde regels (i)-(iii) besloten ligt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.6. Het hof miskent dus (ook) dat het aan de hand van de beschikbare gegevens moet beoordelen of in casu terugbetaling van de vrouw kan worden verwacht. Dit wordt als volgt uitgewerkt en toegelicht.
2.1
Het hof stelt zelf vast in rov. 5.1 dat de rechtbank de man heeft veroordeeld om aan de vrouw betalingen te verrichten en de vrouw zelfs een vordering op de gemeenschap heeft van € 150.000 en op de man van rond de € 100.000,-. Weliswaar dien de vrouw de man uit te kopen terzake van de echtelijke woning, maar per saldo ontvangt de vrouw dan nog ten opzichte van de man. In dat kader kan de teveel betaalde alimentatie eenvoudig worden verrekend.
2.2
Het onder 2.1 gesteld betekent dat de man des te meer belang heeft bij de cassatie, nu het hier in beginsel gaat om een geldvordering die zich in zoverre niet onderscheidt van een geldvordering die echtelieden uit een verdeling van een gemeenschap hebben. Voor een geldvordering heeft als hoofdregel te gelden dat wanneer als gevolg van een rechterlijke uitspraak er sprake is van onverschuldigde betaling, dit dan ook op die grondslag dient te worden terugbetaald. De terughoudende toets is per saldo een uitwerking van de artikelen 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW, te weten dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn indien teveel betaalde alimentatie moet worden terugbetaald wanneer die (1) is verbruikt en (2) er evenmin sprake is van verdere vermogensbestanddelen waarmee die terugbetaling zonder al te veel moeite kan geschieden, bijvoorbeeld door verrekening. Wanneer er, zoals in casu, over en weer verrekeningen dienen plaats te vinden is een dergelijke situatie naar de aard niet aan de orde.
2.3
Het hof heeft dit in onderdeel, 2,2.1 en 2.2 gestelde hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht, althans ontoereikend, gegeven in zijn gedachtegang, dan wel is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
3.
Het slagen van één of meer klachten van vitiëert ook rovv. 7.1, 7.2 en het dictum.
Weshalve:
Verzoeker vordert op grond van dit middel de vernietiging van de aangevallen beschikking met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerster in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen arrest van de Hoge Raad.
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑01‑2025
Verweerschrift vrouw hoger beroep rnr. 44
HR 12-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:871, zie ook:HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225,HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 en HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081.
Verweerschrift vrouw hoger beroep mr. 60
Beroepschrift man rnr. 17
Verweerschrift vrouw hoger beroep mr. 43 t/m 50
Zie onder meer HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, rov. 3.4.