Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.3
2.6.3 Het vast recht
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301323:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Dommering (1983), p. 176-177.
Pres. Rb. Assen 21 maart 1994, gepubliceerd in NJ CM-Bulletin 1995, p. 28-34 (m.nt. N. Verheij).
EHRM 19 juni 2001, Kreuz, 28249/95, Reports 2001-111, NJ B 2001, p. 1574. Het arrest is besproken door R. Lawson in AA 2001, p. 875-881. Een ander (Pools) voorbeeld biedt EHRM 10 januari 2006, Teltronic-CATV, 48140/99, waarin wordt geoordeeld dat de financiële barrières om bij de rechter een vordering in te stellen i.c. in geen verhouding stonden tot het belang van de zaak ('were completely unrelated to the merits of the claim'); zie § 61.
Doorgaans zal het vast recht geen rol van betekenis spelen, omdat het door de bank genomen een gering deel van de totale kosten uitmaakt.1 Uiteraard kunnen echter ook de vaste rechten in een procedure tot een aanzienlijk bedrag oplopen: voor rechtbankprocedures met een belang van meer dan E 11 345 bedraagt het vast recht voor de eisende partij 2,2% (met een maximum van E 4535 voor natuurlijke personen) en bij de hoven en de Hoge Raad 3% (met een maximum van E 5669 voor natuurlijke personen). Anderzijds biedt art. 17 WTBZ aan justitiabelen die voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking komen een niet geringe reductie van de vaste rechten, terwijl de praktijk zich ook wel van constructies bedient om het vast recht kunstmatig laag te houden (bijvoorbeeld door een omvangrijke vordering in rechte te beperken en de uitkomst van de procedure te laten gelden voor het geheel).
Het mag niet zo zijn dat vaste rechten dusdanig hoog zijn dat zij een belemmering vormen voor de toegang tot de rechter. Ik roep in herinnering Principle 11 en 12 van aanbeveling R(81)7 betreffende de Cost of Justice, luidende:
'11. No sum of money should be required of a party on behalf of the state as a condition of commencing proceedings which would be unreasonable having regard to the matters in issue.
12. In so far as the court fees constitute a manifest impediment to justice they should be, if possible, reduced or abolished. The system of court fees should he examined in view of its simplification.'
Dat de onmogelijkheid tot betaling van het vast recht tot een met art. 6 EVRM strijdige blokkering van een (snelle) toegang tot de rechter in het concrete geval kan leiden, werd geoordeeld door de President van de Rechtbank Assen.2 Dat het hier een administratieve procedure betrof (aan de orde was een verzoek van de Milieugroep Anloo tot schorsing van een door de gemeente aan een derde verstrekte standplaats-vergunning), doet aan de strekking van de uitspraak niet af.
Flagrant is het geval dat ter beoordeling kwam aan het Europese Hof in de - eveneens administratiefrechtelijke - zaak Kreuz: Kreuz wilde zich in een procedure bij de rechtbank verzetten tegen de in zijn ogen onrechtmatige weigering van de Poolse gemeente Plock om hem een vergunning te verlenen voor het opzetten van een autowasserij. Volgens het Poolse procesrecht diende hij daarvoor een bedrag aan griffierechten te betalen dat overeenkwam met een gemiddeld Pools jaarsalaris (100 miljoen zloty's); de hoogte van de griffierechten is in Polen gerelateerd aan het financiële belang van de vordering. Het EHRM constateert dat aldus het recht op toegang tot de rechter in zijn kern aangetast werd en constateert een schending van art. 6 EVRM.3