Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.0
2.6.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304906:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus enkele zinsneden uit EHRM 9 oktober 1979, Airey, serie A, vol 32, § 25 en § 26, waarin ook eerdere gefragmenteerde rechtspraak van Hof en Commissie tot uitdrukking komt en waarnaar deels verwezen wordt. 'Airey' is in diverse latere uitspraken van het Europees Hof toegepast, recentelijk in EHRM 15 februari 2005, Steel en Morris, 68416101, NJ B 2006, 39 (E j. Dommering). In EHRM 7 mei 2002, McVicar, appl.nr. 46311/99, Reports 2002-111, oordeelde het Hof echter dat de 'unavailability of legal aid' geen schending van art. 6 EVRM opleverde, maar dat had zijn oorzaak daarin dat de betrokkene in dat geval de mogelijkheid had om zichzelf tegen een 'defamation action' te verdedigen.
Ik laat hier buiten beschouwing de gevallen waarin de gang naar de rechter niet op een vrijwillige keuze berust, maar bijvoorbeeld door een eisende wederpartij min of meer 'opgedrongen' wordt of op noodzakelijkheid berust.
Holzhauer (1993), p. 39.
Zie voor een verslag van de vergadering Jongbloed (1992), p. 1050-1052. Een verkenning van de mogelijke gevolgen van de eigen bijdragen in de rechtsbijstandsverlening werd reeds gemaakt door De Koning c.s. (1992), p. 3 e.v. en Schouten (1993), p. 275.
Zie onder meer De Koning (1994), p. 8-12, Muller (1994), p. 1101-1104 en T. de Waard (1994), p. 367.
A. Klijn e.a., 'De rechtsbijstand herzien. Een evaluatie van de toegangsregulering in de Wet op de Rechtsbijstand', (WODC) 's-Gravenhage 1998. Het vrijgestelde vermogen werd opgetrokken naar E 7300 voor alleenstaanden en E 10 500 in overige gevallen (art. 34 lid 2 WRB).
Zie Frederike de Raat, 'Burger dekt zich in tegen risico's', NRC Handelsblad23-24 oktober 2004. Overigens: het percentage van de bevolking dat voor rechtsbijstand op grond van de wet in aanmerking komt, ligt tegen de 50; zie Barendrecht en Kamminga e.a. (2005), p. 32. Intussen zijn van overheidswege weer nadere maatregelen aangekondigd die moeten leiden tot een besparing in de rechtsbijstand van E 25 miljoen in 2008 en E 50 miljoen in de daarop volgende jaren (zie NJ B 2007, 1812, p. 2165), met - voorzienbaar - een navenante toename van particuliere rechtsbijstandverzekeringen.
Het recht op toegang legt op de lidstaten niet slechts de plicht tot de instelling en inrichting van op maat gesneden (civiele) procesgangen met een minimum aan formaliteiten, maar houdt volgens de Europese rechtspraak tevens de opdracht in om de toegang tot deze procesgangen ook daadwerkelijk mogelijk te maken. De rechtzoekende dient zo weinig mogelijk belemmerd te worden in zijn recht op toegang, ongeacht of die belemmeringen nu van feitelijke aard, dan wel van wettelijke aard zijn, en ongeacht of zij nu bestaan als gevolg van een handelen of nalaten van de overheid.
Op de overheid rust in dit verband de - positief geformuleerde - zorgplicht datgene te doen wat in haar vermogen ligt. Dit aspect van de toegang draagt onmiskenbaar een sociaal karakter, hetgeen de Europese instanties overigens geenszins in strijd met het karakter van het EVRM achten. Het Europees Hof overweegt dienaangaande:
'In the first place, hindrance in fact can contravene the Convention just like a legal impediment. Furthermore, fulfilment of a duty under the Convention on occasion necessitates some positive action on the part of the State; in such circumstances, the State cannot simply remain passive and "there is no room to distinguish between acts and omissions".'
Voorts overweegt het Hof:
'The Court is aware that the further realization of social and economic rights is largely dependent on the situation - notably financial - reigning in the State in question. On the other hand, the Convention must be interpreted in the light of present-day conditions and it is designed to safeguard the individual in a real and practical way as regards those areas with which it deals. Whilst the Convention sets forth what are essentially civil and political rights, many of them have implications of a social or economic nature. The Court therefore considers, like the Commission, that the mere fact that an interpretation of the Convention may extend into the sphere of social and economic rights should not be a decisive factor against such an interpretation; there is no water-tight division separating that sphere from the field covered by the Convention.1
Zoals eerder aangegeven is de overheid bij dit alles vrij in de keuze van de aan te wenden middelen en de te nemen maatregelen om gestalte te geven aan het recht op daadwerkelijke toegang tot de rechter. In het navolgende zal het accent liggen op de maatregelen en middelen die verband houden met de financiële toegankelijkheid tot de rechter, met andere woorden de kostenaspecten (par. 2.6.1-2.63).
De proceskosten waarmee een rechtzoekende te maken kan krijgen betreffen de door de gerechten te heffen vaste rechten, deurwaarderskosten, rechtsbijstandskosten, verschotten en een eventuele kostenveroordeling. In hoeverre kunnen deze kosten een rem vormen op de toegang tot de rechter?2
Ter voorjaarsvergadering 1993 van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht is door Holzhauer de volgende stelling verdedigd:
'Voor zover het gaat om het beheersen van de kosten van rechtspleging (b)lijken kostenfactoren (zoals griffierechten en rechtshulp) slechts een geringe remmende werking te hebben op proces - dan wel schikkingsbereidheid, met andere woorden er is sprake van een in-elastische vraag naar rechtspleging.'3
Hij baseert deze stelling op empirische literatuur, doch nuanceert haar in de toelichting door erop te wijzen dat dit gegeven varieert naargelang het soort problemen (is het probleem zakelijk of niet-zakelijk?). Tevens wijst hij erop dat de prijsgevoeligheid groter zal zijn naarmate het met het probleem gemoeide bedrag geringer is. Een relatief grotere prijsgevoeligheid zal tevens bestaan bij middeninkomens die net wel of net niet in aanmerking komen voor rechtsbijstand. Maar voor het overige zou dus sprake zijn van in-elasticiteit van de behoefte aan het voeren van procedures. Met zijn stelling heeft Holzhauer overigens ter vergadering de nodige weerstand opgeroepen. De wijzigingen van de eigenbijdrageregeling in de Wet op de rechtsbijstand
(WRB) werden dermate ingrijpend geacht dat deze hun effect (namelijk een verminderd beroep op de rechter) naar inzicht van de vergadering niet zouden missen.4
Inderdaad zijn de effecten, reeds kort na de invoering van de WRB op 1 januari 1994, van deze en gene zijde dermate dramatisch geacht dat over een nieuwe leemte in c.q. afscheid van de rechtshulp werd gesproken.5Een evaluatie van de toegangsregulering in de WRB van een paar jaar later heeft geleid tot een wetswijziging waarbij onder meer de bedragen van het vrijgestelde vermogen werden opgetrokken opdat niet een te grote groep rechtzoekenden buiten de boot van de gefinancierde rechtshulp zou vallen.6 Nochtans was dat onvoldoende; thans wordt aangesloten bij het fiscaal heffingvrij vermogen. Onder meer vanwege het feit dat echter toch kennelijk steeds minder mensen met een gering inkomen kunnen terugvallen op gratis of gesubsidieerde rechtshulp, groeien de rechtsbijstandverzekeringen; het aantal polissen stijgt jaarlijks met 10%.7
De afweging (voor zover deze al gemaakt wordt) of het (materiële) belang van de zaak (de kosten van) een procedure waard is, zal met name bepaald worden door slechts enkele van de hierboven vermelde kostenposten. Het gaat voornamelijk om de rechtsbijstandskosten en een eventuele kostenveroordeling. In mindere mate speelt ook het vast recht een rol.