Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/9.1:9.1 De onderzoeksvragen
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/9.1
9.1 De onderzoeksvragen
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS306034:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit promotieonderzoek is begonnen met het formuleren van de onderzoeksvragen:
Wat zijn in geval van insolventie van een werkgever de relevante Nederlandse regels op het gebied van enerzijds het arbeidsrecht en anderzijds het insolventierecht en wat is de ratio achter deze regels?
In hoeverre leidt insolventie van een werkgever, bezien in het licht van de daarop van toepassing zijnde arbeidsrechtelijke en insolventierechtelijke regelgeving, tot spanningen of tegenstrijdigheden tussen de belangen van de verschillende betrokkenen, zijnde werknemers, ondernemingsraden en vakorganisaties, (overige) schuldeisers, UWV/fiscus, de samenleving als geheel, alsook de (aandeelhouder(s) van) gefailleerde zelf?
Hoe kunnen de onder vraag 2. bedoelde spanningen of tegenstrijdigheden, rekening houdend met alle betrokken belangen, op efficiënte en aanvaardbare wijze door (wijziging van) de Nederlandse wetgeving worden opgelost?
Is naast de nationale regelgeving als bedoeld in de vorige onderzoeksvragen ook sprake van relevante Europese regelgeving en, zo ja, in hoeverre worden de antwoorden op vraag 2 en 3 beïnvloed door deze Europese regels?
In een inleidend, historisch georiënteerd hoofdstuk (hoofdstuk 2) is allereerst een beeld geschetst van de relevante regels op het gebied van arbeidsrecht en van insolventierecht. Daaruit is naar voren gekomen dat de stelsels – zacht gezegd – maar matig op elkaar zijn afgestemd. Er bestaat een fundamenteel spanningsveld tussen beide rechtsgebieden en de wijze waarop deze in de rechtspraktijk hun beslag krijgen. Dat spanningsveld vloeit voornamelijk voort uit de werknemersvriendelijke beschermingsgedachte in het arbeidsrecht enerzijds en anderzijds de schuldeisersbenadering in het insolventierecht die is gericht op een zo eenvoudig en goedkoop mogelijke liquidatie van de in deconfiture verkerende werkgever. Dit openbaart zich al sinds het einde van de negentiende eeuw.
Dit spanningsveld heeft – zo is voorts geconstateerd – een sterk dynamisch karakter, dat wordt beïnvloed door juridische factoren (arbeidsrecht versus insolventierecht, ieder met hun eigen principes en systematiek), door maatschappelijke factoren (verschillende politieke en ideologische argumenten) en door het toenemende belang van internationale verhoudingen (Nederlandse regels versus Europese regelgeving). Ook aspecten als globalisering, digitalisering, robotisering, platformisering én de hang naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt (inclusief de tendens naar een nieuw, ruimer werknemersbegrip) beïnvloeden ieder in meer of mindere mate dit proces. Het feit dat sprake is van zo veel en naar hun aard zo verschillende factoren die het proces beïnvloeden, maakt het proces ook oncontroleerbaar en niet altijd even gemakkelijk te duiden. De ontwikkelingen volgen elkaar bovendien in een steeds hoger tempo op, zo is gebleken uit het overzicht dat dit inleidende hoofdstuk biedt.
Daarop is op zes deelgebieden nader, geïntensiveerd onderzoek verricht en in dat kader per deelgebied naar een antwoord op de onderzoeksvragen gezocht. Dit heeft telkens geleid tot conclusies en aanbevelingen die in de volgende paragrafen worden besproken. Het gaat om achtereenvolgens:
Loon;
Beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
Concurrentiebeding;
Doorstart;
Misbruik van faillissement;
Medezeggenschap en overige collectieve aspecten.
Waar gekomen wordt tot aanbevelingen tot aanpassing van wetgeving, heeft het de voorkeur alle regels een plek te geven in de Faillissementswet en niet in het Burgerlijk Wetboek. Dit komt wetssystematisch juister voor: het reguliere arbeidsrecht is geregeld in het Burgerlijk Wetboek (in titel 10 van boek 7), en indien ten gevolge van faillissement of surseance afwijkingen plaatsvinden is dit, zo stel ik voor, in artikel 40 en zo nodig in artikel 40a e.v. Fw (nieuw) geregeld. Waar het gaat om eventuele aanpassing van medezeggenschapsrechten, bepleit ik daarentegen dit omwille van de helderheid, mede ten aanzien van in acht te nemen termijnen en beroepsprocedures, wel in de specifiek dáárvoor bedoelde wet, de WOR, te regelen.