Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.4:5.4 Samenvatting en conclusies
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.4
5.4 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491720:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de tweede onderzoeksvraag centraal:
Op welke wijze kan de rechtsfiguur van de splitsing op rechtvaardige wijze worden verankerd in het Nederlandse vennootschapsbelastingsysteem?
Bij de uitwerking van deze vraag ben ik op zoek gegaan naar toetsingscriteria met als doelstelling het begrip rechtvaardigheid toegespitst op het onderwerp van dit onderzoek (nader) in te kleuren. Ik heb ervoor gekozen drie toetsingscriteria te ontwikkelen aan de hand waarvan de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting kunnen worden getoetst. Deze meetlat geldt uiteraard ook voor verbeteringsvoorstellen. De gekozen toetsingscriteria vertonen overlap met de kwaliteitseisen uit de nota Zicht op wetgeving. Dat is begrijpelijk. Naar mijn mening zijn zowel de door mij ontwikkelde toetsingscriteria als de kwaliteitseisen uit de nota Zicht op wetgeving namelijk concretiseringen van, en zijn daarmee terug te voeren op, de meer abstracte rechtswaarde van rechtvaardigheid.
Mijn drie toetsingscriteria zijn:
De fiscaal-theoretische toets. Deze toets gaat over de vraag in hoeverre de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting de toets aan de achterliggende grondslagen (belastingbeginselen) en doelstellingen kunnen doorstaan. In hoofdstuk 4 zijn de belastingbeginselen geïdentificeerd en is geconcludeerd dat de doelstellingen van bedoelde splitsingsregels daarop zijn terug te voeren. De belastingbeginselen zijn niet absoluut in die zin dat onderlinge spanning kan bestaan. Het gaat dan om het vinden van een wenselijk evenwicht tussen deze belastingbeginselen. Hoewel een evenwicht (mogelijk) op meerdere manieren kan worden bereikt, is mijns inziens geen sprake van vrijblijvendheid in de vormgeving van de splitsingsregels. Naar mijn mening dient namelijk het bestaande (vennootschapsbelasting)kader in het oog te worden gehouden. Bij het vinden van het evenwicht is het proportionaliteitsbeginsel belangrijk.
De fiscaaltechnische toets. Deze toets vormt een aanvulling op de fiscaal-theoretische toets en is gericht op de technische kwaliteit van de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting. In de kern moet worden gelet op gebruikte formuleringen, structuur en vormgeving van die regels.
De toets aan hoger recht. Deze toets houdt in dat de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting moeten voldoen aan belastingverdragen en Europees recht.
Als de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting voldoen aan de drie toetsingscriteria, is naar mijn mening sprake van een rechtvaardige verankering van die regels in het vennootschapsbelastingsysteem.