Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.2:4.2.2.2 Het arrest-Öneryildiz/Turkije
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.2
4.2.2.2 Het arrest-Öneryildiz/Turkije
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448739:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 98-101 (zaaknr. 48939/99).
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 102-109 (zaaknr. 48939/99).
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 135-136 (zaaknr. 48939/99). Zie over dit oordeel in de zaak-Öneryildiz/Turkije ook EHRM 20 maart 2008, Budayeva e.a./Rusland, r.o. 173 (zaaknr. 15339/02).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Öneryildiz woonde met twaalf familieleden in een sloppenwijk bij Istanbul. Deze sloppenwijk lag direct naast een vuilnisbelt die door de overheid beheerd werd. De sloppenwijk was sinds 1972 langzaam en zonder vergunningen ontstaan en Öneryildiz had zijn woning (‘krot’) daar in 1988 gebouwd. In vuilnisbelten vindt methaangasvorming plaats als gevolg van de ontbinding van afval. Het gevormde methaangas kan onder omstandigheden tot ontploffing komen en daarom bestonden er (ook) in Turkije veiligheidsvoorschriften ter zake van de methaangasvorming en andere gevaren die vuilnisbelten kunnen herbergen. In 1993 vond er op de vuilnisbelt inderdaad een methaangasexplosie plaats waarbij 39 mensen in de sloppenwijk omkwamen, onder wie negen familieleden van Öneryildiz. Het ehrm zag zich onder andere voor de vraag gesteld of de Turkse autoriteiten hun positieve verplichting om concrete handelingen (‘preventive operational measures’) te verrichten hadden geschonden. Bij de beantwoording van die vraag ging het na of (1) er een reëel en onmiddellijk gevaar (‘real and immediate risk’) voor de lichamelijke integriteit en/of het leven van een of meer personen bestond en, zo ja, (2) of de autoriteiten van het bestaan van dat gevaar wisten of behoorden te weten.1
Op basis van een analyse van de feiten in deze zaak kwam het ehrm tot het oordeel dat er inderdaad een reëel en onmiddellijk gevaar voor de lichamelijke integriteit en/of het leven van de omwonenden van de vuilnisbelt bestond. Volgens het ehrm stond gezien de feiten bovendien vast dat de Turkse autoriteiten van het bestaan van het reële en onmiddellijke gevaar wisten of hadden moeten weten. Zij hadden daarom volgens het ehrm een positieve verplichting om de noodzakelijke concrete handelingen te verrichten om de omwonenden tegen dat gevaar te beschermen.
Het ehrm ging vervolgens na of de Turkse autoriteiten de noodzakelijke maatregelen ter bescherming van de omwonenden inderdaad hadden genomen.2 Het overwoog in dit verband dat op de overheid geen disproportionele last gelegd moest worden zonder rekening te houden met, vooral, de operationele keuzes die de nationale overheid moest maken ten aanzien van prioriteiten en middelen. Bovendien overwoog het in dit kader dat de nationale autoriteiten een ‘wide margin of appreciation’ hadden vanwege het moeilijke maatschappelijke en technische karakter van de zaak. Deze uitgangspunten konden hen in casu echter niet baten. Het ehrm wees er namelijk op dat de installatie van een ventilatiesysteem voor de gecontroleerde afvoer van het in de vuilnisbelt gevormde gas een effectieve maatregel ter bescherming van de omwonenden zou zijn geweest die niet buitenproportioneel duur was en ook niet de door de Turkse autoriteiten gevreesde beleidsmatige en/of humanitaire problemen zou hebben veroorzaakt. Bovendien zou een dergelijke installatie de vuilnisbelt (meer) in overeenstemming hebben gebracht met de nationale veiligheidsvoorschriften. De Turkse overheid had haar uit artikel 2evrm voortvloeiende positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter bescherming van het leven van de omwonenden van de vuilnisbelt derhalve geschonden.
Öneryildiz klaagde bij het ehrm tot slot ook over een schending van zijn eigendomsrecht ten aanzien van (onder meer) zijn woning. Deze was door de explosie namelijk verwoest. Hierover overwoog het ehrm dat er geen twijfel over bestond dat het causale verband dat het had vastgesteld tussen de grove nalatigheid van de overheid en het verlies van mensenlevens ook van toepassing was op de verwoesting van zijn woning. Het oordeelde dan ook dat de positieve verplichting onder artikel 1ep vereiste dat de overheid ter voorkoming van de verwoesting van de woning van Öneryildiz dezelfde concrete handelingen (‘practical steps’) had moeten verrichten als die zij onder artikel 2evrm had moeten verrichten. Nu die handelingen niet verricht waren, was ook sprake van een schending van artikel 1 ep.3