Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.7.2
II.7.2 De hoogte van de drempel
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460283:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in algemene zin Crijns 2012.
Illustratief: HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2918 (concl. A-G Machielse), NJ 2005/434; JM 2006/32, m.nt. Koopmans; JIN 2005/282, m.nt. Kessler (Binnentanker).
Een paar zaken die te binnen schieten: vrijspraak van verschillende leidinggevenden inzake het methaanlek bij een treinwagon van Odfjell: Rb. Rotterdam 7 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1797; ECLI:NL:RBROT:2018:1799; ECLI:NL:RBROT:2018:1800. Ook de Financieel bestuurder die betrokken was bij beaching door een rederij ging vrijuit: Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2345 (Financieel bestuurder rederij). Net als de HSE medewerker van Sterigenics, Rb. Den Haag 20 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1660 (HSE-medewerker Sterigenics). Zie ook de vrijspraak van een leidinggevende van Chemiebedrijf te Delden, Rb. Overijssel 24 juli 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2944 (Leidinggevende te Delden), en de kritiek hierop van Koopmans 2018. Ook Veenendaal & Velthuis 2020, p. 21 constateren dat het ontbreken van actieve betrokkenheid van de leidinggevende voor bewijsproblemen kan zorgen, hetgeen volgens hen overigens niet problematisch is.
Aldus ook Veenendaal & Velthuis 2020, p. 21.
Zie par. 6.4 van het rapport van de Algemene Rekenkamer, Handhaven in het duister: De handhaving van milieucriminaliteit en -overtredingen, deel 2, 30 juni 2021, te raadplegen op https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2021/06/30/handhaven-in-het-duister.
Uit de bestudering van de vereisten van de verschillende daderschapsvormen en de toepassing van deze daderschapsvormen in de jurisprudentie is gebleken dat natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor milieuovertredingen die zij in bedrijfscontext begaan. Maar hoe is het gesteld met de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel in het milieustrafrecht: kunnen leidinggevenden die te goeder trouw handelen niet te snel strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor bedrijfsmatige milieuovertreding?
In algemene zin kan worden gezegd dat het strafrecht, als ultimum remedium, met terughoudendheid wordt toegepast.1 Dit vertaalt zich in relatief strenge processuele en materiële vereisten voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid. De strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden vormt hierop geen uitzondering. De bestudering van de jurisprudentie en de aansprakelijkheidsvereisten bevestigt dat er zeker geen sprake is van risicoaansprakelijkheid: het maakt niet uit via welke daderschapsvorm de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevende wordt gevestigd, linksom of rechtsom is vereist dat de leidinggevende verwijtbaar heeft gehandeld en op één of andere manier betrokken is geweest bij de schending van het milieuvoorschrift.2
In het juridische kader voor milieuaansprakelijkheid zoals het in dit hoofdstuk is geschetst, hoeft een leidinggevende die te goeder trouw handelt niet bang te zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. In principe leidt goede trouw bij elke bestudeerde daderschapsvorm tot vrijspraak. Goede trouw impliceert immers dat de zorg is betracht die in redelijkheid kan worden gevergd van de leidinggevende met het oog op de voorkoming van de gedraging (waardoor er geen sprake is van functioneel plegen); dan wel dat er geen sprake is van een substantiële bijdrage van de leidinggevende aan de samenwerking gericht op het strafbare feit (waardoor een leidinggevende niet kan worden aangesproken als medepleger); dan wel dat de aanmerkelijke kans op een verboden gedraging niet bewust is aanvaard (waardoor ook niet kan worden voldaan aan de vereisten van feitelijk leidinggeven); dan wel dat het opzet op het bevorderen van het strafbare feit ontbreekt (waardoor ook medeplichtigheid ook afvalt). Zelfs als de leidinggevende onverhoopt wel kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, dan kan de leidinggevende vanwege diens goede trouw mogelijk nog een beroep doen op de strafuitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’.
Dan rijst natuurlijk wel de vraag wanneer er sprake is van een bonafide leidinggevende of goede trouw. In dat kader moet in aanmerking worden genomen dat bedrijven en personen binnen bedrijven worden onderworpen aan veel en soms strenge milieuregels. Die regels dienen te worden nageleefd, en dit levert ook een soms behoorlijk zware zorgplicht op voor leidinggevenden. Zo moeten leidinggevenden onder meer voldoende toezicht houden, werknemers adequaat instrueren en maatregelen treffen ter voorkoming van milieudelicten. Ook moeten leidinggevenden – vaak zelf als normadressaat – op de hoogte zijn en blijven van de regelgeving die op hun activiteiten van toepassing is.
Deze ferme zorgplicht heeft mijns inziens te maken met het belang dat gediend is bij de naleving van milieunormen van het milieu en volksgezondheid. Milieudelicten kunnen grote, soms zelfs onomkeerbare milieuschade of gezondheidsschade tot gevolg hebben. Dat vraagt om voorzorg. Bovendien is de zorgplicht nauw verweven met de bevoegdheid om milieubelastende activiteiten te verrichten; dergelijke activiteiten zijn immers verboden, tenzij ze worden verricht conform (soms strenge) milieuvoorschriften. Voldoende toezicht en het treffen van de juiste maatregelen is dus een verplichting die inherent verbonden is aan het drijven van een milieu-inrichting. Deze maatregelen zijn uitgewerkt in algemene regels of vergunningsvoorschriften zodat de verplichtingen voor bedrijven en (een deel van) hun leidinggevenden soms een zeer concrete inhoud hebben. Gelet op het voorgaande is het mijns inziens terecht dat nalatigheid van leidinggevenden in het kader van milieudelicten eerder leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid dan bij commune delicten.
Is daarmee de drempel voor aansprakelijkheid niet toch nog te laag? Naar mijn idee niet: ik ben in de bestudeerde jurisprudentie geen bonafide leidinggevenden tegengekomen die zijn veroordeeld voor een milieudelict: de geschetste feiten in de bestudeerde rechtszaken gaven geen enkele keer reden om eraan te twijfelen dat er kwade trouw in het spel was. Zelfs leidinggevenden die ogenschijnlijk behoorlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld, werden soms toch vrijgesproken omdat bij hen niet het benodigde opzet kon worden aangetoond, of omdat de mate van betrokkenheid of invloed van de leidinggevende toch niet voldoende werd geacht voor daderschap.3
Het voorgaande levert het beeld op dat leidinggevenden nog steeds fouten kunnen maken zonder dat dit gelijk strafbaar is, en dat voldoende voorzorg in principe leidt tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging. Nog los daarvan heb ik op basis van de bestudeerde jurisprudentie de indruk dat het Openbaar Ministerie niet lichtzinnig of voor kleine fouten ervoor kiest om leidinggevenden te vervolgen. In veruit de meeste rechtszaken is er sprake van een actieve of opdrachtgevende rol van leidinggevende bij het begaan van het milieudelict, en er zijn slechts enkele rechtszaken waarin de leidinggevende wordt vervolgd vanwege een meer passieve rol.4 Ook uit het beeld dat wordt geschetst in een recent rapport van de Algemene Rekenkamer blijkt dat terughoudend wordt omgegaan met strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid: meestal wordt volstaan met een waarschuwing en slechts een klein aandeel (ongeveer 1%) van alle bedrijfsmatige milieuovertredingen wordt strafrechtelijk vervolgd.5 Het voorgaande doet vermoeden dat – zoals het er nu voor staat – een leidinggevende het behoorlijk bont moet maken voordat hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor een milieudelict in bedrijfscontext.
Mocht de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden onverhoopt toch nog scherpe randjes hebben, dan kan artikel 9a Sr mogelijk uitkomst bieden. Op basis van dit artikel kan een rechter na vaststelling dat er sprake is van een strafbaar feit, vanwege de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, besluiten om geen straf of maatregel op te leggen.
Al met al lijken de huidige vereisten niet te resulteren in excessieve aansprakelijkheid, en zijn er diverse waarborgen om te voorkomen dat bestuurders en andere leidinggevenden lichtzinnig aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het begaan van milieuovertredingen, en bovendien lijken alleen ernstige bedrijfsmatige milieudelicten strafrechtelijk te worden vervolgd.