Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.5
8.5 Rechtsmacht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 september 1990, NJ 1991/250.
Zie daarover uitgebreid Van Elst, in: Strafrecht. Tekst & Commentaar. De tekst van het wetboek van strafrecht en enkele aanverwante wetten voorzien van commentaar (2010), p. 13-66. Op 19-20 zijn ook een opsomming van de verdragen en wetgeving met betrekking tot de land- en zeegrenzen. Zie voorts De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht (2009), p. 137-147.
HR 6 april 1954, NJ 1954/368 (Singapore).
Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht (2008), p. 169.
HR 2 februari 2010, LJN BK6328, par. 2.4.
CBb 1 november 2005, IJN: AU5647, JOR 2005/305 (Bema Biotech en Rhein Biotech).
HR 6 april 1915, NJ 1915, p. 427 (Azewijnse paard).
In de art. 2 t/m 7 Sr zijn diverse aanknopingpunten te vinden voor de rechtsmacht van het Nederlandse strafrecht. Als rechtsmacht ontbreekt zal een vervolging door het openbaar ministerie stranden op niet-ontvankelijkheid.1 In art. 2 Sr is het territorialiteitsbeginsel neergelegd met betrekking tot de plaats van het misdrijf. In art. 3 Sr komt het vlagbeginsel voor schepen en vliegtuigen tot uiting, hetgeen een uitbreiding behelst van het territorialiteitsbeginsel. Art. 5 Sr knoopt voor wat betreft de dader aan bij het (actief) nationaliteits- en personaliteitsbeginsel. Waar de Nederlandse rechtmacht zich uitstrekt ongeacht of de delicten binnen Nederland zijn begaan wordt gesproken over het beschermings- of universaliteitsbeginsel. Het gaat hier onder meer om misdrijven tegen de veiligheid van de staat en de valsheid inzake waardepapier (art. 4 Sr). Daarnaast voorziet het (passief) nationaliteits- en personaliteitsbeginsel dat aanknoopt bij de nationaliteit of verblijfplaats van het slachtoffer eveneens in rechtsmacht over de grenzen (zie nogmaals art. 4 Sr).2 Ook buiten het commune strafrecht komen we rechtsmachtuitbreiding tegen. Zo is in art. 3 WED bepaald dat deelneming aan een binnen het Rijk in Europa gepleegd economisch delict strafbaar is ook indien de deelnemer zich buiten het Rijk aan het feit heeft schuldig gemaakt. Het belang van deze bepaling is volgens Doorenbos aanzienlijk verminderd sinds het Singapore-arrest3 waaruit volgt dat strafbare gedragingen van buitenlandse deelnemers aan in Nederland gepleegde delicten veelal in Nederland kunnen worden gesitueerd.4 Voor zover strafbare gedragingen zowel binnen als buiten de landgrenzen hebben plaatsgevonden is het Nederlandse strafrecht gewoon van toepassing. De Hoge Raad hanteert hiervoor de volgende formule:
`Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 27 oktober 1998, LIN 7D1413, NJ 1999, 221).'5
Het Nederlandse bestuursrecht ziet gewoonlijk op datgene wat binnen het Nederlandse territorium plaatsheeft. De nationaliteit van de overtreder zal daarbij veelal geen rol spelen. Zo kan een buitenlandse onderneming komen te vallen onder de rechtsmacht van het Nederlandse financieel toezichtrecht door zich te begeven op de financiële markten in Nederland. Gelet op het Besluit openbare biedingen Wft rusten op een buitenlandse, niet aan de Nederlandse beursgenoteerde onderneming die een openbaar bod voorbereid, uitbrengt of heeft uitgebracht op een Nederlandse beursgenoteerde doelvennootschap diverse openbaarmakingsverplichtingen. Bij niet nakoming kan de AFM een bestuurlijke boete opleggen. Een nog onder de sectorale effectenwetgeving gewezen zaak betrof de vraag of het openbaar bod was gedaan op effecten die weliswaar niet zijn toegelaten tot de notering aan een erkende effectenbeurs, maar wel geregeld worden verhandeld in Nederland (art. 6aWte 1995). Indien die vraag bevestigend moest worden beantwoord had de buitenlandse biedende vennootschap de AFM met betrekking tot de voorbereiding van een openbaar bod op de aandelen van de doelvennootschap moeten informeren op straffe van een bestuurlijke boete. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde:
`De enkele omstandigheid dat een in Nederland gevestigde intermediair is betrokken bij de verhandeling van aandelen Rhein, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de verhandeling plaatsvindt op een effectenmarkt in Nederland. Slechts indien sprake is van een geregeld, in Nederland te lokaliseren samenkomen van vraag en aanbod, zijn beschermenswaardige belangen waarop de Wte 1995 het oog heeft, betreffende een effectieve werking van Nederlandse effectenmarkten en de positie van de belegger op die markt, aan de orde.'6
In zijn noot bij deze uitspraak schrijft Eisma dat het College met de eis dat vraag en aanbod in Nederland moeten samenkomen, een beperktere uitleg lijkt te geven aan het begrip verhandeling in Nederland dan door de wetgever is beoogd en dat het college lijkt te miskennen dat in ons e-tijdperk het lokaliseren, althans in feitelijke zin, van samenkomst van vraag en aanbod van effectentransacties nauwelijks mogelijk en veelal zinloos is. Ik voeg daar aan toe dat men hier de intermediair wil zou kunnen vergelijken met het touw dat werd gebruikt om staande aan de Duitse zijde van de oever een paard, dat aan de Nederlandse overzijde stond, uit Nederland te voeren door het dier door het water te trekken.7