Rb. Den Haag, 06-04-2022, nr. C/09/615931 / KG ZA 21-752
ECLI:NL:RBDHA:2022:3203
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
06-04-2022
- Zaaknummer
C/09/615931 / KG ZA 21-752
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2022:3203, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 06‑04‑2022; (Kort geding)
ECLI:NL:RBDHA:2021:12081, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 27‑10‑2021; (Kort geding)
Uitspraak 06‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Vervolg op vonnissen ECLI:NL:RBDHA:2021:2240 en ECLI:NL:RBDHA:2021:12081. Toepassing 6.:2:10 LID 4 Sv. Erkenning en tenuitvoerlegging Belgisch strafvonnis. Gepensioneerde SURB-magistraat geeft advies over kans op dat v.i. in België zou hebben plaatsgevonden. Veroordeling Staat nieuwe beslissing te nemen.
Partij(en)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/615931 / KG ZA 21-752
Vonnis in kort geding van 6 april 2022
in de zaak van
[eiseres] verblijvende te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. R. van Veen te Utrecht,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 oktober 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:12081);
- de brief van mr. Ten Broeke van 21 januari 2021, met productie 5;
- de brief van mr. Van Veen van 9 februari 2022 tevens houdende een akte wijziging van eis, met producties 9 tot en met 11;
- de brief van mr. Ten Broeke van 23 februari 2022;
- de brief van mr. Van Veen van 24 februari 2022.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 27 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter de Staat een termijn van drie maanden gegeven om de Belgische autoriteiten alsnog te bewegen tot het maken van een gemotiveerde inschatting of, en zo ja onder welke voorwaarden, de Belgische SURB op dit moment en op basis van de thans voorhanden zijnde informatie zou besluiten tot toekenning van v.i. aan [eiseres] na het ondergaan van 1/3e van haar straf. Daarbij heeft de voorzieningenrechter benadrukt dat het aan de Belgische autoriteiten en niet aan de Staat of de voorzieningenrechter is om te bepalen op welke wijze zij deze inschatting maken. De voorzieningenrechter heeft de Belgische autoriteiten in dat verband de mogelijkheid in overweging gegeven om een gepensioneerd SURB-rechter te benaderen.
2.2.
Bij brief van 13 januari 2022 heeft de heer [de dossierbehandelaar] , dossierbehandelaar van de Federale Overheidsdienst Justitie (FOD Justitie) (hierna: ‘ [de dossierbehandelaar] ’) onder meer als volgt aan de Staat bericht:
“Wat betreft de Belgische voorlopige invrijheidstelling met het oog op uitwijzing van het grondgebied (hierna VLV) dient te worden benadrukt dat mevrouw [eiseres] zich op het moment van de overbrenging naar Nederland op 20 juli 2016 nog niet in de tijdsvoorwaarden bevond om een verzoek tot VLV in te dienen bij de strafuitvoeringsrechtbank.
Zij zou zich immers pas op 20 februari 2021 in die tijdsvoorwaarden bevinden.
De strafuitvoeringsrechtbank is aldus van mening dat de positieve of negatieve elementen die mevrouw [eiseres] zou hebben voorgelegd, op geen enkele wijze kunnen worden getoetst en die tot een eventuele VLV-beslissing op de Belgische datum zouden leiden.
Aangezien de VLV-procedure nog een aanzienlijke periode in de toekomst lag is de strafuitvoeringsrechtbank dan ook verrast dat professor [A] van de KU Leuven ten voordele van eiseres [eiseres] een volledig hypothetische uiteenzetting van de VLV-procedure heeft gebracht.
Op het moment van de overbrenging kon immers met geen enkel element ten behoeve van de VLV-procedure rekening worden gehouden omdat deze procedure eenvoudigweg nog niet kon worden aangevat.
We dienen dus te besluiten dat als gevolg van de overbrenging ook de procedure tot vervroegde invrijheidstelling aan Nederland is overgedragen en dat de positieve elementen die mevrouw [eiseres] naar voor brengt ten gunste van haar vervroegde invrijheidstelling dienen te worden aangewend voor de Nederlandse VI-procedure.”
2.3.
Op verzoek van de advocaat van [eiseres] heeft mr. [X] , gepensioneerd ere-magistraat en voorzitter van de Nederlandstalige Brusselse SURB van 1 februari 2007 tot 31 februari 2015 (hierna: ‘mr. [X] ’), een adviesnota opgesteld, waarin hij de bij tussenvonnis verlangde gemotiveerde inschatting heeft gemaakt. In deze adviesnota van 28 januari 2022 valt onder meer het volgende te lezen:
“Mijn opdracht is beperkt tot een inschatting van de kans op vervroegde vrijheidstelling op 1/3 van haar straf ware Mevr. [eiseres] in België gebleven voor de uitzitten daarvan. (…)
Tenslotte een voorafgaande opmerking over het reclasseringsadvies d.d. 23 juni 2020. In vergelijking daarmee waren de verslagen die de SURB ontving vanwege de psychosociale dienst (PSD) van de gevangenissen beduidend uitgebreider én grondiger, zeker in dossiers van langgestraften. In de strafinrichting van Leuven-centraal bijvoorbeeld werd het dossier van langgestraften in de loop van hun detentie regelmatig besproken binnen de multidisciplinaire PSD en werd het PSD-verslag regelmatig aangevuld met een laatste stand van zaken. Bij levensdelicten werden de feiten grondig bestudeerd en besproken, waarvoor in de regel het strafdossier bij het OM werd opgevraagd. Er werden ook altijd meerdere gestandaardiseerde tests afgenomen m.o.o. de opmaak van een wetenschappelijk onderbouwd persoonlijkheidsbeeld van de veroordeelde en in het PSD-verslag werden de resultaten van die tests vermeld en toegelicht. Het betrof onder meer de WAIS (intelligentietest); de MMPI-2 (peilt naar 10 klinische schalen); de PCL-R (peilt naar psychopathie); e.a. In de rubriek “dossierinformatie” van het reclasseringsadvies staat dat gebruik is gemaakt van een aantal onderzoeken, maar die dateren van 2016/2017 of nog eerder. Niet altijd is mij duidelijk op basis van welk voorafgaand of eigen onderzoek daarbij tot een bepaald besluit is gekomen, zoals bijv. bij de beschermende factoren qua recidivegevaar dat er geen sprake is van psychopathie.
(…)
De (…) WERV maakt (…) een onderscheid tussen de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
Dat wettelijk onderscheid is belangrijk bij het maken van de gevraagde inschatting. Mevr. [eiseres] (…) zou vallen onder de regeling van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied (=VIVG) (…)
Ook voor een VIVG zou Mevr. [eiseres] in aanmerking komen op 1/3 van haar straf. Maar de WERV noemt voor VI vijf door de SURB in te schatten mogelijke tegenindicaties (art. 47.§1), voor de VIVG gelden slechts drie van die vijf tegenindicaties (art. 47.§2). Die voor een VI twee extra te onderzoeken potentiële tegenaanwijzingen luiden: (1) de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde; (2) de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid.
In de lijn van de eerst genoemde bijkomende tegenindicatie voor VI (…) stelt art. 48 WERV dat een VI-dossier een sociaal reclasseringsplan moet bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken. Voor en VIVG geldt die vereiste niet.
(…)
Mevr. [eiseres] is naar Belgisch recht sinds 20 februari 2021 in de tijdsvoorwaarden voor een VIVG. (…)
Onderzoek van de wettelijke tegenaanwijzingen:
(…)
Het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten:
(…)
De vraag blijft waarom Mevr. [eiseres] die op het ogenblik van de feiten nog erg jong was (net 23), voordien niets te maken had met criminaliteit en onder invloed stond van haar psychopate mededader MvV, een gevangenisstraf van 28 jaar krijgt opgelegd. (…) Wel blijf ik met die vraag zitten omdat er mogelijk aspecten waren bij de voorbereiding en de uitvoering van de op zich ernstige feiten, die de straftoemeting aan Mevr. [eiseres] nader verklaren. Een grondige bespreking van de voorbereiding en het eigenlijke verloop van de feiten vind ik niet in het reclasseringsadvies noch elders, waardoor mij mogelijk een element ontgaat dat vandaag de dag wijst op een verhoogd gevaar voor het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten bij haar.
Om het gevaar voor nieuwe ernstige strafbare feiten naar behoren te kunnen inschatten ontbreekt verder een meer uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek met gestandaardiseerde tests. Mocht dit concrete dossier indertijd aan onze SURB zijn voorgelegd dan had ik bijkomende informatie gewenst over de gepleegde feiten en over Mevr. [eiseres] haar persoonlijkheid om het recidivegevaar te kunnen inschatten.
Detentiegedrag wordt in de WERV evenmin genoemd als mogelijke tegenindicatie voor een VIVG. Maar herhaald, aanhoudend slecht detentiegedrag wijst toch op een verhoogd recidivegevaar, en moet dus wel degelijk bekeken worden. De [mentor] , mentor van de betrokkene in P.I. [plaats] , geeft aan dat Mevr. [eiseres] zich erg goed gedraagt binnen die inrichting. (…) Die informatie pleit in het voordeel van Mevr. [eiseres] .
Meer elementen die wijzen in de richting van een eerder beperkt gevaar voor ernstige recidive in haren hoofde zijn het verloop van haar leven tot aan het ogenblik dat zij onder de negatieve invloed komt van mededader MvV. (…) Het verhaal van een onzekere, weinig weerbare jonge vrouw die verstrikt geraakt in de netten van een “loverboy” klinkt plausibel. Zij minimaliseert haar eigen rol bij de feiten niet, neemt er verantwoordelijkheid voor op en ze getuigt van schuldbesef. Ze is vragende partij om iets te veranderen aan wie ze is, ze volde een behandeling bij [...] tijdens haar detentie en staat open voor verdere begeleiding. (…) Gelet op haar intrinsieke motivatie, zou het mij geenszins verwonderen dat voor Mevr. [eiseres] een begeleiding voor na haar vrijstelling uitgewerkt zou zijn m.b.t haar post traumatisch stresssyndroom en haar nog pril beter zelfbeeld dat nog niet kon uitgetest worden in de praktijk. Ook het steunend netwerk van familie en een trouwe vriendin is gunstig om herval te voorkomen.
Het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen:
Nergens staat vermeld dat Mevr. [eiseres] de nabestaanden van het slachtoffer zou lastig vallen. (…)
Bovendien moet haar ingeval van een VIVG een algemene voorwaarde worden opgelegd die haar verbiedt om voor de duur van de proeftijd in België te komen (…)
De door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is:
(…)
Mocht het inderdaad kloppen dat zij al enige tijd 15 à 20€ per maand betaalt met het weinige wat zij in de gevangenis verdient, dan zou de SURB aanvaarden dat zij aan deze tegenindicatie is tegemoetgekomen.
(…)
Voorwaarden ingeval van toekenning bij een VIVG:
De WERV voorziet dat ingeval van toekenning van een VIVG de veroordeelde wordt onderworpen aan algemene voorwaarden die altijd gelden en vermeld worden in het beschikkend gedeelte van het vonnis:
art. 55.1º - geen strafbare feiten plegen;
(…)
art. 55.3º - gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de bevoegde diensten van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;
art. 55.4º - de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België (…)
Art. 56 WERV handelt over bijzondere geïndividualiseerde voorwaarden die de SURB kan opleggen bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit (…)
Zoals ik hogerop schreef zou de SURB bij toekenning van een VIVG aan Mevr. [eiseres] wellicht twee bijzondere voorwaarden opleggen in het belang van de slachtoffers. Namelijk een verbod om de nabestaanden van het slachtoffer te verontrusten, en de verplichting tot effectief afbetalen van de schadevergoeding met bedragen in functie van haar inkomen. (…)
Besluit:
Verschillende elementen in het dossier van Mevr. [eiseres] maken dat sprake is van een dossier dat gunstig oogt voor wat betreft de toekenning van een VIVG was zij haar straf verder in België blijven ondergaan.
Op basis van de voorhanden zijnde informatie uit de vijf genoemde stukken kan ik evenwel niet stellen dat een VIVG haar hoogstwaarschijnlijk was verleend op 1/3 van haar straf, dit is op 20 februari 2021 (…) Zowel een grondige bespreking van de feiten als een meer uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek met testen ontbreken, terwijl die beide informaties m.i. onontbeerlijk zijn om in dit concrete dossier het gevaar voor ernstige recidive goed te kunnen inschatten.
(…)
Concreet voor wat Mevr. [eiseres] betreft indien zij haar straf verder in België had ondergaan, acht ik het weinig aannemelijk dat zij op 1/3 van haar straf in VIVG zou zijn gegaan. Ik meen wel, gezien de vele positieve elementen die nu al in haar dossier voorhanden zijn, dat zij met grote waarschijnlijk in VIVG zou gaan één tot twee jaar na haar toelaatbaarheidsdatum.”
2.4.
[eiseres] heeft naar aanleiding van de adviesnota van mr. [X] haar eis gewijzigd. Zij vordert thans de Staat te bevelen haar uiterlijk op 21 februari 2022 voorwaardelijk in vrijheid te stellen onder de in de adviesnota gestelde voorwaarden althans op enige in goede justitie te bepalen datum vóór 21 februari 2023, zulks met bevel aan de Staat om haar binnen een week na de datum van dit vonnis te laten deelnemen aan een penitentiair programma en met veroordeling van de Staat in de proceskosten. Daartoe stelt [eiseres] dat de bij tussenvonnis verlangde inschatting niet door de Belgische autoriteiten is gemaakt. Daarbij merkt [eiseres] (nogmaals) op dat een dossierbehandelaar van FOD Justitie ( [de dossierbehandelaar] ) niet als een Belgische autoriteit kan worden aangemerkt en in ieder geval niet namens de SURB kan spreken. [de dossierbehandelaar] heeft bovendien de zaak beoordeeld naar het moment van strafoverdracht, hetgeen volgens [eiseres] blijkens de vonnissen van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2240) en 27 oktober 2021 niet juist is. Als gevolg hiervan zijn volgens [eiseres] haar detentiegedrag in Nederland en de resocialisatie-inspanningen die zij zich tijdens Nederlandse detentie heeft getroost ten onrechte nog steeds niet meegewogen. Uit de adviesnota van mr. [X] volgt volgens [eiseres] dat zij in België hoogstwaarschijnlijk tussen 21 februari 2022 en 21 februari 2023 onder voorwaarden voor VIVG in aanmerking zou zijn gekomen. Hierdoor kan naar de mening van [eiseres] de Minister in redelijkheid niet blijven weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Volgens [eiseres] handelt de Staat onrechtmatig jegens haar door haar na 21 februari 2022 in detentie te houden.
2.5.
De Staat heeft zich achter het standpunt van [de dossierbehandelaar] geschaard dat het detentieverloop na de feitelijke overbrenging van een veroordeelde naar Nederland slechts een rol kan spelen in de Nederlandse v.i.-procedure. De mogelijkheid van eerdere (buitenlandse) v.i. dient naar de mening van de Staat te worden beoordeeld op het moment dat door de Minister op een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis wordt beslist. Daarmee is volgens de Staat de kous af. Indien na erkenning en tenuitvoerlegging het latere detentieverloop nog aanleiding zou kunnen geven voor een hernieuwde beoordeling van een eerdere v.i., zou dat volgens de Staat leiden tot een in redelijkheid niet te aanvaarden last voor de uitvoeringspraktijk en aanleiding kunnen geven tot herhaalde verzoeken om het Nederlandse detentieverloop te wegen en een daarop gebaseerd beroep op eerdere v.i. telkens opnieuw te beoordelen. Die beoordeling zou bovendien moeten plaatsvinden door anderen dan degenen die daartoe in de WERV zijn aangewezen, hetgeen die beoordeling bovendien speculatief maakt. Ook kunnen volgens de Staat de door [eiseres] overgelegde stukken niet door de Belgische autoriteiten worden getoetst, omdat daartoe noodzakelijke stukken ontbreken en de SURB c.q. een gepensioneerde SURB-rechter [eiseres] niet over haar resocialisatie-inspanningen kan bevragen. Subsidiair stelt de Staat dat de adviesnota van mr. [X] de conclusie rechtvaardigt dat bij de huidige stand van zaken een verzoek van [eiseres] om v.i. door de SURB zou zijn afgewezen. Daarbij wijst de Staat erop dat mr. [X] constateert dat informatie over de rol van [eiseres] bij de voorbereiding en uitvoering van de roofmoord en een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek ontbreken, waardoor het recidivegevaar niet goed kan worden beoordeeld. Daarmee is volgens de Staat een vervroegde v.i. niet zeker of hoogstwaarschijnlijk en in ieder geval staat de thans door [eiseres] beoogde v.i.-datum van 21 februari 2022 niet vast. In dit kort geding kan naar de mening van de Staat niet vooruit worden gelopen op de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek en een diepgravend onderzoek naar bedoelde rol van [eiseres] . In deze ontbrekende informatie kan volgens de Staat in dit kort geding niet alsnog worden voorzien. Ten slotte stelt de Staat dat [eiseres] in haar vordering tot deelname aan een penitentiair programma niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu daartoe een met voldoende waarborgen omklede specifieke rechtsgang ter beschikking staat.
2.6.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De Staat gaat er wederom ten onrechte vanuit dat de vraag of een veroordeelde in de veroordelende staat eerder voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen uitsluitend kan worden beoordeeld op het moment waarop door de Minister over een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis wordt beslist. Zoals in het vonnis van 10 maart 2021 is overwogen, getuigt die veronderstelling van de Staat van een te enge interpretatie van artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Niets staat er aan in de weg dat de Minister in een later stadium alsnog gebruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv. De Staat is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld de Belgische autoriteiten nogmaals te bewegen tot het maken van een gemotiveerde inschatting of, en zo ja onder welke voorwaarden, de SURB op basis van de op dit moment voorhanden zijnde informatie v.i. aan [eiseres] zou hebben toegekend na het ondergaan van 1/3e van haar in België opgelegde straf. De Staat heeft naar aanleiding van het tussenvonnis met de FOD Justitie overleg gevoerd over het maken van die inschatting. Uit de schriftelijke reactie van [de dossierbehandelaar] volgt dat de Belgische autoriteiten, waarvan de FOD Justitie een onderdeel is, niet bereid zijn c.q. zich niet in staat achten om de verlangde inschatting te maken. Volgens [de dossierbehandelaar] kwam [eiseres] ten tijde van haar overbrenging naar Nederland nog niet voor v.i. in aanmerking. Het detentiegedrag en de resocialisatie-inspanningen tijdens de Nederlandse detentie kunnen, zo volgt uit dit standpunt, niet door de Belgische autoriteiten worden getoetst; deze kunnen uitsluitend in een Nederlandse v.i.-beoordeling worden betrokken. Gelet op deze reactie, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter weinig zinvol om de Staat te verplichten zich opnieuw ter zake met de Belgische autoriteiten te verstaan. Anders dan de Staat stelt, is daarmee in het specifieke geval van [eiseres] de kous nog niet af.
2.7.
Sinds het tussenvonnis zijn er immers nog meer aanwijzingen voorhanden dat [eiseres] in België eerder voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen. Behoudens de in het tussenvonnis besproken aanwijzingen, is er nu ook de adviesnota van mr. [X] , oud-voorzitter van de SURB. Aan die adviesnota komt een groot gewicht toe. Het is immers de SURB die in België over een verzoek van [eiseres] om v.i. zou hebben beslist. De SURB is echter niet bereid c.q. in staat om de verlangde hypothetische inschatting te maken. Het advies van een gepensioneerde SURB-rechter over de Belgische v.i.-datum van [eiseres] komt het dichtst in de buurt van een beoordeling door de SURB en is in dit geval dan ook het maximaal haalbare. De Staat wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat op de adviesnota van mr. [X] geen acht moet worden geslagen. In zijn adviesnota heeft mr. [X] de eerder vergeefs van de Belgische autoriteiten verlangde inschatting aan de hand van de thans beschikbare informatie over [eiseres] wel gemaakt. In zoverre is de zaak van [eiseres] vrij uitzonderlijk en is de door de Staat gestelde vrees voor brede precedentwerking niet reëel. Mr. [X] heeft logischerwijs een hypothetische inschatting gemaakt, aangezien [eiseres] als gevolg van de erkenning op 13 december 2018 van haar Belgische strafvonnis haar (omgezette) straf in Nederlandse detentie uitzit en door mr. [X] vanzelfsprekend niet kan worden beschikt over alle informatie waarover de SURB bij detentie van [eiseres] in België wel zou hebben kunnen beschikken. Mr. [X] constateert in zijn adviesnota (evenals [de dossierbehandelaar] ) dat [eiseres] in Belgische detentie had kunnen verzoeken om voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied (VIVG). [eiseres] zou volgens mr. [X] een dergelijk verzoek vanaf 20 februari 2021 in België hebben kunnen indienen. Daarbij zou de SURB hebben moeten beoordelen of sprake is van tegenaanwijzingen voor VIVG. Bij VIVG behoeft volgens mr. [X] op grond van de WERV aan minder tegenaanwijzingen te worden getoetst dan bij ‘reguliere’ v.i. Mr. [X] constateert dat bij gebreke van een grondig inzicht in de feiten (rol van [eiseres] bij de voorbereiding en uitvoering van de roofmoord) en een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek met gestandaardiseerde tests (waarover de SURB wel zou hebben kunnen beschikken), het recidivegevaar door hem onvoldoende kan worden ingeschat. Van het bestaan van de overige twee tegenaanwijzingen lijkt volgens mr. [X] in het geval van [eiseres] geen sprake. Daarbij gaat het om het risico dat [eiseres] slachtoffers zou lastig vallen en haar geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met haar vermogenssituatie in detentie. Als gevolg van het feit dat het recidivegevaar onvoldoende kan worden ingeschat, acht mr. [X] het weinig waarschijnlijk dat aan [eiseres] VIVG zou zijn toegekend na 1/3e van haar Belgische straf. Ondanks het ontbreken van informatie om de recidivekans naar behoren te kunnen inschatten, concludeert mr. [X] dat het vanwege de vele positieve elementen in haar strafdossier wel in hoge mate waarschijnlijk is dat de SURB op enig moment tussen 20 februari 2022 en 20 februari 2023 VIVG aan [eiseres] zou hebben toegekend.
2.8.
Het is gelet op de conclusie van mr. [X] naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoogstwaarschijnlijk dat de SURB uiterlijk op 20 februari 2023 – en dus niet reeds zoals [eiseres] stelt op 20 februari 2022 – VIVG aan [eiseres] zou hebben toegekend als zij haar straf in België had uitgezeten. Dit heeft tot gevolg dat de Minister in redelijkheid niet kan weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv om uiterlijk per die datum v.i. aan [eiseres] toe te kennen. De Staat zal dan ook worden veroordeeld om opnieuw te beslissen over de gebruikmaking van in de in artikel 6:2:10 lid 4 Sv. gegeven bevoegdheid, met inachtneming van het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is aan de Staat, niet aan de voorzieningenrechter, om de v.i. datum van [eiseres] vast te stellen. Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor de conclusie dat de Staat onrechtmatig handelt door [eiseres] na 20 februari 2022 in detentie te houden. Het is tevens aan de Staat om de komende periode, zoveel mogelijk in samenspraak met (de advocaat van) [eiseres] in kaart te brengen wat nog nodig is om [eiseres] uiterlijk per 20 februari 2023 voor v.i. in aanmerking te laten komen. Ook zal de Staat moeten beoordelen of aanleiding bestaat om (bijzondere) voorwaarden aan de v.i. te verbinden. Hierbij geeft de voorzieningenrechter de Staat in overweging om de door mr. [X] gedane suggesties in die beoordeling te betrekken. Van de Staat mag verlangd worden dat hij uiterlijk binnen drie maanden tot een besluit komt over de verlening van v.i. en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden; deze termijn zal in het dictum worden opgenomen.
2.9.
Ten slotte moet in deze procedure nog worden beslist op de vordering van [eiseres] om de Staat te bevelen haar deel te laten nemen aan een penitentiair programma. [eiseres] is in die vordering niet-ontvankelijk. Zoals de Staat met juistheid heeft gesteld, kan [eiseres] bij een weigering van de selectiefunctionaris om haar deel te laten nemen aan een penitentiair programma beroep in stellen bij de RSJ. Daarmee staat haar een met voldoende waarborgen omklede bijzondere rechtsgang ter beschikking en is voor de voorzieningenrechter geen taak weggelegd. Overigens komt het de voorzieningenrechter praktisch voor dat in het kader van de (opnieuw) te nemen beslissing op het verzoek om v.i. het verzoek van [eiseres] om deelname aan een penitentiair programma eveneens opnieuw wordt beoordeeld.
2.10.
De Staat zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
2.11.
[eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in geval van een toevoeging de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Uit het exploot kan niet worden opgemaakt dat dergelijke kosten zijn gemaakt. Gelet op het voorgaande wordt de Staat veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en tot vergoeding van het – hierna in het dictum vast te stellen – salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1.
beveelt de Staat om met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen binnen drie maanden na de datum van dit vonnis opnieuw te beslissen over de gebruikmaking van de in artikel 6:2:10 lid 4 Sv. gegeven bevoegdheid ten gunste van [eiseres] ;
3.2.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering tot deelneming aan een penitentiair programma;
3.3.
veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.609,--, waarvan € 85,-- aan griffierecht men € 1.524,-- aan salaris advocaat;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.
mw
Uitspraak 27‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Staat dient Belgische autoriteiten nogmaals te verzoeken een gemotiveerde inschatting te maken van de kans dat de Belgische strafuitvoeringsrechtbank (SURB) op basis van de huidige beschikbare informatie tot verlening van v.i. aan eiseres zou overgaan
Partij(en)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/615931 / KG ZA 21-752
Vonnis in kort geding van 27 oktober 2021
in de zaak van
[eiseres] verblijvende te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. R. van Veen te Utrecht,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 augustus 2021, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de op 6 oktober 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd en [eiseres] een overgelegde handgeschreven brief heeft voorgedragen.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is – nadat zij onder de garantie van ‘teruglevering’ aan België was overgeleverd – bij arrest van 28 september 2015 door het Hof van Assisen wegens het medeplegen van een levensdelict veroordeeld tot een onherroepelijke gevangenisstraf van 28 jaar.
2.2.
De Belgische Federale Overheidsdienst Justitie (hierna: ‘FOD Justitie’) heeft op 18 december 2015 aan de Staat bericht dat [eiseres] om overbrenging naar Nederland had verzocht. Bij dit bericht was gevoegd het Certificaat als bedoeld in het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 (hierna: ‘het Kaderbesluit’). In het bericht valt onder meer te lezen dat [eiseres] naar Belgisch recht mogelijk voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: ‘v.i.’) in aanmerking komt na het ondergaan van een derde van de sanctie (dit is vanaf 20 februari 2021) en dat het aan de Belgische Strafuitvoeringsrechtbank (hierna: ‘SURB’) zou zijn om hierover te oordelen.
2.3.
Bij beslissing van 29 juni 2016 heeft de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’) onder toepassing van het bepaalde in artikel 2:11 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) geoordeeld dat aanleiding bestaat de in de Belgische uitspraak aan [eiseres] opgelegde gevangenisstraf naar Nederlands recht aan te passen tot een gevangenisstraf van 23 jaar.
2.4.
De Staat heeft op 1 juli 2016 aan de FOD Justitie bericht dat v.i. naar Nederlands recht plaatsvindt nadat 2/3 van de straf is ondergaan. Daarbij is erop gewezen dat naar Nederlands recht van deze regel kan worden afgeweken als de buitenlandse datum van v.i. vóór de Nederlandse datum ligt en deze ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ vaststaat.
2.5.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 13 juli 2016 besloten tot erkenning en tenuitvoerlegging van de in België aan [eiseres] opgelegde veroordeling, met dien verstande dat de duur van de gevangenisstraf daarbij is bepaald op 23 jaar. Daarbij heeft de Minister van Justitie en Veiligheid verklaard dat in het geval van [eiseres] de reguliere Nederlandse v.i-regeling van toepassing is en dat [eiseres] dientengevolge in Nederland vanaf 20 februari 2027 voor v.i. in aanmerking komt.
2.6.
[eiseres] heeft de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: ‘de Minister’) bij brief van 13 december 2018 verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarbij heeft [eiseres] betoogd dat zij vanwege haar positieve houding en ontwikkeling tijdens detentie in België op 20 februari 2021 voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen. De Minister heeft dit verzoek op 12 februari 2019 afgewezen. Die afwijzing is onder meer als volgt gemotiveerd:
“Reeds nu toekenning van de Belgische voorwaardelijke invrijheidstelling onderwerp is van een gerechtelijke procedure bij de Belgische Strafuitvoeringsrechtbank staat een datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling niet met een grote mate van waarschijnlijkheid vast.
(…)
Op het moment van beoordeling van het certificaat van de Belgische autoriteiten voor mevrouw [eiseres] , stond de Belgische datum van voorwaardelijke invrijheidstelling niet met zekerheid vast, noch was sprake van een grote mate van waarschijnlijkheid. Om die reden kon er geen Belgische datum worden gehonoreerd en was voor uw cliënte de reguliere Nederlandse regeling van toepassing. Of in het geval van uw cliënte de Belgische Strafuitvoeringsrechtbank zou zijn overgegaan tot toewijzing van voorwaardelijke invrijheidstelling, weten we niet, omdat de uitvoering van straf reeds aan Nederland was overgedragen.”
2.7.
[eiseres] heeft op 24 juni 2020 een gratieverzoek ingediend, waarbij zij heft verzocht de datum van invrijheidstelling te bepalen op 20 februari 2021. De advocaat-generaal bij het ressortspakket Arnhem-Leeuwaarden heeft op 25 september 2020 negatief geadviseerd. Ook het hof heeft op 27 oktober 2020 ten aanzien van dit verzoek negatief geadviseerd. De Minister heeft het verzoek op 12 januari 2021 in lijn met het advies van het hof afgewezen. In het advies van het hof valt onder meer het volgende te lezen:
“Het hof begrijpt dat kennelijk wordt aangevoerd dat veroordeelde bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf in België na ommekomst van een derde deel van de straf voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld.
(…)
Het hof merkt op dat op basis van de voorliggende stukken – waaronder zich geen de veroordeelde betreffende stukken van Belgische autoriteiten bevinden die daarop duiden – niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf in België zeker of waarschijnlijk op dat moment voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld.
Voor het overige is naar het oordeel van het hof thans geen sprake van omstandigheden die zo zwaarwegend en bijzonder zijn dat gezegd zou moeten worden dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.”
2.8.
Bij brief van 4 november 2020 heeft de advocaat van [eiseres] de Minister verzocht zijn beslissing van 12 februari 2019 te heroverwegen. Bij dit verzoek was gevoegd een rapportage van prof. dr. [A], hoogleraars strafrechtelijk sanctierecht aan de KU Leuven (hierna: ‘[A]’). [A] heeft in deze rapportage onbezoldigd de vraag of [eiseres] naar zijn professionele inschatting in België voor strafuitvoeringsmodaliteiten (meer in het bijzonder v.i.) in aanmerking zou zijn gekomen als volgt beantwoord:
“Mijn professionele inschatting van de stukken die mij werden overgemaakt, is dat het mij hoogstwaarschijnlijk lijkt dat mevrouw [eiseres] , als ze haar strafuitvoering in België zou hebben ondergaan, van de strafuitvoeringsrechtbank op basis van de Wet op de Externe rechtspositie strafuitvoeringsmodaliteiten zoals de voorwaardelijke invrijheidstelling zou krijgen. Waarschijnlijk zou de strafuitvoeringsrechtbank daarbij bijzondere voorwaarden opleggen, zoals een contactverbod met de hoofddader, met de slachtoffers(tenzij eventueel in het kader van herstelbemiddeling), een tijdelijk verbod om te komen in de gemeente of streek van de slachtoffers en een verplichting tot het voortzetten van de individuele psychologische begeleiding.”
2.9.
De Minister heeft het verzoek tot heroverweging bij brief van 18 november 2020 afgewezen. Daarbij wees de Minister erop dat [A] geen rechter is, zodat ook na diens advies niet met grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat [eiseres] in België voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen.
2.10.
[eiseres] heeft de Staat bij dagvaarding van 4 januari 2021 in kort geding betrokken. In die procedure (met zaak- en rolnummer C/09/605088 / KG ZA 20-1265) vorderde [eiseres] de Staat te bevelen haar op 20 februari 2021, althans binnen twee dagen na datum vonnis, voorwaardelijk in vrijheid te stellen. [eiseres] stelde daartoe – kort gezegd – dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt door de Belgische v.i.-regeling niet op haar van toepassing te verklaren en haar niet op 20 februari 2021 voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
2.11.
De Staat heeft de dagvaarding van 4 januari 2021 met producties (dus met inbegrip van de rapportage van [A]) voorgelegd aan de Belgische autoriteiten. Daarop is een reactie per e-mail gekomen van FOD Justitie, Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, die is ondertekend door mevrouw [B], dossierbeheerder (hierna: ‘[B]’). Die reactie behelsde onder meer het volgende:
“Tot slot kunnen wij u garanderen dat de V.I. nooit na 1/3 zou zijn ingetreden, gezien de ernst van de feiten.”
2.12.
Bij vonnis van 10 maart 2021 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [eiseres] afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter – verkort weergegeven – het volgende overwogen:
- -
de Minister kan van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv gebruik maken als zeker of hoogstwaarschijnlijk is dat v.i. in het land van veroordeling wordt verleend;
- -
onjuist is het standpunt van de Staat dat het voorgaande uitsluitend beoordeeld kan worden op het moment van de beslissing tot erkenning van het buitenlandse vonnis (in het geval van [eiseres] dus op 13 december 2018); de Minister kan in een later stadium alsnog van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv gebruik maken;
- -
beoordeeld moet worden of er aanwijzingen zijn dat het zeker of hoogstwaarschijnlijk is dat de SURB op basis van de thans voorhanden zijnde informatie v.i. aan [eiseres] zou verlenen; alleen wanneer hiervan sprake is, zal de Minister niet en zeker niet zonder meer mogen weigeren van voormelde bevoegdheid gebruik te maken;
- -
er is, gelet op a) de rapportage van [A], b) de door de Mentor PIW van [eiseres] verstrekte informatie, c) de uitgebreide rapportage van Bureau strafrechtadvies [… 1] en [… 2] en d) de gegevens over haar verblijfplaats en werk bij verlening van v.i., in het geval van [eiseres] mogelijk sprake van dergelijke aanwijzingen;
- -
vanwege de door [eiseres] aangedragen informatie mag van de Minister een inspanning worden verwacht om te verifiëren of die informatie de conclusie wettigt dat hoogstwaarschijnlijk is dat in België v.i. aan [eiseres] verleend zou zijn of in de nabije toekomst verleend zou worden;
- -
onvoldoende is dat een Belgische ambtenaar heeft verklaard te garanderen dat een SURB geen v.i. zou toestaan; van de Staat mag worden verlangd dat hij een serieuze onderbouwing verlangt, waarin meer dan oppervlakkig wordt ingegaan op de door [eiseres] aangedragen informatie;
- -
de Minister kan de weigering om gebruik te maken van de bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv in redelijkheid niet baseren op de reactie van [B]; er zal alsnog een beoordeling moeten plaatsvinden of de SURB naar de (gemotiveerde) inschatting van de Belgische autoriteiten hoogstwaarschijnlijk op basis van de huidige informatie zou overgaan tot verlening van v.i., terwijl daarbij ook betrokken kan worden de vraag welke voorwaarden daarbij mogelijk zouden worden gehanteerd;
- -
voor toewijzing van de vordering, waarvoor als maatstaf geldt dat de Minister in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van diens in artikel 6:2:10 lid 4 Sv gegeven bevoegdheid is het te vroeg.
2.13.
De Staat heeft bij e-mail van 17 maart 2021 – onder gelijktijdige toezending van het vonnis van de voorzieningenrechter van 10 maart 2021 – onder meer als volgt aan [B] bericht:
“Er zal alsnog een beoordeling moeten plaatsvinden of de SURB naar de gemotiveerde inschatting van de Belgische autoriteiten ‘hoogstwaarschijnlijk’ op dit moment, op basis van de huidige informatie, zou overgaan tot verlening van v.i., terwijl daarbij ook kan worden betrokken de vraag welke voorwaarden daarbij mogelijk zouden worden gehanteerd.
Daarom aan jullie de vraag of jullie nader willen onderzoeken of mevrouw [eiseres] – op basis van de overgelegde informatie van de advocaat – al dan niet in aanmerking zou komen voor v.i. na 1/3 deel van haar straf en zo ja, onder welke voorwaarden. Het dient dus een onderbouwde beoordeling te zijn. Hebben jullie een idee hoe jullie dit kunnen onderzoeken? Wellicht is het een idee om het aan een magistraat voor te leggen die zich bezighoudt met de tenuitvoerlegging van straffen (weet niet of dat bij jullie bestaat, bij ons heb je een executie advocaat-generaal) of de SURB zelf?”
2.14.
[B] heeft de e-mail van de Staat van 17 maart 2021 diezelfde dag doorgestuurd naar mevrouw [substituut procureur], substituut procureur des konings bij het Belgische Openbaar Ministerie (hierna: ‘[substituut procureur]’). [substituut procureur] heeft op 17 maart 2021 onder meer als volgt aan [B] bericht:
“Als ik het goed begrijp wil betrokkene gebruik maken van het beste van twee werelden? Op ogenblik van de overbrenging zat zij ongeveer 5 jaar in detentie en was zij nog voor geen enkele maatregel toelaatbaar. Er is tot op dat moment voor het OM van de SURB dus geen dossier aanhangig gemaakt en er zijn aan het OM van de SURB ook geen verslagen bekend omtrent de detentie van mevrouw. Ondertussen is de termijn van een VI naar Belgisch recht (waarvoor mevrouw destijds duidelijk niet opteerde) inderdaad gepasseerd, met name vanaf 20.2.2021 had zij in aanmerking kunnen komen, cfr de wettelijke bepalingen van de Wet Externe rechtspositie
(…)
Als OM is het onmogelijk een uitspraak te doen omdat België een casuïstische benadering hanteert die gebaseerd is op uitgebreid onderzoek door de PSD van betrokkene, de feiten, het recidivegevaar en de reclasseringspeilers (verblijfplaats, onderzoek opvangmilieu, dagbesteding, inkomsten, therapeutische begeleiding, …)
We hebben geen enkel inzicht over haar detentiegedrag, risicotaxaties, …tijdens haar verblijf in de gevangenis in België, laat staan de “mogelijke” criminogene en beschermende factoren die naderhand zouden worden bepaald in België.
We hebben als OM geen glazen bol en ook de SURB rechtbank zal/kan zich niet uitspreken over een hypothetische situatie zonder enige informatie ten gronde.
Alleszins lijkt het mij persoonlijk wat optimistisch van de advokaat van betrokkene om te spreken van een ‘met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van een toekenning’. De SURB beoordeeld dergelijke zwaarwichtige feiten doorgaans erg grondig en gemotiveerd dus het is zeker niet zo dat dit een quasi automatische toekenning is. Helaas kan ik u dan ook niet echt verder helpen.
2.15.
Bij e-mail van 17 maart 2021 heeft [B] als volgt aan de Staat bericht:
“Wij hebben, zoals u hieronder kan zien, navraag gedaan bij de SURB. Echter kunnen zij ons ook niet meer meedelen qua informatie dan diegene wij voorheen hebben meegedeeld. Betrokkene kwam op het moment van de tussenstaatse overbrenging nog helemaal niet in aanmerking voor V.I. En net zoals de substituut procureur des Konings hieronder weergeeft: wij hebben geen glazen bol waaruit duidelijk kan worden gesteld dat de 1/3e regel NIET met zekerheid vaststond.”
2.16.
De Staat heeft bij e-mail van 18 maart 2021 als volgt aan [B] bericht:
“Ik zie dat het parket heeft gekeken naar de situatie zoals die was op het moment van overbrenging van mevrouw [eiseres] . Wat de voorzieningenrechter vraagt, is een beoordeling van de ontwikkelingen tijdens detentie in Nederland en een beoordeling van de voorspellende waarde daarvan voor een SURB-beoordeling. Met andere woorden, als we aannemen dat het gedrag tijdens Nederlandse detentie (zie de producties van mevrouw [eiseres] die ik eerder stuurde) ook in Belgische detentie zou zijn getoond, wat was dan de waarschijnlijke beoordeling door de SURB geweest? Het parket kijkt naar de stand van zaken bij haar vertrek naar Nederland en niet naar haar inspanningen tot resocialisatie tijdens de Nederlandse detentie.
Is het mogelijk om aan het parket de producties van de advocaat te tonen waaruit het gedrag van mevrouw [eiseres] in detentie in Nederland blijkt en ze te vragen om aan de hand daarvan een inschatting te maken? Ik voeg ze voor de zekerheid nogmaals toe.”
2.17.
[B] heeft bij e-mail van 19 maart 2021 als volgt aan de Staat bericht:
“Ik moet u jammer genoeg meedelen dat het verzoek van de voorzieningenrechter puur hypothetisch is en eigenlijk onmogelijk getoetst kan worden. Het is dan ook niet mogelijk voor de SURB deze inschatting te maken.”
2.18.
De advocaat van de Staat heeft [substituut procureur] bij e-mail van 23 april 2021 verzocht om een telefonisch onderhoud. Dekonick heeft bij e-mail van 26 april 2021 als volgt op dit verzoek gereageerd:
“Ik heb uiteraard geen bezwaar op zich tegen een mondeling onderhoud maar in deze meen ik dat het weinig tot geen zoden aan de dijk zal brengen.
Wij kunnen werkelijk geen hypothetische veronderstellingen maken, niet op basis van een detentie in België, maar ook niet op basis van elementen uit het Nederlandse detentieverloop.
Wat u ons vraagt is het nederlands dossier voor te leggen aan een hypothetisch samengestelde strafuitvoeringsrechtbank in België en dan een inschatting te wagen. Dit gaat niet.
Het lijkt me bv. meer aangewezen dat u aan de FOD Justitie in België objectiveerbare cijfers opvraagt die aantonen hoeveel verzoeken VI worden ingewilligd na 1/3e (of worden afgewezen). Dit biedt u een objectieve weergave van de kansen die mevrouw in België had gehad (maar waarvoor ze duidelijk niet koos op dat moment).”
2.19.
[A] heeft naar aanleiding van voormelde mailwisseling tussen de Staat, [B] en [substituut procureur] bij e-mail van 17 juni 2021 in aanvulling op zijn rapportage als volgt aan de advocaat van [eiseres] bericht:
“Het is duidelijk dat de Belgische justitie haar verwijt het ‘beste van twee werelden’ te willen, terwijl net daar inderdaad veel voor te zeggen valt: strafuitvoering dicht bij huis met voorbereiding van de re-integratie. Of dat dan in Vlaams-Brabant of in Noord-Brabant is, zou in de EU als rechtsruimte steeds minder belang moeten hebben. De correspondentie geeft aan dat het O.M. (en de FOD Justitie) de VO nog steeds als gunst of beloning zien, niet als de norm, d.w.z. niet als de door de wet voorziene verdere uitvoering van de straf buiten de gevangenis. Al moeten ze erkennen dat de wet dat niet doet, ze verschuilen zich achter de SURB waarbij de zaak nooit aanhangig kan worden gemaakt.
Omdat niemand binnen de Belgische justitie beschikbaar lijkt om de door de Nederlandse rechter gevraagde hypothetische oefening te doen, zie ik maar één mogelijkheid. Dat een gepensioneerde Belgische strafuitvoeringsrechter hiertoe zou worden uitgenodigd. Het blijft een hypothetische oefening, maar een door iemand met kennis van zaken en geloofwaardigheid/gezag.
Naar Belgisch recht zou zij inderdaad in aanmerking komen voor penitentiair verlof, als zij nog in België had gezeten.”
2.20.
[eiseres] heeft de Staat verzocht de door [A] voorgestelde beoordeling door een gepensioneerde SURB-rechter mogelijk te maken. De Staat heeft dat verzoek afgewezen.
3. Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te bevelen haar binnen twee dagen na datum van dit vonnis voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Subsidiair vordert [eiseres] de Staat te bevelen haar binnen twee dagen na datum van dit vonnis met penitentiair verlof te laten gaan als bedoeld in de Regeling Tijdelijk Verlaten van de Inrichting en haar ook daarna te laten deelnemen aan het Penitentiair Programma als bedoeld in de Penitentiaire Beginselenwet, zowel primair als subsidiair met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar primaire vordering wijst [eiseres] erop dat tot op heden niet – zoals door de voorzieningenrechter verlangd – een gemotiveerde inschatting door de Belgische autoriteiten is gemaakt of de SURB op basis van de huidige beschikbare informatie hoogstwaarschijnlijk tot verlening van v.i. zou zijn overgaan. Volgens [eiseres] zijn de door haar in de vorige kortgedingprocedure overgelegde producties, waaronder de rapportage van [A], niet door [B] aan [substituut procureur] ter beschikking gesteld. Ook wijst [eiseres] erop dat het Belgische OM, waarvan het volgens [eiseres] maar zeer de vraag is of het als een autoriteit kan worden aangemerkt, er kennelijk nog steeds vanuit gaat dat de door de voorzieningenrechter gestelde vraag moet worden beantwoord aan de hand van de situatie ten tijde van de strafoverdracht in 2016. Voorts betrekt het Belgische OM volgens [eiseres] ten onrechte de ernst van het gepleegde strafbare feit bij de beoordeling en merkt het v.i. ten onrechte (in strijd met de WERV) aan als een gunst in plaats van een recht. Het antwoord van de Belgische autoriteiten is daarmee naar de mening van [eiseres] zowel onrechtmatig als onwetmatig. De Staat heeft hierop bericht dat het daarmee wat hem betreft ophoudt. Volgens [eiseres] heeft de Minister onder de huidige omstandigheden in redelijkheid niet kunnen volharden in zijn weigering gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv. De Staat handelt daarmee naar de mening van [eiseres] onrechtmatig jegens haar. Daarbij wijst [eiseres] erop dat op grond van het Kaderbesluit in geval van strafoverdracht de meest gunstige v.i.-regeling dient te worden toegepast. Volgens [eiseres] zit zij als gevolg van de strafoverdracht in Nederland zes jaar langer vast dan wanneer zij haar straf in België zou hebben ondergaan. Hierdoor slinken volgens [eiseres] haar kansen op een succesvolle re-integratie en bovenal de kans op moederschap. [eiseres] is van mening dat zij met de door haar overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in België hoogstwaarschijnlijk vanaf 20 februari 2021 voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen, te meer nu van tegenaanwijzingen voor v.i. in de zin van de WERV niet is gebleken.
3.3.
Ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering stelt [eiseres] dat zij in België met ingang van 20 februari 2020 voor penitentiair verlof in aanmerking zou zijn gekomen. [eiseres] verwijst daarbij naar de artikelen 6 en 7 WERV. Ook in dat opzicht stelt [eiseres] dat zij als gevolg van de strafoverdracht in een nadeligere positie is komen te verkeren. De Staat handelt volgens [eiseres] onrechtmatig door haar dit verlof in Nederland te weigeren.
3.4.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
4.1.
Evenals in de vorige door [eiseres] aangespannen kortgedingprocedure geldt ook in deze procedure als uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging van de in België aan [eiseres] opgelegde gevangenisstraf wordt beheerst door het Nederlandse recht. Dit betekent dat in beginsel de Nederlandse v.i.-regeling (v.i. na 2/3e deel van de straf) van toepassing is. De Minister kan echter op de voet van artikel 6:2:10 lid 4 Sv bepalen dat v.i. op een eerder tijdstip kan plaatsvinden, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Hiervoor moet zeker of hoogstwaarschijnlijk zijn dat [eiseres] – zoals zij betoogt – in België na het ondergaan van 1/3e deel van haar straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Daarbij gaat het erom of de Belgische SURB daartoe op basis van de thans voorhanden zijnde informatie zou besluiten. Zoals in het vorige kortgedingvonnis is overwogen, zijn er vanwege de door [eiseres] aangedragen informatie mogelijk aanwijzingen dat de Belgische SURB daartoe zou besluiten. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [eiseres] van de Staat mag verlangen dat hij de Belgische autoriteiten verzoekt een gemotiveerde inschatting te maken of, en zo ja onder welke voorwaarden, de SURB daartoe op dit moment op basis van de huidige informatie zou besluiten. Vervolgens is de Minister in staat tot een afgewogen oordeel te komen over de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, tot verlening van de verlangde v.i. kan worden overgegaan.
4.2.
De Staat heeft ten verwere betoogd dat hij met het doen van navraag bij de Belgische autoriteiten aan de op hem rustende onderzoeksplicht heeft voldaan. De Belgische autoriteiten hebben te kennen gegeven dat het niet mogelijk is om in het geval van [eiseres] hypothetische veronderstellingen te maken, niet op basis van een detentie in België en evenmin op basis van elementen uit het Nederlandse detentieverloop. Volgens de Staat rust op de Minister – ook als de Belgische autoriteiten ter zake geen uitsluitsel geven – niet de verplichting om zelfstandig te beoordelen of [eiseres] in België na ommekomst van 1/3e deel van haar straf voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen. Die beoordeling is immers voorbehouden aan de SURB. Bij die stand van zaken is naar de mening van de Staat voor de Nederlandse kortgedingrechter geen rol weggelegd. Zulks klemt volgens de Staat temeer nu het hof in het kader van het door [eiseres] ingediende gratieverzoek reeds over de door [eiseres] gestelde strafverzwaring heeft geadviseerd. Aan dit advies, dat een oordeel behelst van een bijzondere rechter, komt volgens de Staat een zeer groot gewicht toe. Uit dit advies blijkt volgens de Staat van een tweeledige beoordeling. Het hof concludeert in zijn advies in de eerste plaats dat niet aannemelijk is geworden dat [eiseres] bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van haar straf in België zeker of hoogstwaarschijnlijk na 1/3e deel van haar straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Er is volgens het hof dus geen sprake van verzwaring. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat er geen sprake is van een grond voor gratie uit hoofde van het in de Gratiewet geformuleerde toetsingskader. Volgens de Staat is dit advies uitgebracht na kennisneming van de stukken die [eiseres] ook in de kortgedingen aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zulks met uitzondering van de rapportage van [A] en het reclasseringsadvies. Of voor het hof doorslaggevend is geweest dat er geen Belgische stukken in de gratieprocedure zijn ingebracht die duiden op zekerheid of een hoge mate van waarschijnlijkheid van v.i. na 1/3e deel van de straf, dient volgens de Staat in het midden te blijven, nu geen verzwaring is aangenomen en het hof niet om een toelichting kan worden gevraagd. Deze kortgedingprocedure kan volgens de Staat niet dienen als appel van de op het advies van het hof gebaseerde gratiebeslissing van 12 januari 2021, waarbij het gratieverzoek is afgewezen.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt de Staat, zeker op dit moment, in dit verweer niet. De Belgische autoriteiten hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de Staat tot het maken van de door de voorzieningenrechter verlangde gemotiveerde inschatting. Volgens [substituut procureur] kunnen geen ‘hypothetische veronderstellingen’ worden gemaakt, niet op basis van detentie van [eiseres] in België en evenmin op basis van elementen uit het Nederlandse detentieverloop. Waarom dit niet mogelijk zou zijn, wordt door de Belgische autoriteiten niet duidelijk gemaakt. Voor zover aan deze weigering het ontbreken van ter zake relevante informatie over het detentieverloop van [eiseres] ten grondslag ligt, constateert de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat [substituut procureur] kennis heeft genomen van de inhoud van de informatie die [eiseres] in de eerste kortgedingprocedure heeft overgelegd en die de Staat tot tweemaal toe aan [B] ter beschikking heeft gesteld. De Belgische autoriteiten zouden naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter op basis van die informatie in staat moeten zijn zich een beeld te vormen van het gedrag van [eiseres] tijdens haar detentie in Nederland en de resocialisatie-inspanningen die [eiseres] zich tijdens die detentie heeft getroost. Dat v.i. in België niet automatisch en zonder meer na het ondergaan van 1/3e deel van de straf door de SURB wordt toegekend en dat hieraan een grondige casuïstische beoordeling aan voorafgaat, staat als zodanig niet ter discussie, maar dit kan geen reden zijn om bedoelde inschatting ondanks de beschikbaarheid van ter zake relevante informatie niet te maken. Dit klemt te meer nu [A] ter zitting in lijn met zijn rapportage heeft toegelicht dat [eiseres] zich vanwege de in Nederland in detentie beschikbare (en aan [eiseres] ook daadwerkelijk geboden) hulpverlening en begeleidingstrajecten ten opzichte van de gemiddelde Belgische gedetineerde in een gunstiger positie bevindt en een SURB naar verwachting om die reden v.i. aan [eiseres] zou toekennen. De Staat heeft dan ook niet in de ontoereikend gemotiveerde weigering van de Belgische autoriteiten tot het maken van de verlangde gemotiveerde inschatting mogen berusten. De omstandigheid dat het hof zich reeds in het kader van een advies naar aanleiding van het door [eiseres] ingediende gratieverzoek over de mogelijkheid van toekenning van v.i. in België heeft uitgesproken, kan ter zake niet tot een ander oordeel leiden. Niet alleen is dit advies gegeven in het kader van een gratieprocedure, waarin een ander toetsingskader geldt, maar ook van belang is dat het hof ten tijde van dit advies niet beschikte over alle door [eiseres] aangeleverde informatie, zoals de rapportage van [A] en het reclasseringsrapport met bijlagen. Bovendien constateert het hof dat informatie van de Belgische autoriteiten ontbreekt. Het is nu juist al deze informatie die naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor de Staat onontbeerlijk is om tot een afgewogen oordeel te komen over de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, tot verlening van v.i. aan [eiseres] kan worden overgegaan. In dat verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat juist is dat – zoals de Staat stelt – het niet aan de Staat of de voorzieningenrechter is om de inschatting die van de Belgische autoriteiten wordt verlangd, zelf te maken.
4.4.
De Staat zal dan ook een termijn worden geboden van drie maanden om de Belgische autoriteiten alsnog tot het maken van een gemotiveerde inschatting te bewegen. Daarbij is het wellicht aangewezen om andere wegen te bewandelen dan tot nu toe is gebeurd. Hoewel het uiteraard aan de Belgische autoriteiten is om te bepalen op welke wijze zij bedoelde inschatting op basis van de huidige beschikbare informatie over [eiseres] maken, geeft de voorzieningenrechter hierbij de mogelijkheid in overweging om – zoals [A] voorstelt – een gepensioneerd SURB-rechter te benaderen. Deze kortgedingprocedure zal in verband hiermee pro forma voor de duur van drie maanden worden aangehouden. Het is vervolgens aan de Minister om op basis van een eventueel verkregen gemotiveerde inschatting van de Belgische autoriteiten al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Die beslissing kan vervolgens in deze procedure marginaal worden getoetst.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zaterdag 22 januari 2022 23.00 uur;
5.2.
bepaalt dat partijen zich voor die datum en dat tijdstip beknopt schriftelijk (max 5 A4) dienen uit te laten over de alsdan huidige stand van zaken;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.
mw