NTBR 2020/38
De invloed van bedrijfsmatig gebruik op het gebrekscriterium
T.E. van der Linden, datum 12-11-2020
- Datum
12-11-2020
- Auteur
T.E. van der Linden1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS240614:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Citeerwijze: T.E. van der Linden, ‘De invloed van bedrijfsmatig gebruik op het gebrekscriterium’, NTBR 2020/38, afl. 9. T.E. (Tess) van der Linden is als promovenda verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, Radboud Universiteit.
Rb. Den Haag 13 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2537, r.o. 4.9.
C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (derde druk), Den Haag: Boom juridisch 2020, rn. 707-1.
Vgl. C.H. Sieburgh, ‘Waakt voor achteloze daderschapsverdubbeling’, in: S.E. Bartels e.a., Vertrouwen in het burgerlijk recht. Liber amicorum prof. mr. S.C.J.J. Kortmann (Onderneming & Recht nr. 100), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 495-516.
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011/405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta); T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht nr. 5), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 130, p. 133.
Over kanalisering: K.J.O. Jansen, ‘Samenloop en kanalisering van aansprakelijkheid’, in: I.S.J. Houben e.a. (red.), Samenloop, Deventer: Kluwer 2007. Vgl. MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 8. Zie ook R.P.J.L. Tjittes, ‘Centralisering van aansprakelijkheden’, NJB 1995, p. 274 en J. Spier & C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, Deventer: Kluwer 1995, p. 32. Zie over de grondslag van kanalisering van risicoaansprakelijkheden naar de bedrijfsmatige gebruiker ook: C.J.M. Klaassen, Risico-aansprakelijkheid. De afdelingen 6.3.2 en 6.3.3 NBW, alsmede art. 31 Wegenverkeerswet (diss. Nijmegen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 195-199.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/235 en 238, waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de gebrekkigheid en de aansprakelijke persoon.
De dieraansprakelijkheid van art. 6:179 BW blijft buiten beschouwing, omdat hier niet getoetst wordt op ‘gebrekkigheid’. Het criterium van art. 6:179 BW is immers de ‘eigen energie van het dier’.
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011/405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta). Zie ook: Klaassen 1991, p. 84-85, 112, 147; A.P. Schoonbrood-Wessels, ‘De aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken, opstallen, dieren en gevaarlijke stoffen in concernverhoudingen. Enkele opmerkingen over art. 6:181 NBW en over misbruik van rechtspersonen’, WPNR 1991/6026, p. 792; C.H.W.M. Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (diss. Tilburg), Breda: C.H.W.M. Sterk 1994, p. 262; Tjittes 1995, p. 274, 276; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/230; E. Bauw, Onrechtmatige daad: aansprakelijkheid voor zaken (Mon. BW nr. B47) 2015/12, 25 en 64; A. Kolder, Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker. Over de toepassing van art. 6:181 BW (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 38-54. Dit is ook in overeenstemming met de parlementaire geschiedenis: Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, 1990, p. 1002.
Klaassen 1991, p. 118; HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7487, NJ 2012/689 (Paalrot); HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283, NJ 2017/73, m.nt. J. Spier (Nijmeegse marktkabels).
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, r.o. 4.4.3, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); Voor roerende zaken, zie: hof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4196, JA 2014/2, r.o. 4.3.1, m.nt. F. Oldenhuis.
Hartlief e.a. 2018, nr. 98, p. 103-104; Asser/Sieburgh 2019/218.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis).
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011/405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 745-747.
Zie voor een overzicht: Kolder 2018, p. 155-156. Zie overige literatuur: Klaassen 1991, p. 89-90; Annotatie Tjong Tjin Tai bij: HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011/405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta). Hartlief e.a. 2018/130; Asser/ Sieburgh 6-IV 2019/199 en 230.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1003.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1003. Zie ook het rechtspraakonderzoek van Kolder: Kolder 2018, p. 157-158. Daaruit blijkt echter dat de rechter ook onderwijsinstellingen onder ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 BW schaart.
Kolder 2018, p. 215.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 747; Kolder 2018, p. 207 met verwijzing naar rechtspraak.
Kolder 2018, p. 291-292.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 745-746; Kamerstukken II 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 8-9. Zie ook: Kolder 2017, p. 39-40.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/235 en 238, waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de gebrekkigheid en de aansprakelijke persoon.
Hartlief 2018, nr. 43, 45.
C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2000, p. 93 e.v.
W.H. van Boom, ‘Boekbespreking: C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad’, WPNR 2001/6441, p. 340; Vgl. ook Jansen die spreekt over een 'contextgebonden oordeel, dat op de maat van de betrokken partijen en hun onderlinge rechtsverhouding is gesneden': K.J.O. Jansen, Informatieplichten: Over kennis en verantwoordelijkheid in het contractenrecht en buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2012, p. 365.
Van Boom 2001, p. 340.
A.Ch.H. Franken, ‘Het voorzorgsbeginsel in het aansprakelijkheidsrecht - een verkenning', AV&S 2010/25. Zie ook R. Schwitters, ‘Over maatmannen en het subjectieve. Enkele overwegingen bij de doctrine van het aansprakelijkheidsrecht’, R&R 2008, nr. 3, p. 203-211.
Deze vraag werk ik nader uit in het proefschrift dat ik aan het schrijven ben.
Vgl. L.F.H. Enneking e.a., Zorgplichten van Nederlandse ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen. Een rechtsvergelijkend en empirisch perspectief naar de stand van het Nederlandse recht in het licht van de UN Guiding Principles (WODC rapport), 2015, p. 90, te raadplegen via: https://www.wodc.nl/binaries/2531-volledige-rapport_tcm28-73868.pdf, waarin wordt gesproken over het vergelijkingstype van de ‘redelijk handelende onderneming’. Zie ook C. van Dam, ‘Tort Law and Human Rights: Brothers in Arms On the Role of Tort Law in the Area of Business and Human Rights’, Journal of European Tort Law 2011, nr. 3, p. 244.
E.R. de Jong, Voorzorgverplichtingen. Over aansprakelijkheidsrechtelijke normstelling voor onzekere risico's, Den Haag: Boom Juridisch 2016, p. 159; C. van Dam, European Tort Law, Oxford: Oxford publishing 2013, nr. 810-4.
A.T. Bolt & J. Spier, De uitdijende reikwijdte van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 169.
K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting: een onderzoek naar de invloed van kennis van de laedens op het onrechtmatigheidsoordeel in gevaarzettingssituaties (Meijerreeks), Den Haag: Jongbloed 2006, p. 9; De Jong 2016, p. 145.
Dit houdt ook wel verband met het ‘state of the industry’-verweer, zie ook: Jansen 2006, p. 17-18.
De Jong 2016, p. 156; Van Dam 2013, nr. 810-4.
Zie verder: N. Vloemans, ‘Events are in the saddle… the terrible ifs accumulate. Over onzekere risico’s en voorzorg in het aansprakelijkheidsrecht’, AV&S 2010, nr. 2, p. 3-15.
K.J.O. Jansen, ‘Verkeersopvattingen en private regelgeving. Over maatschappelijke opvattingen als bron van ongeschreven privaatrecht’, NTBR 2020/5, p. 26-41.
Te denken valt aan de OECD Guidelines for Multinational Enterprises; OECD Due Diligence Guidance for Responsible Business Conduct, en the Principles on Climbate Obligations of Enterprises. Zie hierover meer uitgebreid: L.F.H. Enneking e.a., 2015; C. van Dam, Onderneming en mensenrechten (oratie Utrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 109.
J. Spier & C.H.W.M. Sterk, ‘De schijndood van de tuinman – een reactie’, RM Themis 1990, p. 263; Klaassen 1991, p. 223-234; C.J.M. Klaassen, ‘Risico- en foutaansprakelijkheid, twee woorden één gedachte?’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a., Op recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 137-143.
J.H. Nieuwenhuis, ‘De tuinman en de dood. Het misleidend karakter van schuld en risico als coördinaten van het aansprakelijkheidsrecht’, RM Themis 1989, p. 196; Klaassen 1996, p. 137-143; C.J.M. Klaassen, ‘Risico-aansprakelijkheid, bijna een kwart eeuw later’, VR 2015/145; D.F.H. Stein, ‘Verjaring van schadevergoedingsvorderingen bij voortdurende onrechtmatige daden’, NTBR 2019/11, p. 67. Dit geldt uitdrukkelijk enkel op grond van de kwalitatieve aansprakelijkheden. Aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 lid 2 BW wegens een schadeveroorzakende toestand heeft de wetgever afgewezen: TM. Parl. Gesch. Boek 6, 1981, p. 612.
Deze sluiten echter wel aan bij het hier gepresenteerde stelsel. Zie uitvoerig over deze vereisten en een vergelijkbare schematische weergave: Ph.W. den Hollander, De relativiteit van wettelijke normen (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 80.
K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW,aant. 8.3.2 (online, actueel tot en met 8 maart 2019).
Den Hollander 2016, p. 80. Zie ook diens voetnoot 57 met verwijzing naar: J.R. Searle, The Construction of Social Reality, New York: The Free Press 1995, p. 1-2.
Sieburgh 2017, p. 495-516; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/37a-37b.
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34, m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
Ik volg hierin Sieburgh (Sieburgh 2017; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/37b), die pleit tegen daderschapsverdubbeling. Zij schrijft dat de mogelijkheid dat de fysieke gedraging van de functionaris heeft te gelden als gedraging van de rechtspersoon niet bedoeld is om de fysieke verrichter als dader van dezelfde daad te beschouwen. Ik zou hiervan willen maken dat die mogelijkheid niet bedoeld is om de fysieke verrichter als dader van dezelfde onrechtmatige daad te beschouwen. Het gaat immers om dezelfde feitelijke gedraging, maar er geldt een andere norm.
Den Hollander brengt het vereiste van toerekenbaarheid onder bij de kwalificatie van een gedraging als onrechtmatig (Den Hollander 2016, p. 79, noot 54).
J.H. Nieuwenhuis, ‘De grenzen van de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken’, WPNR 1983/5666, p. 584. Later en meer genuanceerd: J.H. Nieuwenhuis, ‘Nieuws over de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken en produkten’, WPNR 1986/5771, p. 99. Zie ook J. Drion, ‘Een nieuwe koers in ’s Hoogen Raads Jurisprudentie over de onrechtmatige daad’, WPNR 1947/3996, p. 277, die de term ‘onrechtmatigheid’ wilde reserveren voor de schending van een gedragsnorm.
Parl. Gesch. Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 6. 1990, p. 1380.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7487, NJ 2012/689 (Paalrot); HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283, NJ 2017/73, m.nt. J. Spier (Nijmeegse marktkabels). De rechtspraak acht dit arrest ook van betekenis voor de inkleuring van het gebrekscriterium ex art. 6:173 BW. Zie voor een toepassing bijvoorbeeld: hof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4196, JA 2014/2, r.o. 4.3.1, m.nt. F. Oldenhuis en Rb. Oost-Brabant 12 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4483, JA 2018/166.
Klaassen 2015, p. 143; Klaassen 1996; Klaassen 1991; Zie ook Meijers, Verzamelde Privaatrechtelijke Opstellen, Derde Deel, p. 232 en Meijers, Algemene leer van het Burgerlijk Recht, Deel I, p. 305-308.
Meer uitgebreid over deze normatieve stap: Kolder 2017, p. 201.
Klaassen 1991, p. 256, die overigens ook een uitzonderingsgeval noemt.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 627.
Sieburgh 2000, p. 176 e.v.
Klaassen 1991, p. 196-199.
Sieburgh 2000, p 159-160, voetnoot 51; p. 186-187, voetnoot 73; p. 196.
Vgl. conclusie van A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2019:496 voor HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
Ik laat de tenzij-formule hier verder buiten beschouwing en richt mij op de doorwerking via het gebrekscriterium.
Zie ook paragraaf 2.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis), r.o. 4.4.3-4.4.4.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 1380.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7487, NJ 2012/689 (Paalrot); HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283, NJ 2017/73, m.nt. J. Spier (Nijmeegse marktkabels).
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis), r.o. 4.4.3.
Ik heb hiervoor een kwalitatieve rechtspraakanalyse uitgevoerd. Ik heb op 9 juli 2020 op www.rechtspraak.nl gezocht op de volgende termen: ‘6:173’, ‘6:174’ en ‘6:181’. Vervolgens heb ik gefilterd op ‘civiel recht’ en heb ik de zaken eruit gehaald waar het betreffende artikel niet als zodanig in voorkwam (maar slechts als bedrag). Het totaal aantal zaken na die schifting: 157 voor art. 6:181; 112 voor art. 6:173-6:181; 312 voor art. 6:174-6:181-6:173. Voorts heb ik de zaken die in hoger beroep en/of cassatie zijn beoordeeld eruit gehaald. Vervolgens heb ik de zaken over wegbeheerdersaansprakelijkheid van de overheid en de zaken waarin niet werd getoetst op gebrekkigheid van de zaak. Ik kwam uit op de volgende aantallen: 81 (art. 6:181); 29 (art. 6:173); 100 (art. 6:174). Van deze selectie heb ik in het volgende aantal zaken iets gevonden over de hoedanigheid van de bedrijfsmatige laedens: 5 (art. 6:181); 3 (art. 6:173-6:181); 13 (art. 6:174). Gelet op het kleine aantal zaken, worden de resultaten vooral gebruikt ter illustratie.
In vergelijkbare zin: F.T. Oldenhuis, ‘Hoge Raad zet in Wilniszaak rem op te ruime risicoaansprakelijkheid’, NJB 2011/567.
HR 20 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7686, NJ 2000, 700 (Foekens/Naim); HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis), r.o. 4.4.3.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2.
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1.
Rb. Gelderland 3 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6136, r.o. 4.7.
Rb. ’s-Hertogenbosch 18 april 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3146.
Rb. ’s-Hertogenbosch 18 april 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3146, r.o. 3.6.
Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3.
Hof Amsterdam 7 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:368.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:158, r.o. 4.11.
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.7.
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.8: “Deelnemers behoeven er niet bedacht op te zijn dat een tokkelbaan dusdanig is geconstrueerd dat hun benen of voeten (hard en ongecontroleerd) de grond kunnen raken alvorens zij volledig zijn afgeremd. Zij hoeven er evenmin op bedacht te zijn dat zij ter voorkoming van letsel aan het einde van een tokkelbaan hun benen moeten intrekken”.
Rb. Middelburg 16 augustus 2008, ECLI:NL:RBMID:2008:AZ0565.
Rb. Middelburg 16 augustus 2008, ECLI:NL:RBMID:2008:AZ0565, r.o. 4.4.
Rb. Gelderland 20 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4565.
Rb. Gelderland 12 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2021.
Vgl. Van Brakel 1929, p. 10. Vgl. art. 4:102 PETL. Zie ook K.J.O. Jansen 2012, p. 395, die hier ook op ingaat.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, r.o. 4.5.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2; Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3.
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:158, r.o. 4.11.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2; Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3.
Rb. Gelderland 3 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6136, r.o. 4.7.
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.7.
Rb. Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:271, r.o. 4.5.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:158, r.o. 4.11.
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1.
De indruk bestaat dat de toepassing van art. 6:181 BW enkel een wisseling van de normadressaat tot gevolg heeft. Dit zou betekenen dat de toetsing van de normschending en de toetsing van het normadressaatschap geheel gescheiden plaatsvinden. In deze bijdrage betoogt de auteur dat het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak (en daarmee het zijn van bedrijfsmatige gebruiker in de zin van art. 6:181 BW) ook een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium van art. 6:173 en 6:174 BW.
1. Inleiding
In de nacht van 27 op 28 november 2016 brak brand uit in een plantenkas. In de plantenkas bevond zich een grote hoeveelheid sierplanten van een kwekerij. De kwekerij in kwestie – voor het leesgemak hierna ‘De Plantenkweker’ genoemd – had deze kasruimte in bruikleen van een andere kwekerij, De Zonnebloem. Partijen hadden voorafgaand aan de bruikleen mondeling afgesproken dat De Zonnebloem het klimaat en de bewatering zou regelen in de kas en dat De Plantenkweker in de gaten zou houden hoeveel beregening de planten behoefden. De Plantenkweker had daarvoor toegang tot de kas. Door de brand was een groot deel van de sierplanten van De Plantenkweker verloren gegaan en was een groot aantal zaken van De Zonnebloem beschadigd. Beide partijen bleken niet verzekerd te zijn tegen deze brandschade. De Plantenkweker stelde De Zonnebloem aansprakelijk op grond van de bruikleenovereenkomst en – in dit kader relevanter – op grond van art. 6:174 BW. De Zonnebloem eiste vervolgens in reconventie schadevergoeding op grond van diezelfde overeenkomst en op grond van art. 6:174 jo. 6:181 BW. Bij de beoordeling van de risicoaansprakelijkheid, overwoog de kantonrechter:
“Voordat de kantonrechter toekomt aan de vraag wie als bezitter/gebruiker in de uitoefening van een bedrijf van de kas moet worden aangemerkt, dient eerst te worden beoordeeld of er sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW.”2
Op het eerste gezicht lijkt deze overweging van de rechtbank niet heel opmerkelijk. In veel gevallen zal de rechter inderdaad eerst kijken naar de mogelijke gebrekkigheid van de opstal, voordat hij pas toekomt aan de vraag wie moet opdraaien voor de schade. Dit lijkt logisch, gelet op de volgorde van de wettelijke bepalingen en de aard van art. 6:181 BW. Art. 6:181 BW wordt in de literatuur immers gepresenteerd als “specifieke bepaling omtrent de aansprakelijke persoon”.3 De voornaamste functie van art. 6:181 zou het bepalen van de normadressaat zijn. Een dergelijke functie is niet onbelangrijk, aangezien het vervullen van het normadressaatschap een vereiste is voor het vaststellen van de aansprakelijkheid.4 Het presenteren van art. 6:181 BW als ‘verleggingsregel’5 of ‘kanaliseringsregel’6 wekt echter de indruk dat toepassing van art. 6:181 BW enkel een wisseling van de normadressaat tot gevolg heeft. Dit impliceert dat de toetsing van de normschending en de toetsing van het normadressaatschap geheel gescheiden plaatsvinden.7 De hierboven aangehaalde rechtszaak laat eenzelfde beeld zien. In deze bijdrage betoog ik dat deze volgorde niet logisch is. Ik ben van mening dat het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak, en daarmee het zijn van een bedrijfsmatige gebruiker in de zin van art. 6:181 BW, wel degelijk (mede) van belang kan zijn voor de inkleuring van het gebrekscriterium. Ik richt me in dit artikel op de norm van de art. 6:173 en 6:174 BW.8
De opbouw van dit artikel is als volgt. In paragraaf 2 behandel ik de begrippen ‘gebrek’ en ‘bedrijfsmatige gebruiker’. In paragraaf 3 onderzoek ik waarom de gedachte is ontstaan dat toetsing van de normschending (gebrekkigheid) en toetsing van de normadressaat (bedrijfsmatige gebruiker) moeten worden onderscheiden. In paragraaf 4 trek ik een parallel met de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm (art. 6:162 lid 2 BW). Ik licht toe dat de hoedanigheid van onderneming een rol kan spelen bij de inkleuring van die norm. In paragraaf 5 zet ik uiteen, onder andere aan de hand van een schematisch overzicht, waarom die conclusie ook relevant kan zijn voor de in deze bijdrage voorliggende vraag. Ik betoog dat het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak ook van (indirecte) invloed kan zijn op de inkleuring van het gebrekscriterium. In paragraaf 6 zet ik uiteen hoe het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak (en daarmee het zijn van bedrijfsmatige gebruiker) doorwerkt in verschillende gezichtspunten, die de rechter hanteert bij de invulling van het gebrekscriterium. Ik illustreer die doorwerking aan de hand van lagere rechtspraak. Ik sluit af met een conclusie (paragraaf 7).
2. Begripsbepaling: gebrek en bedrijfsmatige gebruiker
Op grond van art. 6:173 en 6:174 BW is de bezitter van de roerende zaak respectievelijk de opstal aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek in de desbetreffende zaak. Wordt de zaak in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, dan is niet de bezitter, maar de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk op grond van art. 6:181 lid 1 BW.9
De norm van art. 6:173 en 6:174 BW is het gebrekscriterium. Een roerende zaak of opstal is gebrekkig indien deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Het gaat daarbij om eisen vanuit veiligheidsoogpunt.10 Ook aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen en veiligheidsvoorschriften kunnen een rol spelen. Zo dient bijvoorbeeld in aanmerking genomen te worden de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.11 Bij een roerende zaak gaat het om een ‘inherent’ of ‘intrinsiek’ gebrek. Dit betekent dat een roerende zaak niet gebrekkig is door de ongelukkige plaatsing ervan.12 De gebrekkigheid van een opstal hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de aard van de opstal, de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het gebruik van de opstal. Verder speelt een rol de grootte van de kans op verwezenlijking van het gevaar en de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.13 Deze omstandigheden kunnen ook van invloed zijn in het kader van de aansprakelijkheid voor roerende zaken (art. 6:173 BW).
De normadressaat is degene tot wie de norm gericht is. De normadressaat van de aansprakelijkheid voor een gebrekkige roerende zaak of opstal is de bezitter of, bij bedrijfsmatig gebruik, de bedrijfsmatige gebruiker.14 De wetgever heeft het begrip ‘bedrijf’ uit art. 6:181 BW niet expliciet toegelicht. Uit de voorbeelden uit het Gewijzigd Ontwerp van 1976 blijkt dat de wetgever in eerste instantie traditionele, industriële organisaties voor ogen had, zoals fabrieken.15 Over de verhouding tussen ‘bedrijf’ en aanverwante begrippen als ‘beroep’ en ‘overheid’ bestaat in de literatuur discussie.16 Zo is het onduidelijk of de wetgever onder ‘bedrijf’ ook het beroepsmatig gebruik schaart.17 In ieder geval is niet vereist dat het bedrijf een winstoogmerk nastreeft. Ook de rechtsvorm is niet doorslaggevend.18 Over het begrip ‘gebruiker’ bestaat eveneens (en zelfs meer) discussie. Duidelijk is dat het een ruimere betekenis heeft dan enkel ‘zich bedienen van’.19 Onder ‘gebruik’ valt onder andere het gebruiken van een bedrijfsgebouw of machine, het verwerken of bewerken van zaken en stoffen en het onder zich hebben van zaken en stoffen voor (latere) verwerking, bewerking of verkoop. Het enkele bewaren of vervoeren van zaken is niet het ‘gebruiken’ van deze zaken, aldus de wetgever.20 Tjong Tjin Tai meent dat sprake moet zijn van een ‘bestendige, duurzame relatie’ met de zaak. Kolder kenmerkt de gebruiker als de professional die de meeste zeggenschap heeft over het schadeveroorzakende element’.21
3. Vaststellen normschending (gebrekkigheid) en normadressaat (bedrijfsmatige gebruiker): twee afzonderlijke toetsen?
De vraag is of het vaststellen van de normschending (het gebrekscriterium) en de normadressaat (de hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker) twee afzonderlijke toetsen zijn. De tekst van de wet geeft geen aanleiding om te concluderen dat het bedrijfsmatig gebruiken een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium. De tekst van de art. 6:173 en 6:174 BW staat een objectieve invulling van het gebrekscriterium voor. Zoals aangegeven in paragraaf 2, gaat het om de ‘eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen’. Deze beschrijving is te vaag om te concluderen dat ‘bezitten’ of ‘bedrijfsmatig gebruiken’ onder die ‘omstandigheden’ vallen. Geen andere inzichten zijn op te maken uit de tekst van art. 6:181 BW.
De wetsgeschiedenis geeft er ook geen blijk van dat bedrijfsmatig gebruik een omstandigheid is die een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium.
Verder is uit de doelstelling van art. 6:181 BW niet veel op te maken. Het voornaamste doel van de bepaling is het concentreren van de aansprakelijkheid. Het artikel beoogt voor potentiële benadeelden duidelijkheid te scheppen omtrent de vraag op wie zij hun pijlen moeten richten. De gedachte is dat de bedrijfsmatige gebruiker makkelijker is op te sporen en doorgaans meer financiële middelen heeft om de schade te vergoeden dan de bezitter. Bovendien heeft de bedrijfsmatige gebruiker over het algemeen de mogelijkheid om de risico’s te spreiden en zich (tegen lagere kosten) te verzekeren.22 Deze kanalisering wekt de indruk dat art. 6:181 BW enkel dient ter wijziging van de normadressaat. Deze wisseling lijkt los te staan van de normschending.23
Tot slot lijkt ook het systeem van de wet mee te brengen dat de toets van de normschending en het normadressaatschap gescheiden zijn. De plaats van de art. 6:173 en 6:174 BW voorafgaand aan art. 6:181 BW in afdeling 2 van titel 3 lijkt aan te geven dat eerst onderzocht moet worden of de norm (het gebrekscriterium) is geschonden, voordat aan de vraag wordt toegekomen wie daarvoor aansprakelijk is.
Gelet op het bovenstaande, lijkt het een uitgemaakte zaak: dat een bedrijfsmatige gebruiker en niet een ‘gewone’ bezitter verantwoordelijk is voor de schade, is niet van betekenis voor de inkleuring van het gebrekscriterium. Toch meen ik dat dit te ongenuanceerd is. Om dit nader toe te lichten, trek ik in de volgende paragraaf een parallel met het onrechtmatigedaadsrecht (art. 6:162 BW).
4. Parallel: De invloed van de hoedanigheid van bedrijf op de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm (art. 6:162 lid 2 BW)
In de literatuur bestaat al langer de discussie of de hoedanigheid van de laedens een rol kan spelen bij de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm. In beginsel geldt de zorgvuldigheidsnorm voor ‘eenieder’.24 Voor bepaalde personen kan wel degelijk op grond van hun maatschappelijke positie een andere (strengere) norm gelden.25 Verscheidene auteurs menen dat de zorgvuldigheidsnorm differentieert al naar gelang de maatschappelijke positie van de laedens.26 Zo stelt Van Boom:27
“De rechter zal […] bij voorkeur een ongeschreven rechtsregel formuleren die zich richt tot een bepaalde groep personen onder bepaalde omstandigheden. De daarmee gepaard gaande differentiatie is onontbeerlijk om de juiste mate van zorgvuldigheid op te leggen aan een bepaald segment van de bevolking.”
De hoedanigheid waarmee een persoon deelneemt aan het rechtsverkeer is van invloed op de ‘maatmens laedens’ en werkt zodoende door in het verwachte kennisniveau en de mate van voorzorg die een laedens in acht dient te nemen.28
De vervolgvraag is of een bedrijf als aparte categorie binnen het aansprakelijkheidsrecht geldt.29 Dit ziet in de kern op de vraag of voor de inkleuring van de gedragsnorm op grond van art. 6:162 BW een maatmanbedrijf kan worden gehanteerd.30 De literatuur lijkt ervan uit te gaan dat bedrijven beschikken over meer kennis en deskundigheid dan een particulier en dat daarom meer van hen mag worden verwacht.31 Zo meent Bolt dat bedrijven dienen te beschikken over de kennis die hoort bij hun maatschappelijke positie en de sector waarin zij opereren.32 Dit kennisniveau werkt als voorvereiste voor de onrechtmatigheid en beïnvloedt ook de mate van zorg die mag worden verwacht van een laedens.33 Het kennisniveau van een bedrijf is onder andere afhankelijk van de bedrijfstak,34 de mate van specialisatie van het bedrijf35 en de aard (gevaarlijkheid) van de bedrijfsactiviteit.36 Ook gelden voor bedrijven in bepaalde sectoren speciale brancherichtlijnen, die van belang kunnen zijn voor de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm.37 Voorts bestaat op internationaal niveau soft law specifiek gericht op bedrijven.38 Ook private regelgeving en soft law kunnen doorwerken in de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW.
5. Uitgangspunten van onrechtmatige daad ook van toepassing op de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker?
Het feit dat een daad wordt gepleegd door een bedrijf en niet, bijvoorbeeld, door een particulier, kan dus van invloed zijn op de zorgvuldigheidsnorm. Waarom is deze conclusie relevant voor de vraag of bedrijfsmatig gebruik van een zaak van invloed is op de gebrekkigheid? Met andere woorden, waarom is een parallel met de onrechtmatige daad gerechtvaardigd? In eerste instantie lijken er immers kenmerkende verschillen te zijn tussen de onrechtmatige daad en de kwalitatieve aansprakelijkheden. In art. 6:162 BW staat immers een daad, oftewel een gedraging, handeling of nalaten, centraal. Dit veronderstelt dat er ook een zeker persoon is, die deze gedraging (niet) uitvoert: de dader. Met andere woorden, de aansprakelijke persoon neemt een duidelijke positie in binnen het onrechtmatigedaadsrecht. Dit is voor een groot deel anders bij de kwalitatieve aansprakelijkheden. Daar staat niet een daad,39 maar een toestand centraal.40 Uiteraard dient ook in het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheden een verantwoordelijk persoon aangewezen te worden, maar de invloed die deze persoon op de toestand heeft, hoeft niet zo groot te zijn als de invloed die de dader heeft op zijn (onrechtmatige) daad. De aansprakelijke persoon is immers niet aansprakelijk vanwege zijn gedraging of nalaten, maar vanwege zijn kwaliteit.
Toch is het onderscheid tussen beide grondslagen niet zo scherp. Er zijn twee redenen waarom een analogie gerechtvaardigd is. Ten eerste volgt de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker een vergelijkbaar format als de onrechtmatige daad. Ten tweede kunnen gedragsnormen indirect doorwerken via de tenzij-clausule en via de inkleuring van het gebrekscriterium. Om het eerste punt inzichtelijk te maken, maak ik gebruik van een schematisch overzicht. Ik licht eerst de onrechtmatige daad toe aan de hand van dit schema, waarna ik inga op het schematisch overzicht van de kwalitatieve aansprakelijkheden. Voor de duidelijkheid laat ik de vereisten van causaal verband, schade en relativiteit buiten beschouwing.41
Zoals gezegd, staat in art. 6:162 BW een daad centraal. Menselijke handelingen of gedragingen staan altijd in verhouding tot een bepaalde actor, omdat de actor in kwestie de gedraging uitvoert of verricht. Deze actor is de feitelijk dader. De gedraging moet vervolgens aan de feitelijk dader worden toegerekend. Dit is ook wel het feitelijk component van de toerekenbaarheid.42 Schematisch ziet dit er als volgt uit:
Het voorgaande geeft het feitelijk niveau aan. Op het feitelijk niveau bevinden zich de gebeurtenissen, de handelingen en de gedragingen. Dit zijn ‘objectieve’ feiten: feiten waar (nog) geen menselijk waardeoordeel of juridisch oordeel aan verbonden is.43 Om tot het (juridisch) oordeel te komen dat een gedraging in strijd is met een rechtsnorm en de actor als normadressaat (in het kader van art. 6:162 BW: de juridisch dader)44 kan worden aangemerkt, moet een sprong worden gemaakt van het feitelijke naar het normatieve niveau. Dit geschiedt aan de hand van een normatieve toets. In het geval van een onrechtmatige daad is deze normatieve toets voor de normschending te vinden in lid 2; voldaan moet zijn aan één van de drie onrechtmatigheidscriteria voordat gesproken kan worden van een onrechtmatige gedraging. De normatieve toets voor het vaststellen van het juridisch daderschap volgt uit de term ‘plegen’ (lid 1). Doorgaans zal het vaststellen van de juridisch dader geen probleem vormen. Diegene die de handeling verricht (de actor), zal over het algemeen ook de juridisch dader zijn. Dit kan evenwel anders zijn indien de aansprakelijke persoon een rechtspersoon is. In zo een geval kan een handelende functionaris, zoals een bestuurder, wel de feitelijk, maar niet de juridisch dader zijn. De rechtspersoon is juridisch dader, indien het handelen van de actor in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als handelen van de rechtspersoon en dat handelen een rechtsnorm schendt die gericht is tot de rechtspersoon.45 In een dergelijk geval geldt in beginsel een andere norm: een norm gericht tot de rechtspersoon en niet tot de actor (functionaris).46 De normschending moet vervolgens wegens schuld, wet of verkeersopvatting toerekenbaar zijn aan de normadressaat (het normatief component van toerekenbaarheid).47 Dit leidt tot het volgende schema:
Het vaststellen van de norm(schending) en de normadressaat gaat in twee afzonderlijke stappen. Toch is de hoedanigheid van de normadressaat wel een factor die in de relatie tussen normschending en gedraging een rol kan spelen, omdat het de normatieve toets kan beïnvloeden (paragraaf 3).
De kwalitatieve aansprakelijkheid van de gebruiksmatige gebruiker volgt naar mijn mening grotendeels hetzelfde schema. Desondanks zijn wel enkele aanpassingen gevergd. Zoals gezegd, staat niet een gedraging, maar een toestand centraal. Dit roept de vraag op of wel gesproken kan worden van ‘onrechtmatigheid’ als norm. Verscheidene auteurs hebben ten tijde van de introductie van de kwalitatieve aansprakelijkheden betoogd dat onrechtmatigheid (de normatieve toets) niet vereist is voor vaststelling van aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.2.48 Deze visie vindt echter geen steun in de parlementaire geschiedenis49 en de jurisprudentie.50 De kwalitatieve aansprakelijkheden zijn geen garantieaansprakelijkheden. Het onrechtmatigheidscriterium is wel degelijk belangrijk. Naast het feit dat ‘onrechtmatigheid’ in de zin van ‘schending van een gedragsnorm’ indirect een rol kan spelen (hier kom ik zo dadelijk nog op terug), speelt ‘onrechtmatigheid’ in bredere zin een belangrijke rol. Vereist is namelijk een juridisch waardeoordeel: een rechtsnorm moet geschonden zijn.51 Met andere woorden, een bepaalde toestand wordt pas een gebrekkige toestand als de toestand de normatieve toets niet doorstaat.
Ten tweede wijkt de relatie tussen ‘toestand’ en ‘actor’ af. Aangezien het in het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheden niet gaat om een gedraging, maar om een toestand, kan de relatie tussen beide elementen niet gekenmerkt worden door een ‘verrichting’. De relatie is veel meer gelegen in het (feitelijk) gebruiken, houden of onder zich hebben van de zaak. Belangrijk om te benadrukken is dat het hier niet gaat om het juridisch houden voor zichzelf of voor een ander (art. 6:107 jo. 6:108 BW) of om het juridisch gebruiken (art. 6:181), maar om een feitelijke relatie.
De derde aanpassing ziet op de normatieve toets voor het vaststellen van het normadressaatschap. Deze vaststelling geschiedt aan de hand van het juridisch ‘bezitten’ of ‘bedrijfsmatig gebruiken’.52
Tot slot verschilt de normatieve toerekening bij de kwalitatieve aansprakelijkheden van de normatieve toerekening bij de onrechtmatige daad. Vaststaat dat schuld geen rol speelt53 en dat de kwalitatieve aansprakelijkheden ook geen uitwerking vormen van art. 6:163 lid 3 BW.54 De ‘toerekening’55 van de normschending aan de normadressaat geschiedt op basis van de wet.56 Gronden voor een dergelijke ‘toerekening’ zijn onder andere te vinden in de profijttheorie, risicotheorie, risicospreiding, slachtofferbescherming en de billijkheid.57 Ook de hoedanigheid van de normadressaat en de aard van de relatie tot de zaak kunnen een grond voor toerekening zijn.58 In het kader van de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker spelen ook diens competenties en mogelijkheden tot risicobeheersing een rol.59 Het bovenstaande in acht nemend, kom ik tot het volgende schematische overzicht.
Op basis van het voorgaande meen ik dat het onderscheid tussen beide grondslagen niet zo scherp is. De onrechtmatige daad en de kwalitatieve aansprakelijkheden zijn gestoeld op hetzelfde format, waarbij in beide gevallen sprake is van een normatieve toets (onrechtmatigheid, ofwel: gebrekkigheid) en een normadressaat aan wie deze normschending toerekenbaar moet zijn.
Het tweede argument voor het standpunt dat het onderscheid niet zo scherp is, houdt in dat gedragsnormen indirect kunnen doorwerken via de tenzij-formule en het gebrekscriterium van art. 6:173 en 6:174 BW.60 Bij het gebrekscriterium gaat het om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de zaak mag stellen.61 De gebrekkigheid hangt onder meer af van de aard van de zaak (bijvoorbeeld het publiek toegankelijke karakter van een opstal), de functie, de fysieke toestand, het gebruik, de kans op verwezenlijking van het gevaar en de bezwaarlijkheid van te nemen onderhouds- en veiligheidsmaatregelen.62 Uit de parlementaire geschiedenis63 en de rechtspraak64 volgt dat daarbij “gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol” spelen.65
6. De invloed van bedrijfsmatig gebruik op het gebrekscriterium
6.1 Inleiding
Het feit dat een daad wordt gepleegd door een bedrijf kan een rol spelen bij de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm krachtens art. 6:162 BW (paragraaf 3). De onrechtmatige daad en de kwalitatieve aansprakelijkheden van art. 6:172 en 6:174 BW zijn verwant aan elkaar (paragraaf 5). In deze paragraaf belicht ik de invloed van het bedrijfsmatig gebruiken (en daarmee het zijn van een bedrijfsmatig gebruiker) op de norm van art. 6:173 en 6:174 BW. Het gebrekscriterium hangt onder meer af van verschillende gezichtspunten (paragraaf 2 en 5). In mijn ogen kan de hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker doorwerken in sommige van deze gezichtspunten. In de volgende subparagrafen ga ik daar nader op in en zal ik deze doorwerking illustreren aan de hand van lagere rechtspraak.66 Hierbij dient wel in het achterhoofd te worden gehouden dat het gebrekscriterium niet altijd op andere wijze wordt ingekleurd, indien een roerende zaak of opstal bedrijfsmatig wordt gebruikt. Er zijn tal van situaties denkbaar waarin de hoedanigheid van deze normadressaat geen rol speelt bij de vaststelling van de normschending.67
6.2 Bedrijfsmatig gebruik
Een van de omstandigheden die van invloed is op de gebrekkigheid van een roerende zaak of opstal is het gebruik van die zaak.68 Het feit dat de zaak bedrijfsmatig gebruikt wordt, kan ervoor zorgen dat er hogere eisen aan de veiligheid mogen worden gesteld dan als de zaak door een particulier gebruikt wordt. Illustratief is de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2006.69 In casu was eiseres tijdens een bezoek aan de winkel van gedaagde gestruikeld en gevallen. Dit heeft geleid tot blijvend functieverlies aan de arm van eiseres. Voor deze schade had zij gedaagde – primair op grond van art. 6:174 jo. 6:181 BW en subsidiair op grond van art. 6:162 BW – aansprakelijk gesteld. De rechtbank overwoog:
“Het ongeval heeft zich voorgedaan in een gebouwde onroerende zaak die dienst doet als winkel. Aan een winkel, die naar zijn aard een professioneel doel dient en derhalve bedrijfsmatig wordt gebruikt alsmede voor een ieder toegankelijk is, dienen in het kader van de in acht te nemen algemene veiligheid ten behoeve van het winkelend publiek hoge eisen te worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze eisen niet voldaan [curs. TEvdL].”70
De rechtbank vervolgde haar oordeel met een uiteenzetting van argumenten waarom niet aan de verhoogde eisen is voldaan. Daarbij nam zij in overweging: de aandacht van het winkelend publiek, de gevaarlijkheid van de situatie en de afwezigheid van een adequate afscherming (r.o. 3.3.3 en 3.3.4).
Ook in een uitspraak van de rechtbank Maastricht uit 2010 over een ongeval op een zomerkamp komt het onderscheid tussen bedrijfsmatig gebruik en privégebruik naar voren. Op de accommodatie bevond zich onder het raam van een van de slaapzalen een plateau. Dit plateau vormde een noodweg, maar werd door de gasten gebruikt om zwemkleding op te drogen. Toen een (minderjarige) gast zijn spullen wilde pakken, viel hij van het plateau en liep letsel op. Bij de beoordeling van de gebrekkigheid van de opstal, overwoog de rechtbank:
“’t Auwershoes heeft als bedrijfsmatig verhuurder van haar accommodatie een verplichting jegens haar huurders om te zorgen dat de accommodatie voldoet aan de veiligheidseisen, die aan een voor zodanig gebruik bedoelde accommodatie gesteld mogen worden. Die eisen zijn zwaarder dan wanneer het om een opstal gaat die in privégebruik is [curs. TEvdL]”.71
Vergelijkbaar is ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 september 2014. Het betrof het volgende. Eiser was werkzaam bij CSU, een schoonmaakbedrijf dat was ingehuurd door Storteboom, een kippenslachterij. Tijdens een van de schoonmaakwerkzaamheden kwam eiser met zijn onderarm in een onthuidmachine terecht. Eiser stelde Storteboom vervolgens aansprakelijk voor zijn schade op grond van art. 6:173 jo. 6:181 jo. 6:162 BW. De rechtbank nam mee dat een onthuidmachine zeer gevaarlijk is en dat de beschermkap was afgebroken. Vervolgens oordeelt de rechtbank:
“De onthuidmachine wordt door Storteboom bedrijfsmatig gebruikt en dient dagelijks te worden schoongemaakt. Gelet op dit gebruik en het potentiële gevaar dat een draaiende aandrukrol en/of een draaiende snijrol met zich brengt, dient de machine naar het oordeel van de rechtbank afdoende beveiligd te zijn, in die zin dat ook de niet steeds oplettende, niet steeds voorzichtige gebruiker of schoonmaker daarmee niet in aanraking kan komen [curs. TEvdL].”72
Uit het voorgaande blijkt dat de lagere rechter een onderscheid maakt tussen privégebruik en professioneel ofwel bedrijfsmatig gebruik. In dat laatste geval moeten hogere eisen worden gesteld aan de veiligheid van een roerende zaak of opstal.
6.3 Publiek toegankelijke aard van het bedrijf
Sommige bedrijven zijn naar hun aard publiek toegankelijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan winkels, die gericht zijn op een groot publiek. Aan de zaken die zij in hun bedrijfsuitoefening gebruiken, mogen hoge eisen gesteld worden. Dit blijkt onder andere uit de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2006. Een ander voorbeeld is een uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 april 2007.73 Een klant van een winkel was bij het verlaten van het pand tegen een betonnen anti-ramkraakpaaltje gelopen en had daardoor letsel ondervonden. Zij sprak de bezitter (tevens bedrijfsmatig gebruiker) van het paaltje, de eigenaar van de winkel, aan. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de winkel niet aansprakelijk was vanwege de onvoorzienbaarheid van de onvoorzichtigheid van de klant, is hetgeen de rechtbank in het algemeen overweegt ten aanzien van de (opstal)aansprakelijkheid van winkeliers interessant. Volgens de rechtbank moeten aan winkels hoge eisen gesteld worden voor wat betreft de in acht te nemen veiligheid. De ratio hiervan is te vinden in het feit dat winkels publiekelijk toegankelijk zijn en “vanwege het profijtbeginsel”.74 Hieruit kan worden afgeleid dat ook het commerciële aspect een rol speelt.
Een soortgelijk geval is een uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2008. Eiseres klaagde een meubelzaak aan nadat zij haar hoofd had gestoten tegen een wandmeubel. Het wandmeubel was gesitueerd boven een trap. Als gevolg van dit ongeluk is eiseres arbeidsongeschikt geworden. De vraag was of het wandmeubel kan worden aangemerkt als een gebrekkige opstal:
“De rechtbank stelt voorop dat, zoals – onweersproken – is opgemerkt in het rapport van Achmea, het ongeval zich heeft voorgedaan op een trap in een winkel en derhalve in een voor publiek toegankelijk gebied. Voorts is niet in geding dat de trap in de winkel is aangebracht teneinde het winkelend publiek van en naar de bovengelegen winkelverdiepingen te leiden. Dit brengt mee dat in het kader van de in acht te nemen algemene veiligheidsmaatregelen ten behoeve van bezoekers aan P Interieurs B.V. als eigenaar/exploitant van de winkel hogere eisen moeten worden gesteld dan wanneer het een privé-omgeving zou betreffen [curs. TEvdL].”75
Dat deze hogere eisen uiteindelijk ook van beslissende invloed kunnen zijn op de aansprakelijkheid blijkt uit twee zaken met een vergelijkbaar feitencomplex. In beide zaken was de eiser uitgegleden over een gladde houten vloer en werd de vraag aan de rechter voorgelegd of deze vloer had te gelden als een gebrekkige opstal. In het eerste geval – een zaak van het hof Amsterdam van 7 februari 2017 – oordeelde de rechter dat de vloer inderdaad gebrekkig was en dat de bezitter van de vloer (in casu: een winkelcentrum) aansprakelijk was voor de geleden schade.76 In een meer recentere zaak bij de rechtbank Overijssel van 4 april 2018 oordeelde de rechter anders. In die zaak wees de rechtbank de aansprakelijkheid af van de Vereniging van Eigenaren voor een valpartij op de houten vloer op het buitenterras. Opvallend was dat eiser in deze zaak de voornoemde uitspraak van het hof Amsterdam had aangedragen ter ondersteuning van zijn vordering. De rechtbank Overijssel zag echter belangrijke verschillen tussen beide zaken:
“Doorslaggevend verschil betreft de omstandigheid dat in de zaak [van het hof Amsterdam] sprake was van een houten vloer in een winkelcentrum, aldus een voor het openbaar publiek toegankelijke ruimte. Bij een dergelijk voor publiek toegankelijk gebouw zal eerder van een gebrekkige toestand sprake zijn dan bij een niet-openbaar gebouw. Verder heeft het hof [Amsterdam] overwogen dat de bewuste houten vloer direct aansloot op een lift, zodat gebruikers van de lift min of meer onverwacht de houten vloer betreden. Daarnaast heeft het hof in voormelde zaak overwogen dat de vloerdelen in de lengterichting waren geplaatst en dat de technisch manager belast met het toezicht op het winkelcentrum (kennelijk) had geoordeeld dat de anti-sliplaag niet langer voldeed, welk oordeel de eigenaar (kennelijk) ook inmiddels had overgenomen. Ook dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet gesteld noch gebleken”.77
Het gebruik van het woord ‘doorslaggevend’ lijkt te impliceren dat het voornaamste verschil de publieke toegankelijkheid van het winkelcentrum is ten opzichte van de privésfeer van het appartementencomplex. Het gebruik van de woorden ‘verder’ en ‘daarnaast’ lijkt te impliceren dat de overige verschillen meer dienst doen als ‘steunargument’. Met name het laatste argument (het oordeel van de technisch manager en de eigenaar) is mijns inziens niet sterk. De opstal moet namelijk gebrekkig zijn ongeacht de (on)bekendheid met het gebrek.
6.4 Gevaarlijke aard van de bedrijfsactiviteiten
Sommige bedrijfsactiviteiten zijn naar hun aard gevaarlijk. Indien een persoon een opstal of roerende zaak gebruikt in de uitoefening van deze bedrijfsactiviteiten, dan mogen aan deze zaak over het algemeen hoge eisen worden gesteld. Ter ondersteuning hiervan verwijs ik naar de eerdergenoemde uitspraak over de onthuidmachine (paragraaf 6.2) en noem ik een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2013. In casu had de eiser letsel opgelopen aan zijn enkel toen hij van een tokkelbaan naar beneden ging en met zijn voet tegen de grond raakte. Hij stelde de bedrijfsmatige exploitant van de tokkelbaan aansprakelijk en betoogde dat de opstal gebrekkig is gelet op het geringe hoogteverschil tussen de baan en de ondergrond. Met betrekking tot deze stelling nam de rechtbank in overweging dat:
“[h]et bedrijfsmatig exploiteren van een tokkelbaan, waaraan men in beginsel ongeacht zijn conditie, leeftijd en mate van sportieve ervaring deel kan nemen, [meebrengt] dat de exploitant een bijzondere zorgvuldigheid moet betrachten om ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken [curs. TEvdL]”.78
De rechtbank Den Haag stelt de bedrijfsactiviteit van de bedrijfsmatige gebruiker voorop en geeft aan dat er een ‘bijzondere’ mate van zorgvuldigheid geldt. De rechtbank kleurt vervolgens die ‘bijzondere zorgvuldigheid’ nader in aan de hand van de andere omstandigheden van het geval, waarbij met name de te verwachten onoplettendheid van tokkelende personen van belang is.79
6.5 Aanwezigheid van (private) veiligheidsvoorschriften voor de bedrijfstak
Voor sommige sectoren gelden (private) veiligheidsvoorschriften. Deze veiligheidsvoorschriften kunnen meewegen bij het gebrekkigheidsoordeel. Voor een bedrijf is het dan ook zaak om op de hoogte te zijn van deze voorschriften en deze na te leven. Een dergelijk voorschrift geldt niet of in mindere mate voor particulieren, zo blijkt uit een tweetal uitspraken over een val door een glazen wand dan wel deur. In het eerste geval ging het om een peuter die door een glazen windscherm was gelopen en daarbij letsel had opgelopen.80 De rechtbank wees de aansprakelijkheid van de bezitter van de glazen wand af. Zij legde aan haar oordeel ten grondslag dat bij een (opstal in een) privétuin minder hoge eisen mogen worden gesteld aan de veiligheid, dan aan een publiek toegankelijke omgeving.81 In het tweede geval – voorgelegd aan de rechtbank Gelderland – ging het om een student die door een glazen klapdeur van een onderwijsinstelling was gelopen en daarbij peesletsel had opgelopen.82 De vraag was of de klapdeur gebrekkig was. Daarbij was met name van belang of de betreffende klapdeur, in lijn met de geldende NEN-normen, veiligheidsglas bevatte. De rechtbank oordeelde, na het horen van meerdere deskundigen, dat eiser niet had bewezen dat de klapdeur ‘gewoon glas’ bevatte en wees de vordering af.83 Hoewel de rechter in beide zaken de vordering afwees, is hieruit wel op te maken dat aan een glazen wand in een privéomgeving lagere eisen worden gesteld dan aan een glazen wand in een professionele (ofwel: publiek toegankelijke) omgeving. In dat laatste geval vereist de rechter een mate van veiligheid die in overeenstemming is met NEN-normen (in casu: veiligheidsglas). Volgens de toepasselijke NEN-normen gelden voor woningen andere vereisten dan voor bijvoorbeeld ziekenhuizen, scholen en winkels.
6.6 Hogere eisen aan zaken van de bedrijfsmatige gebruiker: meer voorzorg
In de vorige subparagrafen heb ik toegelicht hoe het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak door kan werken in de gezichtspunten die gebruikt worden ter vaststelling van de gebrekkigheid. De vraag die zich hier aandient, is wat precies de invloed is van deze doorwerking. Uit de lagere rechtspraak blijkt dat het bedrijfsmatig gebruiken van een roerende zaak of opstal ertoe kan leiden dat er ‘hogere eisen’ worden gesteld aan de zaak. Dit betekent dat er meer veiligheid geboden moet worden. Hoe kan een bedrijfsmatige gebruiker ervoor zorgen dat zijn, bedrijfsmatig gebruikte, zaak voldoet aan de hoge mate van veiligheid?
Ten eerste moet de bedrijfsmatige gebruiker meer voorzorgsmaatregelen nemen om de veiligheid van zijn zaken te waarborgen. Is sprake van een professionele laedens, dan kan over het algemeen meer zorg van hem verwacht worden, zeker ingeval hij staat tegenover een zwakkere partij.84 Dit blijkt ook uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019.85 Eiseres in kwestie bezocht de sportschool Fit for Free om haar zoon, die daar aan het sporten was, gedag te zeggen. Toen zij naar haar zoon wilde lopen, struikelde zij over een verhoging. Als gevolg van haar val heeft zij schade geleden. Zij stelde de sportschool aansprakelijk op grond van art. 6:174 jo. 6:181 BW. De rechtbank oordeelde:
“De rechtbank acht de volgende omstandigheden van belang. In de fitnessruimte van een sportschool bewegen de bezoekers veelvuldig heen en weer. De aandacht van de bezoekers zal daarbij met name uitgaan naar het zich verplaatsen naar een volgend fitnessapparaat. […] Fit for free kon er daarbij, als professionele organisatie, niet zonder meer van uitgaan dat de bezoekers altijd een hoge mate van oplettendheid betrachten met betrekking tot de aangebrachte verhogingen. […] Dat brengt met zich dat aan de verhogingen, en in het bijzonder daar waar de verhoging aanvangt, de eis mag worden gesteld dat die in voldoende mate zichtbaar zijn voor de bezoekers van de sportschool, ongeacht of het frequente bezoekers betreft dan wel gaat om een incidenteel bezoek [curs. TEvdL]”.86
De rechtbank stelt hier een onderneming (in casu: een sportschool) gelijk met een professionele organisatie. Vervolgens verbindt zij hieraan de conclusie dat de sportschool extra voorzorgsmaatregelen had moeten nemen en dat het nalaten van het nemen van deze maatregelen de opstal gebrekkig doet zijn. Ook uit de hiervoor aangehaalde uitspraken blijkt dat van de bedrijfsmatig gebruiker meer voorzorgsmaatregelen verwacht mogen worden, zeker indien de bedrijfsactiviteiten gevaarlijk zijn of het bedrijf publiek toegankelijk is. Zo moeten uitstekende objecten in winkels verwijderd worden of duidelijk zichtbaar zijn,87 moeten gevaarlijke plateaus van zomerkampen worden voorzien van beschermhekjes88 en moeten gevaarlijke machines, zeker indien die bedrijfsmatig worden gebruikt, adequaat worden beveiligd.89 Naast het nemen van fysieke voorzorgsmaatregelen, houden de ‘hogere eisen’ in dat er adequaat gewaarschuwd moet worden voor gevaarlijke zaken die bedrijfsmatig gebruikt worden. Zo moet er gewaarschuwd worden voor uitstekende objecten in winkels,90 gladde vloeren in winkelcentra,91 gevaren inherent aan de bedrijfsactiviteit, zoals een te klein hoogteverschil van een tokkelbaan,92 en voor hoogteverschil in een sportschool.93 Verder impliceren de ‘hogere eisen’ dat bedrijfsmatige gebruikers de zaken die zij gebruiken in hun bedrijfsvoering regelmatig controleren op gebreken. Zo dient gecontroleerd te worden of een antisliplaag van een houten vloer nog voldoet94 en of een plateau van een zomerkamp wel genoeg waarborgen biedt tegen valgevaar.95 Tot slot is van belang dat een bedrijfsmatige gebruiker op de hoogte is van alle relevante (private) veiligheidsvoorschriften die gelden voor de bedrijfsmatig gebruikte zaken. Dit kan inhouden dat de bedrijfsmatige gebruiker nader onderzoek moet doen.
7. Slot
In deze bijdrage heb ik betoogd dat er geen waterdichte schotten bestaan tussen het vaststellen van de normschending op grond van art. 6:173 en 6:174 BW en het vaststellen van normadressaatschap van art. 6:181 BW. Het bedrijfsmatig gebruiken van een zaak (en daarmee het zijn van een bedrijfsmatige gebruiker) kan namelijk (mede) van belang zijn voor de inkleuring van het gebrekscriterium. Dit is in lijn met het onrechtmatigedaadsrecht (paragraaf 4 en 5), waar de zorgvuldigheidsnorm ook beïnvloed kan worden door het feit dat de daad gepleegd is door een bedrijf. De hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker kan doorwerken in de volgende gezichtspunten: gebruik van de zaak (paragraaf 6.2); publiek toegankelijke aard van het bedrijf (paragraaf 6.3); gevaarlijke aard van de bedrijfsactiviteiten (paragraaf 6.4); aanwezigheid van (private) veiligheidsvoorschriften voor de bedrijfstak. Het feit dat een roerende zaak of opstal bedrijfsmatig wordt gebruikt, kan betekenen dat er hogere eisen aan de zaak mogen worden gesteld (paragraaf 6.5). Dit betekent dat de rechter er goed aan doet om, voordat hij zich buigt over de eventuele gebrekkigheid van de opstal of de roerende zaak, eerst te onderzoeken of de betreffende zaak in bedrijfsmatig gebruik is. Dit voorkomt dat de rechter zich mogelijk twee keer over dezelfde vraag moet buigen (‘is de zaak gebrekkig?’ en ‘is de zaak, gelet op het bedrijfsmatig gebruik, gebrekkig?’). Bovendien leidt dit tot een buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht waar men met recht oog heeft voor de bijzondere positie van de bedrijfsmatige gebruiker.