Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/3.4.3
3.4.3 Herziening van de Richtlijn marktmisbruik
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS501138:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de Call for evidence: Review of Directive 2003/6/EC on insider dealing and market manipulation (Market Abuse Directive) van 20 april 2009.
Zie de Public consultation on a revision of the Market Abuse Directive (MAD) van 25 juni 2010. De consultatie liep tot 23 juli 2010. Zie hiervoor ook Hoff, Ondernemingsrecht 2010a.
Ingezien moet worden dat de verbodsbepalingen inzake handel met voorwetenschap en marktmanipulatie weliswaar betrekking hebben op financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt (of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke markt is aangevraagd), maar dat deze verbodsbepalingen ook gelden 'ongeacht of de transactie zelf daadwerkelijk op die markt plaatsvindt' (art. 9). Daarnaast geldt dat de verbodsbepalingen inzake handel met voorwetenschap zich mede uitstrekken tot transacties die betrekking hebben op financiële instrumenten die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, maar waarvan de waarde afhankelijk is van die van een financieel instrument dat wel is toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt (of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke markt is aangevraagd) (art. 9).
Bij de beschrijving van de moeilijkheden die uitgevende instellingen bij de toepassing van de openbaarmakingsplicht zouden ondervinden, haalt de Europese Commissie het rapport aan dat door ESME over de Richtlijn marktmisbruik is opgesteld (zie § 3.3.6).
Deze constatering van de Europese Commissie staat op gespannen voet met de bevindingen van CESR. CESR signaleerde: 'The industry has pmvided CESR with a number of comments concerning the notion of inside information.' en 'Most of the comments CESR received were related to the so called 'two-fold notion' of inside information.' Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, oktober 2008, Public Consultation, CESR/08-717. Daarnaast kan op het oordeel van ESME worden gewezen dat de keuze van de Europese wetgever om het begrip 'voorwetenschap' ten grondslag te leggen aan de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie een fundamentalflaw is. ESME stelt verder in haar rapport: 'The adoption of a single definition appears to be at the heart of widespread inconsistencies of behaviour and failures to comply with the directive requirements.'
Meer concreet verwijst de Europese Commissie naar de gebeurtenissen bij Société Générale (een Franse effectenhandelaar veroorzaakte door ongeoorloofde speculaties op de futuremarkten begin 2008 een verlies van E 4,9 miljard voor zijn werkgever, de Franse bank Société Générale) en Northem Rock (de Britse hypotheekbank Northem Rock werd in september 2007 geconfronteerd met een run on the bank, waarbij rekeninghouders hun tegoeden massaal opnamen). Zo stelt de Commissie: 'In the case of Société Générale, competent authorities needed to consider whether the delay in revealing the fraud and the implied increase in capital would not mislead the public. With regard to Northem Rock, competent authorities needed to establish whether delaying information in the situation of the bank was possible even though confidentiality of inside information could not be ensured and whether any such delay would not mislead the public.'
Dit wordt met name veroorzaakt doordat art. 5 van de Uitvoeringsrichtlijn gebruikelijke marktpraktijken, voorwetenschap en meldingsregeling nogal open formuleringen bevat en verder een niet-limitatieve opsomming geeft van de gegevens die in de insiderlijst moeten worden opgenomen.
Zie COM (2010) 135 final van 31 maart 2010.
Zie CESR, Executive summary to the report on administrative measures and sanctions as well as the criminal sanctions available in Member States under the Market Abuse Directive, 28 februari 2008, CESR/08-099.
Hiervoor is in § 3.3.6 gesignaleerd dat de Europese Commissie met betrekking tot onder meer de effectiviteit van de Richtlijn marktmisbruik een aantal vraagpunten heeft geformuleerd waarop zij reacties van marktpartijen wenste te ontvangen.1 In vervolg hierop heeft de Europese Commissie ruim een jaar later nog eens een consultatie uitgeschreven over een herziening van de Richtlijn marktmisbruik.2 Opmerkelijk is dat deze beide documenten weinig samenhang met elkaar vertonen. Het betreft — voor zover relevant voor het onderwerp van deze studie — vraagpunten c.q. een consultatie met betrekking tot:
(i) de werkingssfeer van de Richtlijn marktmisbruik
Zoals aangegeven, is de werkingssfeer van de verbods- en gebodsbepalingen van de Richtlijn marktmisbruik in beginsel3 beperkt tot gereglementeerde markten (art. 9 en 10). Met name als gevolg van de inwerkingtreding van de Richtlijn markten voor financiële instrumenten heeft de handel op andere handelsplatformen dan gereglementeerde markten — en meer in het bijzonder op multilaterale handelsfaciliteiten — een grote vlucht genomen (zie ook § 3.5). Om die reden acht de Europese Commissie het voorstelbaar dat de werkingssfeer van de Richtlijn marktmisbruik wordt uitgebreid naar financiële instrumenten die zijn toegelaten tot andere handelsplatformen. Een goede reden daarvoor is ook dat de Richtlijn markten voor financiële instrumenten een level playing field beoogde te creëren tussen de verschillende handelsplatformen, zodat alle vormen van marktmisbruik op gelijke wijze zijn verboden ongeacht de markt waarop een transactie plaatsvindt. Aangezien de werkingssfeer van de Richtlijn marktmisbruik nog steeds hoofdzakelijk beperkt is tot gereglementeerde markten zou toch weer een ongelijke behandeling tussen deze verschillende handelsplatformen blijven bestaan.
De werkingssfeer van de Richtlijn marktmisbruik — en daarmee van de voor "emittenten van fmanciële instrumenten" geldende openbaarmakingsplicht van voorwetenschap — wordt mede bepaald door het begrip 'financieel instrument'. De Europese Commissie stelt in haar call for evidence aan de orde dat van het begrip Tmancieel instrument' een ruimere omschrijving wordt gegeven in de Richtlijn markten voor financiële instrumenten, waarbij "contracts for differences (CFD's), credit default swaps, climatic derivatives and emission allowances derivatives" met zoveel woorden mede tot dit begrip 'financieel instrument' worden gerekend. Daarnaast wordt erop gewezen dat van het begrip 'grondstoffenderivaten' — dat van het in art. 1 onder 3 van de Richtlijn marktmisbruik omschreven begrip Tmancieel instrument' deel uitmaakt — een meer uitgewerkte omschrijving wordt gegeven in de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten. Dit roept volgens de Europese Commissie de vraag op of voor de invulling van het begrip Tmancieel instrument' in de Richtlijn marktmisbruik niet beter kan worden verwezen naar de omschrijving daarvan in de Richtlijn markten voor financiële instrumenten. Niet uitgesloten is dat hierdoor ook de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen wordt uitgebreid.
Uit de public consultation volgt verder dat de Europese Commissie bij het uitbreiden van de werkingssfeer van de Richtlijn marktmisbruik rekening wenst te houden met small and medium enterprises (SMEs), die niet onnodig met allerlei administratieve lasten geconfronteerd zouden moeten worden. In dit verband is relevant dat de Europese Commissie blijkens de call for evidence van oordeel is dat de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen vermoedelijk niet geschikt zal zijn voor minder liquide en niet-gereglementeerde handelsplatformen. De Europese Commissie laat helaas na om haar oordeel te voorzien van een motivering. In de public consultation lijkt de Europese Commissie hierover iets genuanceerder te denken en overweegt zij een aangepaste openbaarmakingsplicht van voorwetenschap in te voeren voor bepaalde SMEs waarvan de financiële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit (art. 6 lid 1 tot en met 3). Van dit voornemen van de Europese Commissie begrijp ik niet veel Immers, de plicht om voorwetenschap onverwijld openbaar te maken is één van de belangrijkste kernverplichtingen van uitgevende instellingen waarvan financiële instrumenten publiek worden verhandeld. Het past daarbij niet om SMEs van deze verplichting te ontheffen of waar het SMEs betreft op een andere wijze de openbaarmakingsplicht van voorwetenschap te verlichten.
Op de samenhang van de Richtlijn marktinisbrink met de Richtlijn markten voor financiële instrumenten wordt in § 3.5 ingegaan. In hoofdstuk 4 van deze studie wordt verder uitgebreid ingegaan op de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht volgens de nationale omzettingsvoorschriften en de daarvoor relevante begrippen.
(ii) de definitie van voorwetenschap
De Europese Commissie constateert dat bij de omschrijving van het begrip 'voorwetenschap' in art. 1 onder 1 van de Richtlijn marktmisbruik gebruik is gemaakt van kwalitatieve kenmerken en min of meer abstracte concepten, zoals informatie die: (a) concreet is, (b) niet openbaar gemaakt is en (c) indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten. Geconstateerd wordt voorts dat in het kader van de Lamfalussy-procedure aan een aantal van deze concepten een nadere uitwerking is gegeven (zie § 3.3.5). Om die reden concludeert de Europese Commissie in de call for evidence dat er op dit moment geen noodzaak zou bestaan om deze voor het begrip 'voorwetenschap' relevante concepten te herzien. Daarbij tekent de Europese Commissie nog wel aan:
"However, due to the open formulation of this definition, they can occasionally raise difficulties in terms of interpretation. Nevertheless, we consider that increasingly, as a result of publicised enforcement activity of competent authorities and developing jurisprudence in this area, market participants will have better understanding of how these concepts delimit 'inside information' definition for MAD purposes. In addition we may expect that CESR work will continue on this subject."
(iii) de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen en de regeling van uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap
De Europese Commissie stelt ervan op de hoogte te zijn dat sommige uitgevende instellingen moeilijkheden zouden ondervinden bij de toepassing van de voorschriften die gelden voor de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen.4 Die moeilijkheden houden verband met de voorwaarden waaronder een uitgevende instelling een beroep kan doen op de regeling van uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap, en dan vooral de voorwaarden: (i) dat uitstel waarschijnlijk geen misleiding van het publiek tot gevolg heeft en (ii) dat de uitgevende instelling de vertrouwelijkheid van de achtergehouden informatie kan waarborgen (art. 6 lid 2). Slechts incidenteel — zo merkt de Europese Commissie op — zou door uitgevende instellingen worden gewezen op de onzekerheid die voortvloeit uit het feit dat de openbaarmakingsplicht gebruik maakt van hetzelfde begrip 'voorwetenschap' als het begrip dat wordt gebruikt voor het verbod van handel met voorwetenschap.5
Op dit moment lijken wijzigingen in de definitie van voorwetenschap in verband met de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen volgens de Europese Commissie echter niet gerechtvaardigd. De Commissie stelt in dit verband:
"The genera' obligation for issuers to disclose inside information, even if based on a somewhat broad defmition of inside information, has some important advantages. Firstly, it offers a strong incentive for improving public availability of information regarding the issuers and their financial instruments. It thus supports investors' confidence and is beneficial to the liquidity and efficiency of financial markets. Secondly, it is also an effective means to reduce the possibilities of insider dealing."
Meer ontvankelijk lijkt de Europese Commissie te zijn voor de suggestie tot het eventueel aanbrengen van wijzigingen in de regeling van uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap. Zo formuleert de Europese Commissie in de call for evidence twee eisen waaraan de voorwaarden die aan de uitstelregeling zijn verbonden dienen te voldoen. Deze voorwaarden dienen enerzijds sufficiently precise te zijn en anderzijds not unduly restricted. Volgens de Europese Commissie zouden anekdotische bewijzen bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de aan de uitstelregeling verbonden voorwaarden niet altijd aan deze eisen voldoen. Ter illustratie hiervan wijst de Europese Commissie op buitengewone gevallen waarin de financiële levensvatbaarheid van een uitgevende instelling op het spel staat. In die gevallen kan het noodzakelijk zijn de openbaarmaking van bepaalde feiten of gebeurtenissen uit te stellen teneinde te voorkomen dat het welslagen van een reddingsoperatie of een steunmaatregel op het spel komt te staan.6 Niet verwonderlijk verwijst de Europese Commissie in dit verband in het bijzonder naar kredietinstellingen en andere uitgevende instellingen die van belang zijn voor de stabiliteit van het financiële systeem. Hoewel een uitgevende instelling in een dergelijk geval gewoonlijk wel een rechtmatig belang zal hebben bij uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap, zijn aan een beroep op de uitstelregeling ook de hiervoor aangehaalde voorwaarden verbonden dat: (i) uitstel waarschijnlijk geen misleiding van het publiek tot gevolg heeft en (ii) de uitgevende instelling de vertrouwelijkheid van de achtergehouden informatie kan waarborgen. Volgens de Europese Commissie geldt echter:
"While issuers should always strive to fulfill all three conditions, there is merit in reconsidering whether failure to comply with either of the two latter requirements should automatically stop the issuer from using the deferred disclosure mechanism. The question becomes particularly relevant at the times of heightened market uncertainty and challenges to the financial stability.
To eliminate the impact of such ambiguities it seems necessary to clarify conditions for the delay of inside information when the financial viability of a financial institution is in danger and a centra' bank's intervention is being organized to provide necessary liquidity; our initial reflection is that such situations should be clearly exempted from the requirement to disclose inside information. To this effect, it can be examined whether Article 7 should be broadened and exclude also financial stability measures from the scope of the MAD.
It is also useful to examine how to best address the uncertainty related to the more abstract condition for deferred disclosure of inside information (i.e. the omission would not be likely to mislead the public)."
In deze passage verwijst de Europese Commissie naar art. 7 van de Richtlijn marktmisbruik. In deze bepaling wordt een aantal transacties genoemd dat van het toepassingsbereik van de Richtlijn marktmisbruik is uitgezonderd. Zo zijn de in de richtlijn voorkomende gebods- en verbodsnormen bijvoorbeeld niet van toepassing op transacties in financiële instrumenten die in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld door een lidstaat worden verricht. Het voorstel van de Europese Commissie houdt in te onderzoeken of de ten aanzien van financiële ondernemingen te treffen toezichts- en steunmaatregelen niet uitgezonderd zouden moeten worden van de openbaarmakingsplicht van voorwetenschap.
In de public consultation laat de Europese Commissie blijken open te staan voor ingrijpende wijzigingsvoorstellen van de voor uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap geldende regeling. In de eerste plaats overweegt de Europese Commissie de lidstaatoptie van art. 6 lid 2 te laten vervallen en een emittent van financiële instrumenten voortaan de eenduidige verplichting op te leggen de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat in kennis te stellen van een genomen uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap. De Europese Commissie stelt:
"There is a case for eliminating this option by making it compulsory for listed issuers to inform their regulator after the event when they have decided to delay disclosure of inside information. In such cases the risks of insider dealing increase very much. The mere existence of such a measure could help regulators to act against undue delays and have a deterrent effect on undue delays of inside information. Further clarification could be enhanced by clarifying the conditions for deferred disclosure."
In de tweede plaats overweegt de Europese Commissie in bepaalde situaties een einde te maken aan de discretionaire bevoegdheid van een emittent van fmanciële instrumenten om — mits aan de daarvoor geldende strikte voorwaarden is voldaan — gebruik te maken van uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap. De bevoegdheid om uitstel te nemen, zou in die situaties toegekend moeten worden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De Europese Commissie licht haar voorstel aldus toe:
"Furthermore, in order to provide further clarity about delays in situations where financial institutions are in a grave condition with implications for systemic risk or for a Member State's financial stability (such as the cases involving Northern Rock in the UK or Société Générale in France), it could be desirable that the responsibility for such a decision be given to the regulator itself. The current situation where the decision is left only to the issuer does not seem appropriate given the extreme nature of the situation and the genera' interest at stake."
Hoewel de aan het voorstel ten grondslag liggende gedachte zal aanspreken, past hier wel onmiddellijk een waarschuwing bij. Zoals aangegeven, mag van het genomen uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap geen misleiding van het publiek te duchten zijn (art. 6 lid 2). Een bevoegde autoriteit neemt mijns inziens een bijzondere verantwoordelijkheid op zich als zij voor een financiële onderneming een besluit neemt tot uitstel van bepaalde voorwetenschap, terwijl zij niet van alle ins en outs van de fmanciële gang van zaken bij die onderneming op de hoogte is. Hoe moet bijvoorbeeld geoordeeld worden over een situatie dat uitstel wordt genomen ingeval betwijfeld mag worden dat een reële mogelijkheid van herstel van de gezonde verhoudingen bij een financiële onderneming bestaat. Kan of mag in dat geval door de bevoegde autoriteit tot uitstel worden besloten en als dat uitstelbesluit aanvankelijk genomen mag worden, tot hoelang mag dit uitstel dan voortduren?
In hoofdstuk 5 van deze studie zullen de nationale omzettingsvoorschriften met betrekking tot het voor de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen relevante begrip 'voorwetenschap' en de uitstelregeling aan een nader onderzoek worden onderworpen. Daarbij zal in het bijzonder worden ingegaan op de keuze van de Europese wetgever om één en hetzelfde voorwetenschapsbegrip ten grondslag te leggen aan zowel het voor insiders geldende verbod van handel met voorwetenschap als aan de openbaarmaking splicht van uitgevende instellingen.
(iv) de insiderlijst
Ten aanzien van de insiderlijst signaleert de Europese Commissie vooreerst dat op basis van de feedback die is ontvangen van bevoegde autoriteiten geconstateerd kan worden dat de met de insiderlijst beoogde doeleinden worden bereikt:
"(...) insider lists have significantly strengthened the competent authorities' ability to identify insiders who might have been involved in abusive practices. The lists have also been instrumental in raising awareness about market abuse risks that may arise in the issuer's organization and in its business environment."
Niettemin bestaan — aldus de Europese Commissie — bij uitgevende instellingen zorgen over de compliance duties die verband houden met het opstellen en bijhouden van een insiderlijst, alsook over de rechtsonzekerheid die met deze maatregel gepaard gaat. Problemen spelen in het bijzonder indien voorwetenschap gedeeld wordt in grotere organisaties en ingeval derden — zoals adviseurs — daarbij betrokken zijn. Verder constateert de Europese Commissie dat de omzetting van de op de insiderlijst betrekking hebbende voorschriften van de Richtlijn marktmisbruik binnen Europa uiteenloopt.7
Gelet op deze problemen stelt de Europese Commissie de vraag aan de orde of de verplichting tot het opstellen en bijhouden van insiderlij sten wel proportioneel is. Daarbij geeft de Europese Commissie als haar voorlopige opvatting reeds te kennen dat serieus aandacht geschonken dient te worden aan de administratieve lasten die zijn verbonden aan de naleving van deze maatregel. Ook acht de Europese Commissie denkbaar dat de nationale voorschriften met betrekking tot de insiderlijst meer met elkaar op één lijn gebracht kunnen worden door de minimumvoorschriften van de Richtlijn marktmisbruik met betrekking tot de inhoud van de insiderlijst te vervangen door een uitputtende lijst van voorschriften.
In § 7.6.2 wordt ingegaan op de nationale omzettingsvoorschriften met betrekking tot de insiderlijst.
(v) toezichts- en handhavingsbevoegdheden en sancties
In de public consultation gaat de aandacht in het bijzonder ook uit naar het thema `toezicht en handhaving'. De Europese Commissie wijst er vooreerst op dat onderdeel van haar werkprogramma voor 2010 het publiceren van een mededeling over sancties is.8 Het doel daarvan is:
"(...) the establishment of deterrent sanctioning regimes and convergence of supervisory powers and objectives across the EU. This initiative complements the review of the Market Abuse Directive."
De Europese Commissie wijst er verder op dat de door CESR opgestelde lijst van administratieve maatregelen en sancties die op grond van de Richtlijn markhnisbruik in de lidstaten van toepassing zijn, laat zien dat de sanctiebevoegdheden in de lidstaten significant van elkaar verschillen.9 Hetzelfde geldt voor de wijze waarop deze sanctiebevoegdheden in de lidstaten worden gehanteerd. Het is om die reden dat de Europese Commissie een aantal randvoorwaarden formuleert waaraan administratieve maatregelen en sancties, die in geval van een overtreding van de verbods- en gebodsnormen van de Richtlijn marktmisbruik kunnen worden opgelegd, moeten voldoen. In de eerste plaats zouden passende administratieve maatregelen opgelegd moeten kunnen worden waarmee een einde kan worden gemaakt aan een inbreuk op de nationale omzettingsvoorschriften van de Richtlijn marktmisbruik en/of de gevolgen daarvan ongedaan kunnen worden gemaakt. In de tweede plaats zouden de administratieve sancties een voldoende afschrikwekkende werking moeten hebben. In de derde plaats zou volgens de Europese Commissie een minimumbedrag voor bestuurlijke boetes vastgesteld moeten worden, zodat een bepaalde afschrikwekkende werking tenminste is verzekerd. Ingeval een inbreuk leidt tot een voordeel (een vermeden nadeel daaronder begrepen) zou het bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete ten minste twee maal dit genoten voordeel moeten bedragen. In de vierde plaats ten slotte acht de Europese Commissie het wenselijk dat elke opgelegde maatregel of sanctie door de bevoegde autoriteit openbaar wordt gemaakt, in elk geval op haar website.
In de public consultation wordt de aandacht verder nog gevestigd op de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de coordinerende rol die ESMA — de Europese Autoritieit voor effecten en markten, een sectoraal op te richten toezichthouder met speciale taken en bevoegdheden die verder reiken dan die van CESR (zie § 3.3.6) — daarbij zal gaan spelen op het terrein van uitwisseling van informatie en het doen van onderzoeken in grensoverschrijdende situaties. Eenzelfde coordinerende rol wordt aan ESMA door de Europese Commissie toegedacht bij de ontwikkeling van samenwerkingsovereenkomsten met de bevoegde autoriteiten van derde landen.
Hoofdstuk 9 van deze studie zal zijn gewijd aan het toezicht op de naleving en handhaving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie.