Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.4.5
7.3.4.5 ‘Privilege’ versus ‘due process’
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499605:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Roles 2010, p. 48.
Zie eerder Hemholz e.a.1997, p. 25.
In de Verenigde Staten wordt hiermee de cautie voor verdachten aangeduid. Deze waarschuwing is gebaseerd op het arrest van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 13 juni 1966 (384 U.S. 436 Miranda v. Arizona (No. 759). Hoewel de tekst per staat enigszins kan verschillen, luidt een typische Miranda Warning meestal als volgt: ‘You have the right to remain silent. Should you waive that right, anything you say can be held against you in the court of law. You have the right to speak to an attorney. If you cannot afford an attorney, one will be appointed for you. Do you understand these rights as they have been read to you?’
Klein 2003, p. 1344.
Het Hof lijkt de term ‘abusive coercion’ te koppelen aan het recht op een behoorlijk stafproces en de term ‘improper compulsion’ aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Zie bijvoorbeeld EHRM 24 september 2009 (Pishchalnikov t. Rusland), NJ 2010, 91 (m.nt. Reijntjes), § 68 en § 71. Ik zal dat onderscheid aanhouden, waarbij ik opmerk dat het (inhoudelijke) onderscheid tussen beide niet duidelijk is.
Schalken, noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226, pt. 5 e.v.
Wanneer het EHRM de Amerikaanse ‘foregone conclusion’-doctrine niet zou volgen en een ruime(re) betekenis aan het nemo tenetur-beginsel zou toekennen in zaken waarin de gedwongen afgifte van ‘real evidence’ in het geding is, dan kan dat worden verklaard doordat het recht tegen gedwongen zelfbelasting volgens het Hof de kern van het recht op een behoorlijk strafproces is. Ik wijs in dit verband op Roles die meent dat het Hof het nemo tenetur-beginsel verkeerd uitlegt en toepast.1 De essentie van het (Angelsaksische) ‘privilege against self-incrimination’ is dat een persoon kan weigeren om bewijs(materiaal) te onthullen of vragen te beantwoorden. Zodra de informatie al dan niet gewild is onthuld, dan verliest het ‘privilege’ haar betekenis. De vraag naar de toelaatbaarheid van die informatie staat daar dan los van. Het Hof zou deze traditionele betekenis van nemo tenetur miskennen en (daardoor) verkeerd toepassen. Volgens Roles verwart het twee noties, te weten het ‘privilege’ en de ‘fairness’ van de strafprocedure.2 Zie ook Klein die met betrekking tot de zogenoemde Miranda Warning3 een onderscheid maakt tussen de vaststelling of een ‘statement was compelled within the meaning of the privilege’ of ‘involuntary within the meaning of due process’.4
De uitleg en toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting als (overwegend) een ‘due process’-waarborg, is het resultaat van de ‘keuze’ van het Hof om het recht tegen gedwongen zelfbelasting in art. 6, lid 1 EVRM te lezen. Het respecteren van de wil van de verdachte strekt in Straatsburg ertoe de betrouwbaarheid van het bewijs, de menselijke waardigheid en autonomie van de verdachte en meer in het algemeen de integriteit van het strafproces te waarborgen, door hem te beschermen tegen ‘abusive coercion’ c.q. ‘improper compulsion’.5 Deze strekking past in de door Schalken gesignaleerde ontwikkeling in de Straatsburgse rechtspraak over art. 6, dat de integriteit van de overheid na het arrest Schenk in toenemende mate onderwerp van discussie is geworden.6 Zo bezien is nemo tenetur niet alleen een verdedigingswaarborg voor de verdachte, maar ook een instructienorm voor de autoriteiten. Die moeten bij de bewijsgaring integer handelen tegenover de verdachte.