Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.6:7.6 De uitleg en toepassing van contractuele klachtregelingen
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.6
7.6 De uitleg en toepassing van contractuele klachtregelingen
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973584:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft in het kader van contractuele klachtplichten die tot ‘zo spoedig mogelijk klagen’ verplichten, overwogen dat voor de vraag of tijdig is geklaagd, acht dient te worden geslagen op de gezichtspunten uit zijn rechtspraak over de klachttermijn op de voet van art. 6:89 BW en 7:23 lid 1 BW. In de literatuur wordt de door de Hoge Raad voorgestane toepassing van de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW bij de uitleg en toepassing van een contractuele klachttermijn in twijfel getrokken. In plaats daarvan wordt gepleit voor een strengere uitleg van de termijn met een laagdrempelige correctiemogelijkheid over de band van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Deze gedachte vindt in rechtspraak in feitelijke instanties enige navolging.
In het licht van de bevindingen aangaande het toepassingsbereik en de toepassingsvereisten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW werd als volgt geconcludeerd over de vraag hoe met contractuele klachtplichten moet worden omgesprongen.
Bij de uitleg van vaag geformuleerde klachttermijnen (zonder precieze tijdsaanduiding) zullen de omstandigheden van het geval moeten worden betrokken. Aan welke omstandigheden bij die uitleg meer of minder gewicht toekomt, hangt af van de sanctie van het beding. Indien het beding rechtsverval als sanctie stelt, kunnen de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW, en dan met name de vraag of de schuldenaar nadeel ondervindt als gevolg van het tijdstip van de klacht, als inspiratie dienen. Die nadeelfactor is tevens van belang indien het klachtbeding niet rechtsverval als sanctie op schending van een ontijdige klacht stelt, maar beperking van de schadevergoedingsvordering van de schuldeiser tot gevolg heeft. Bij klachtbedingen met een vage klachttermijn en bewijsrepercussies als sanctie kan belang toekomen aan de mate waarin de waarheidsvinding door het beding wordt belemmerd.
Met betrekking tot de toepassing van klachtbedingen, meer specifiek de vraag of de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid daaraan in de weg kan staan, geldt het volgende. Voorop staat dat hier sprake is van een hoge drempel, die slechts bij een onaanvaardbare situatie in beeld komt. Bij de weging van de omstandigheden van het geval moeten in dit verband per bedingtype bepaalde accenten worden gelegd.
Bij bedingen met vage klachttermijnen, waarbij een omstandighedenweging reeds noodzakelijk is in de uitlegfase, kunnen onbillijke uitkomsten veelal langs die weg voorkomen worden. Toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ligt bij dat type bedingen daarom niet in de rede.
Ten aanzien van klachtbedingen met een precies geformuleerde termijn en rechtsverval als sanctie werd geconstateerd dat de omstandigheid dat de schuldenaar als gevolg van het tijdstip van de klacht nadeel heeft ondervonden, niet de enige factor mag zijn voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. In dit verband is van belang of sprake is van professionele partijen (die met juridische bijstand over het contract onderhandelden), hoelang de schuldeiser met het gebrek bekend was of kon worden geacht voordat hij klaagde, of omstandigheden voorhanden zijn die met zich brengen dat de schuldeiser wel of niet eerder had kunnen klagen dan hij heeft gedaan alsmede voor wiens risico die omstandigheden komen. Deze gezichtspunten zijn ook goed bruikbaar bij de toepassing van verjaringsbedingen. Bij bedingtypen die schadevergoedingsrepercussies als sanctie stellen, is de mogelijkheid voor de schuldeiser om na ontvangst van de klacht gevolgschade te kunnen voorkomen relevant, alsmede de vraag of sprake is van een disproportionele verhouding tussen de voorzienbare schade en de mate van uitsluiting van vergoeding daarvan als gevolg van een ontijdige klacht. Bij bedingtypen met bewijsrepercussies als sanctie, komt in dit verband belang toe aan de mate waarin de waarheidsvinding en goede rechtsbedeling worden belemmerd.
Bij bedingen waarbij de klachtplicht op betaling van de koopprijs of het opstellen en verzenden van facturen ziet, kan voor gezichtspunten op de hiervoor genoemde bedingen worden teruggegrepen naargelang de sanctie die uit het voorliggende beding voortvloeit.