Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.1:IX.5.1 Inbedding in de grondideeën van het publiekrecht: rechtsstaat en het recht op een eerlijk strafproces
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.1
IX.5.1 Inbedding in de grondideeën van het publiekrecht: rechtsstaat en het recht op een eerlijk strafproces
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598644:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten eerste is het beginsel ingebed in centrale, het (publiek)recht beheersende grondideeën als die van de rechtsstaat en het recht op een eerlijk strafproces. Met beide houdt de onschuldpresumptie op wederkerige wijze verband.
Ten aanzien van de rechtsstaat betekent deze wederkerigheid dat de onschuldpresumptie enerzijds niet behoorlijk kan functioneren in een staat die niet op zijn minst op het meest elementaire niveau een rechtsstaat is en anderzijds aan de rechtsstatelijkheid van een rechtsorde een wezenlijke bijdrage levert. Dat de onschuldpresumptie alleen in een rechtsstaat kan functioneren ligt voor de hand. Het betreft een beginsel en mensenrecht dat het overheidsoptreden jegens haar burgers normeert. Zo’n beginsel kan alleen effectief zijn als de overheid zich eraan en aan de eruit voortvloeiende regels gebonden weet. Daarnaast vergt de bewijsdimensie dat de overheid een strafbaar feit bewijst. Die norm kan nauwelijks rechtsbeschermend effect sorteren zonder dat enige vorm van een materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel bestaat. Kan de overheid vrijelijk en ad hoc bepalen wat voor een strafbaar feit door kan gaan, dan hebben bewijsrechtelijke regels nagenoeg geen betekenis meer. Ook het functioneren van de behandelingsdimensie is van de rechtsstatelijkheid van de rechtsorde afhankelijk. Krachtens de behandelingsdimensie is schuldvaststelling en daaropvolgende bestraffing voorbehouden aan de uitkomst van de daartoe bestemde procedure. Dat veronderstelt het bestaan van een strafrecht dat zich voltrekt door middel van een strafprocedure waarvan het bestaan en de inrichting op voorhand in grote lijnen vastliggen.
Andersom bevordert de onschuldpresumptie het rechtsstatelijk gehalte van de rechtsorde. De bewijsdimensie zorgt ervoor dat het meest ingrijpende en potentieel onderdrukkende overheidsoptreden louter kan plaatsvinden waar de bevoegdheid daartoe zich niet alleen in het recht maar ook in de feiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aftekent. Terwijl het legaliteitsbeginsel de overheid in juridische zin bindt aan de strafwet, bindt de bewijsdimensie haar in feitelijke zin. Dat is cruciaal voor de in een rechtsstaat door middel van overheidsbinding aan het recht nagestreefde rechtszekerheid en ter voorkoming van machtsmisbruik of andere vormen van willekeurig punitief ingrijpen.1 Ook de behandelingsdimensie waarborgt dat het meest ingrijpende overheidsoptreden niet lichtzinnig, willekeurig en/of ten onrechte plaatsvindt. Zij verzekert immers dat het volgen van de daartoe bestemde eerlijke procedure ook de enige en exclusieve weg is tot punitief optreden. Alleen een rechtsorde die de overheid aan beide dimensies bindt, weert zich tegen arbitraire bestraffing.2
Op een enigszins andere wijze is de relatie tussen de onschuldpresumptie en het recht op een eerlijk strafproces eveneens wederkerig. Het onschuldvermoeden is enerzijds een constitutieve voorwaarde voor een eerlijk proces en onderdeel van dat proces. Dat geldt niet alleen voor de bewijsdimensie, maar ook voor de behandelingsdimensie voor zover deze de openheid van de procedure beschermt.3 Inmiddels zal echter duidelijk zijn dat de behandelingsdimensie van dat eerlijk proces niet alleen onderdeel uitmaakt, maar ook de omzeiling en ondergraving ervan tegengaat. De onschuldpresumptie bepaalt in dat opzicht weliswaar niet de inhoud van het proces,maar wel dát een procedure moet plaatsvinden omdat op andere wijzen niet tot schuldvaststelling kan worden gekomen.4 Ook geeft het recht op een eerlijk strafproces op zijn beurt kleur aan de behandelingsdimensie. Laatsgenoemde voorkomt omzeiling en ondermijning van de strafprocedure, maar bepaalt de inhoud van die procedure als gezegd niet. Zou de tot schuldvaststelling te volgen procedure niet op grond van het recht op een eerlijk proces met zoveel waarborgen zijn omkleed, dan zou dat ook de rechtsbeschermende werking van het onschuldvermoeden sterk verminderen. Het zou staten dan immers vrij staan de op schuldvaststelling gerichte procedure zodanig te verschralen dat voor willekeurige bestraffing alsnog veel ruimte bestaat.