Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/17.2:17.2 Ontstaan artikel 23 Grondwet
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/17.2
17.2 Ontstaan artikel 23 Grondwet
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455210:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 23 Grondwet dateert van 1917 (toen artikel 192 Grondwet). Artikel 23 Grondwet is als enige grondwetsartikel de grondwetsherziening van 1983 nagenoeg ongeschonden doorgekomen. Het artikel is in vergelijking met andere grondrechten zeer uitvoerig geformuleerd en bevat een aantal expliciete normen. De aard van deze normen verschilt. Sommige zijn sociaal andere zijn klassiek. Het grondrecht is ten eerste een voortborduren op de reeds in de Grondwet van 1814 geformuleerde zorgplicht voor de overheid om een nationaal onderwijssysteem te ontwikkelen, ten tweede een uitwerking van het in 1848 geformuleerde liberaal recht van de vrijheid van onderwijs, en last but not least vormt het de neerslag van wat men de ‘schoolstrijd’ pleegt te noemen: de politieke strijd tussen confessionelen (katholieken en protestanten) en liberalen.1
De oorspronkelijke codificatie van de vrijheid van onderwijs vinden we in Thorbeckes Grondwet van 1848. In artikel 198 staat:
‘Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.’
Dit klassieke grondrecht garandeerde natuurlijke of rechtspersonen de vrijheid om onderwijs te geven of te doen geven. Met het recht op de vrijheid van onderwijs werd het mogelijk om private scholen op te richten om uiteenlopende redenen. Sommige werden opgericht uit godsdienstige overwegingen, andere werden opgericht met het oogmerk van beter onderwijs. Het thuisonderwijs vloeide ook voort uit dit grondrecht. Particulier onderwijs kon echter niet rekenen op overheidsfinanciering. Pas later ontstonden er bijzondere confessionele scholen die naast de openbare scholen door de overheid werden bekostigd. Hiervoor moest echter eerst een flinke politieke strijd geleverd worden, die woedde vanaf begin 19e eeuw tot de pacificatie in 1917.
Het voorwerp van dispuut was de religieuze uniformiteit van het van staatswege gegeven onderwijs. De liberalen hielden decennialang vol dat er geen plaats was voor onderwijs met een meer specifiek godsdienstig karakter naast het van overheidswege gegeven onderwijs met een algemeen godsdienstig karakter. Ten grondslag aan de discussie over het karakter van het openbare onderwijs lag de vraag naar het karakter van de Nederlandse staat. Bleef Nederland een christelijke natie? Aanleiding voor deze vraag was het onderwijsartikel uit 1848. Hierin werd niet alleen de vrijheid van het onderwijs gegarandeerd maar stond ook dat het openbare onderwijs de inrichting van ‘ieders godsdienstige begrippen’ moest eerbiedigen: ‘De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld’.2 Vanwege deze formulering dachten de confessionelen dat de Grondwet van 1848 niet meer uitging van een algemeen christelijk karakter van het openbaar onderwijs maar van een neutraal karakter. Ze hadden de vrees dat christelijk openbaar onderwijs de uitzondering werd in plaats van de regel.3
Nadat onder confessionelen partijen het besef groeide dat, gezien de liberale politiek, een christelijke Nederlandse staat een gepasseerd station was, stelden zij niet langer de christelijke aard van het openbare onderwijs ter discussie, maar ijverden zij voor een eigen bijzondere school op godsdienstige grondslag naast het overige ‘neutrale’ openbare onderwijs. Uiteindelijk kwam aan de schoolstrijd een einde nadat vanuit confessionele zijde werd ingestemd met het door de liberalen voorgestane algemeen kiesrecht. De liberalen kregen het algemene kiesrecht en de confessionelen kregen hun gewenste, in gelijke mate als het openbare onderwijs, gefinancierde bijzondere school.4