Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/3.1
3.1 Inleiding
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692131:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Cleveringa 1972, p. 993.
Vgl. Asser/Procesrecht/Giessen 1 2015/9. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/7.
Ik laat het woord eigenrichting voorafgaan door het woord ‘ongeoorloofde’. Theoretisch kan eigenrichting in uitzonderlijke gevallen zijn toegestaan, bijvoorbeeld in de situatie waarin tijdige overheidshulp ontbreekt. Zie hierover Gras, Hendrikse & Jongbloed 2021, p. 3, die het voorbeeld noemen van de eigenaar die zijn fiets gestolen ziet worden en die dat verhindert.
Volgens de minister zijn ‘rechtsorde en rechtspleging noodzakelijk voor de ontwikkeling en het in stand houden van maatschappelijk vertrouwen’. Zie Kamerstukken II 2006/07, 30951, nr. 1, p. 8. Lewin ziet de door de overheid geregelde rechtsbescherming als uitvloeisel van het geweldsmonopolie van de overheid, Lewin 2013, p. 9.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017/10. In gelijke zin: Verheij 2002, p. 445. Hondius wijst er overigens op dat deze stelling niet op gaat voor de natuurlijke verbintenis. Hondius 2009, p. 51.
Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed 2021, p. 1.
Vgl. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/7.
Aldus, in iets ander verband, Smits 2008, p. 37.
PG Boek 3, p. 893.
In een geordende samenleving wordt het niet dan ten dele toegelaten, dat de gerechtigde desgeraden met eigen geweld tegenover anderen zorg draagt voor de verwerkelijking van zijn recht; waartegenover de gemeenschap den duren plicht krijgt haar machtsmiddelen ter beschikking te stellen, rechtstreeks of middellijk, van hem wiens recht op voldoend geachte waarborgen biedende wijze is vastgelegd. De staat, die de eigenrichting niet binnen zekere perken houdt, delft zijn eigen graf; de staat, die het executierecht en zijn verwezenlijking veronachtzaamt, doet het evenzeer.1
68. Het hierboven opgenomen citaat is het begin van de toelichting van Cleveringa op het toenmalige art. 430 Rv, dat onder meer bepaalde dat ‘de grossen van de vonnissen in de Nederlanden gewezen, zullen kunnen worden ten uitvoer gelegd in het geheele rijk’. Het lijkt niet logisch om een uiteenzetting over de doelen van het burgerlijk (proces)recht te beginnen met het schrikbeeld van eigenrichting, waarmee bedoeld wordt de situatie dat een gepretendeerde aanspraak met eigen middelen en niet via de overheidsrechter, wordt afgedwongen. Het burgerlijk procesrecht, waarmee ik doel op het geheel van (privaatrechtelijke) regels dat betrekking heeft op de inrichting en het verloop van de beslechting van een privaatrechtelijk geschil tussen twee of meer partijen en de tenuitvoerlegging van een daarop volgende rechterlijke of arbitrale beslissing,2 beoogt immers méér dan het voorkomen van (ongeoorloofde) eigenrichting.3 Toch is het goed om te bedenken dat zonder het bestaan van geschikte remedies de bereidheid om geschillen langs de geëigende juridische weg op te lossen, zal kunnen afnemen.4 Materieel recht zonder de mogelijkheid van effectuering daarvan, is geen materieel recht, aldus Snijders, Klaassen & Meijer.5 Daarmee is als belangrijkste functie van het burgerlijk (proces)recht gegeven de mogelijkheid tot verwezenlijking van (gepretendeerde) aanspraken op materiële rechten, of, in andere bewoordingen, handhaving van de door het materiële recht nagestreefde orde.6 Daarmee is ook duidelijk gemaakt dat het procesrecht niet op zichzelf staat of kan bestaan; het burgerlijk procesrecht en het burgerlijk recht zijn sterk verweven.7 Zonder materiële rechten heeft het procesrecht weinig functie; het dient middelen te verschaffen ter handhaving van die materiële rechten. Het procesrecht is er, met andere woorden, niet voor het procesrecht.8 De samenhang tussen rechtsvorderingen en subjectieve rechten is zelfs de reden geweest om in boek 3 BW een afzonderlijke titel aan de rechtsvorderingen te wijden.9 Dat betekent in zekere zin dat het doel van het procesrecht niet kan worden bepaald zonder ook het doel of de functie van de materiële rechten of, in brede zin, het privaatrecht, te bepalen.