Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/5.2.5:5.2.5 Tussenconclusie
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/5.2.5
5.2.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS499914:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dworkin (zie paragraaf 2.3.4.3) stelde dat de rechter tot de meest rechtvaardige oplossing komt door zijn gerichtheid op de normatieve structuur die achter de wetgeving ligt en daarmee dus op de beginselen die onderdeel uitmaken van de wet. De doorslaggevende factor zou zijn de wijze waarop de wetgever de wet heeft vormgegeven. Aan het begin van deze paragraaf zien we een voorbeeld van een rechter die zich, ook bij toepassing van de open norm ‘goed huurderschap’, houdt aan de letter van de wet door te oordelen dat een huurder zich niet als goed huurder heeft gedragen, ook al wist hij op het moment van handelen niet wat hij deed. Bij andere voorbeelden uit de jurisprudentie zien we echter ook dat, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het geval, de rechter niet altijd de verwachte consequenties verbindt aan de vaststelling van strijd met goed huurderschap. De vraag is dan ook of de rechter zich wel zo bewust is van de structuur achter de wetgeving en van daaruit handelt en niet met name gericht is op zijn of haar rechtvaardigheidsgevoel voor het specifieke geval.