Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.2.3:10.2.3 Beslissing over de opheffing van de schorsing
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.2.3
10.2.3 Beslissing over de opheffing van de schorsing
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook jeugdreclasseerders en officieren van justitie hanteren een dergelijke benadering bij het respectievelijk ‘terugmelden’ van de verdachte en vorderen van de opheffing van de schorsing (zie par. 8.5.3 en 8.2.5).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte is geschorst onder voorwaarden, kan de rechter te allen tijde ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie de opheffing van de schorsing bevelen en daarmee de voorlopige hechtenis (alsnog) ten uitvoer te leggen (artikel 82, eerste lid Sv). Reden kan zijn dat de verdachte de voorwaarden niet naleeft of dat bepaalde omstandigheden blijk geven van het bestaan van het gevaar dat de verdachte zal vluchten. Uit het kader van kinder- en mensenrechten volgt evenwel dat de rechter hiermee terughoudend moet omgaan; tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis moet immers een uiterste maatregel zijn. Uit de systematiek die ten grondslag ligt aan dit uitgangspunt vloeit voort dat de rechter de schorsing enkel mag opheffen als hij ervan overtuigd is dat de schorsingsvoorwaarden niet langer volstaan om de doelstellingen die voortkomen uit de gronden van het onderliggende bevel tot voorlopige hechtenis te verwezenlijken (lees: om het acute gevaar af te wenden dat de verdachte vlucht, de waarheidsvinding belemmert, recidiveert of maatschappelijke onrust veroorzaakt) en de rechter van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis om die reden strikt noodzakelijk en proportioneel is. Dit veronderstelt dat de rechter eerst moet nagaan of kan worden volstaan met minder ingrijpende middelen, bijvoorbeeld met een waarschuwing en/of een wijziging c.q. aanscherping van de schorsingsvoorwaarden (vgl. de subsidiariteitstoets bij stap 1 en 2a in par. 10.2.2). Voorts dient de rechter te beoordelen of de strafvorderlijke belangen die met de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis worden gediend zwaarder wegen dan de belangen van de verdachte om zijn proces in voorwaardelijke vrijheid af te wachten en gevrijwaard te blijven van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis (de proportionaliteitstoets stricto sensu; zie par. 10.2.4). Slechts als de rechter op basis van deze dubbele toets vaststelt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis strikt noodzakelijk en proportioneel is, kan hij overgaan tot de opheffing van de schorsing. In dat geval dient de rechter vervolgens te beoordelen of de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis kan geschieden op een alternatieve plaats of wijze die minder ingrijpend is dan een voltijds verblijf in een justitiële jeugdinrichting (vgl. par. 10.2.2, stap 2b).
Praktijk:
In de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen lijkt de opheffing van de schorsing als reactie op overtredingen van schorsingsvoorwaarden – uitzonderingen daargelaten – vooral een sterk punitief c.q. corrigerend karakter te hebben, hetgeen in belangrijke mate is ingegeven op grond van “pedagogische” overwegingen. De wijze waarop rechters de opheffing van de schorsing benaderen, kenmerkt zich door het idee dat het vanuit pedagogisch oogpunt belangrijk is om “consequent” te reageren op overtredingen van schorsingsvoorwaarden en daarmee een duidelijk “signaal” af te geven richting te minderjarige dat de voorwaarden niet vrijblijvend zijn.1 De eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis lijkt hierbij te worden beschouwd als een “kans” die de minderjarige heeft gekregen, maar die hij vervolgens, gelet op de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, niet heeft gegrepen. Hierop moet in eerste instantie (stevig) worden gereageerd. Toch betekent dit niet dat een vordering van de officier van justitie tot opheffing van een schorsing in alle gevallen daadwerkelijk resulteert in de opheffing van de schorsing en de insluiting van de minderjarige verdachte in een justitiële jeugdinrichting. Afhankelijk van onder meer de ernst van de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, de verklaring die de verdachte daarvoor geeft en de houding van de verdachte (lees: neemt hij verantwoordelijkheid?; toont hij berouw?), geeft de rechter de minderjarige soms een ‘nieuwe kans’ door ofwel de schorsing niet op te heffen en te volstaan met een waarschuwing, ofwel de schorsing op te heffen, maar direct of na korte tijd weer te schorsen onder dezelfde, dan wel gewijzigde voorwaarden (zie par. 7.6.1).
Aldus betreft de beslissing van de rechter over de opheffing van de schorsing in de praktijk doorgaans niet zozeer een beoordeling of met de eerder aan de schorsing verbonden voorwaarden kan blijven worden volstaan om de uit de gronden van het onderliggende bevel tot voorlopige hechtenis voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen te verwezenlijken, doch eerder het bepalen van een pedagogisch wenselijke reactie op het overtreden van schorsingsvoorwaarden. Tegen de achtergrond van een praktijk waarin door rechters soms op basis van pedagogische overwegingen ruimhartiger wordt omgegaan met de criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis als zij voornemens zijn om direct tot schorsing over te gaan en schorsingsvoorwaarden ruim worden toegepast om hulpverleningsdoelstellingen na te streven, legt de wijze waarop in de praktijk wordt omgegaan met de opheffing van de schorsing een kwetsbaarheid bloot in de bescherming van minderjarige verdachten tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, zoals voorgeschreven in artikel 37(b) IVRK, artikel 9, eerste lid IVBPR en artikel 5, eerste lid EVRM. Via deze weg is het immers mogelijk dat bijvoorbeeld het op oneigenlijke (schaduw)gronden bevelen van voorlopige hechtenis om te kunnen schorsen onder voorwaarden met als doel om daarmee vroegtijdig ambulante hulpverlening in te zetten, uiteindelijk toch resulteert in de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis, terwijl daarvoor strikt genomen een legitieme grondslag ontbreekt in het wettelijke kader van artikel 67 en 67a Sv en het op voorlopige hechtenis van minderjarigen betrekking hebbende kader van kinder- en mensenrechten.