Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.3.2
4.2.3.2 Kabinetsreactie op het onderzoeksrapport
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649702:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 25 732, nr. 8 (Kabinetsreactie). Overkleeft 2017a, p. 218-219 merkt terecht op dat de kabinetsreactie qua inhoud en strekking meer is dan slechts een reactie omdat er feitelijk een integraal kabinetsbeleid op het gebied van corporate governance voor beursgenoteerde vennootschappen in uiteen wordt gezet.
Kamerstukken II 1998/99, 25 732, nr. 8 (Kabinetsreactie), p. 11.
Kamerstukken II 1998/99, 25 732, nr. 8 (Kabinetsreactie), p. 13.
Zie naast de kabinetsreactie het Wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid tot het treffen van bijzondere maatregelen door de ondernemingskamer over de zeggenschap in de naamloze vennootschap, Kamerstukken II 1999/2000, 25 732, nr. 2, het voorstel voor de dertiende richtlijn (waarover Raaijmakers 1999, p. 293-298) en het Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW in verband met de mogelijkheid een registratiedatum te bepalen voor de uitoefening van stem- en vergaderrechten in de naamloze vennootschap van 15 juli 1999, Kamerstukken II, 1998/1999, 26 668, nr. 2.
Zie hierover uitgebreid Overkleeft 2017a, p. 230-236 en ook Timmerman 1999, p. 400.
Op 10 mei 1999 biedt minister van Financiën Zalm mede namens de ministers van Economische Zaken (Jorritsma), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (De Vries) en Justitie (Korthals) de kabinetsreactie op het onderzoeksrapport van de Monitoring Commissie aan de Tweede Kamer aan.1 In de kabinetsreactie wordt ingegaan op de beleidsmatige implicaties van een aantal aanbevelingen van de commissie Peters en het onderzoeksrapport van de Monitoring Commissie dienaangaande. De beleidsmatige implicaties worden, in navolging van de commissie Peters en de Monitoring Commissie, uitgesplitst voor (de naleving van) de aanbevelingen inzake transparantie en (de naleving van) de aanbevelingen inzake verantwoording. De paragraaf over verantwoording (3.2) begint als volgt:
“Een goede transparantie is een eerste voorwaarde om op adequate wijze verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid. Voor een goede verantwoording is het evenwel ook van belang dat diegenen aan wie de verantwoording wordt afgelegd ook hun oordeel kunnen geven over het gevoerde beleid en de verantwoording hierover. Bij tekortschietend beleid zullen adequate correctiemechanismen beschikbaar moeten zijn.”2
Het kabinet stelt zich vervolgens op het standpunt dat het agenderingsrecht kan bijdragen aan een goede werking van de algemene vergadering als forum voor informatie en verantwoording. Het agenderingsrecht zou een open en evenwichtige communicatie tussen de bestuurders en de kapitaalverschaffers, en daarmee een goede verantwoording, bevorderen. Nu zelfregulering niet het gewenste effect lijkt te hebben (als gezegd volgden slechts 16 vennootschappen de volledige aanbeveling van de commissie Peters) zal een wetswijziging ter invoering van een agenderingsrecht worden voorbereid. Het kabinet geeft aan daarbij rekening te zullen houden met de bezwaren die de onderzochte vennootschappen aanvoerden tegen met name de hoogte van de voorgestelde kapitaaldrempels. Nader onderzoek is nodig om te bepalen wat juiste kapitaalsdrempels zijn en in welke gevallen agenderingsverzoeken niet gehonoreerd hoeven worden.3
Tenslotte verdient het nog opmerking dat het kabinet (ongeveer) gelijktijdig met het voorstel tot invoering van het agenderingsrecht streefde naar onder meer een mogelijkheid om beschermingsconstructies bij vijandige overnames te doorbreken, een stemrecht van certificaathouders in vredestijd, een systeem van proxy solicitation en het aanscherpen van transparantieverplichtingen voor beursvennootschappen.4 Niet veel later kwam hier nog een voornemen tot herziening van de structuurregeling (ten gunste van de kapitaalverschaffers) bij. Beschouwt men deze voornemens in onderlinge samenhang, dan moet geconcludeerd worden dat rond de eeuwwisseling sprake was van een aanzienlijke rechtspolitieke verschuiving in de richting van kapitaalverschaffers.5 Het is van belang om dit in het achterhoofd te houden bij de beoordeling van de reikwijdte van het eerste wettelijke agenderingsrecht.