Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.7
1.8.7 Quanti ea res erit
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644894:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kaser, RIDA/1967, p. 275.
D. 10, 4, 9, 8 (Ulpianus): “Praeterea utilitates, si quae amissae sunt ob hoc quod non exhibetur vel tardius quid exhibetur, aestimandae a iudice sunt: et ideo Neratius ait utilitatem actoris venire in aestimationem, non quanti res sit, quae utilitas, inquit, interdum minoris erit quam res erit.” In het bijzondere geval van het produceren van bewijsstukken was het de eiser toegestaan onder ede te schatten wat de omvang van zijn belang was dat zij werden overgelegd. Met als gevolg dat de gedaagde tot dat bedrag veroordeeld werd: D. 12, 3, 10: “In instrumentis, quae quis non exhibet, actori permittitur in litem iurare, quanti sua interest ea proferri, ut tanti condemnetur reus: idque etiam divus Commodus rescripsit.” “Ten aanzien van bewijsstukken die iemand niet overlegt, is het de eiser toegestaan onder ede te schatten wat de omvang van zijn belang is dat zij worden overgelegd, met als gevolg dat de gedaagde tot dat bedrag veroordeeld wordt. Dit heeft ook de vergoddelijkte Commodus bij rescript bepaald.”
Kaser, RIDA/1967, p. 292. De hoogte van de geldsom kan verschillen bij het instellen van de actio Serviana tegen een pandgever respectievelijk tegen een bezitter (niet-pandgever): zie D. 20, 1 21, 3 (Ulpianus) en D. 20, 1, 16, 3 / 4 / 6 (Marcianus).
De condemnatio in de formula van de actio ad exhibendum was: “zoveel als de zaak waard zal zijn”: quanti ea res erit. De hoogte van de veroordeling, oftewel de condemnatio, stond niet vast, aangezien de eiser niet het bedrag had genoemd dat hij van de gedaagde verlangde.1 Als de rechter de gedaagde veroordeelde op grond van de zakelijke actie of de actie tot productie, dan moest hij de waarde van de zaak taxeren. Die taxatie kon verschillend uitvallen. In geval van boos opzet en roekeloosheid stelde Ulpianus het volgende:
“Bovendien moeten belangen, indien zij verloren zijn gegaan omdat een zaak niet geproduceerd of te laat geproduceerd wordt, door de rechter worden geschat. Daarom zegt Neratius dat het het belang van de eiser, en niet de waarde van de zaak is, die aan de taxatie ten grondslag wordt gelegd; en dat belang zegt hij, zal soms minder waard kunnen zijn dan de zaak zelf.”2
De hoogte van de geldsom bij de veroordeling van de gedaagde hing af van de hoofdactie die de eiser wilde instellen na de productie van de zaak. Als de hoofdactie de revindicatie of de actio Publiciana was, dan verkreeg de eiser de volledige waarde van de zaak inclusief de vruchten en ander bijkomend voordeel, dat de eiser bij het slagen van die acties ook zou hebben verkregen. Was de hoofdactie een actio confessoria op grond van een vruchtgebruik, dan verkreeg de eiser de waarde van het vruchtgebruik. Hetzelfde gold voor de gevallen waarin de hoofdactie de actio Serviana was of waarin een interdictum utrubi in het geding was. Dan verkreeg de eiser de waarde van het pandrecht respectievelijk de waarde van het bezitsbelang.3