Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.4
1.8.4 De hoofdactie: actio directa
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644998:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Lenel (1927), p. 223. Goudsmit noemt de actio ad exhibendum de dienares van de reivindicatio, Goudsmit, De Gids/1872, p. 42; Harke (2019), p. 10.
D. 10, 4, 1 (Ulpianus): “Haec actio perquam necessaria est et vis eius in usu cottidiano est et maxime propter vindicationes inducta est.” Zie ook: Vangerow III (1876), p. 638: “(…) und zwar muβ das Verlangen auf Vorweisung einer Sache begründet sein durch ein Recht auf die vorweisende Sache, durch ein Recht dessen Effectuirung durch die Exhibition vorbereitet werden soll.” In beginsel, want de Digesten geven (uiteraard) een uitzondering: D. 10, 4, 3, 14 (Ulpianus).
Zie hierover ook Goudsmit, De Gids/1872, p. 10.
D. 10, 4, 3, 13 (Ulpianus): “Ibidem subiungit iudicem per arbitrium sibi ex hac actione commissum etiam exceptiones aestimare, quasi possessor obicit, et si qua tam evidens sit, ut facile repellat agentem, debere possessorem absolvi, si obscurior vel quae habeat altiorem quaestionem, differendam in directum iudicium re exhiberi iussa: de quibusdam tamen exceptionibus omnimodo ipsum debere disceptare, qui ad exhibendum actione iudicat, veluti pacti conventi, doli mali, iurisiurandi reique iudicatae.”
D. 10, 4, 3, 14 (Ulpianus): “Interdum aequitas exhibitionis efficit, ut, quamvis ad exhibendum agi non possit, in factum tamen actio detur, ut Iulianus tractat. servus, inquit, uxoris meae rationes meas conscripsit: hae rationes a te possidentur: desidero eas exhiberi. ait Iulianus, si quidem mea charta scriptae sunt, locum esse huic actioni, quia et vindicare eas possum: nam cum charta mea sit, et quod scriptum est meum est: sed si charta mea non fuit, quia vindicare non possum, nec ad exhibendum experiri: in factum igitur mihi actonem competere.”
D. 19, 2, 19, 4 (Ulpianus): “Si inquilinus ostium vel quaedam alia aedificio adiecerit, quae actio locum habeat? Et est verius Labeo scripsit competere ex conducto actionem, ut ei tollere liceat, sic tamen, ut damni infecti caveat, ne in aliquo dum aufert deteriorem causam aedium faciat, sed ut pristinam faciem aedibus reddat.”
D. 19, 2, 32 (Julianus); D. 19, 2, 25, 1 (Gaius); voor Nederlands recht zie: art. 7:226 BW.
D. 10, 4, 20 (Ulpianus): “Quaestionis habendae causa ad exhibendum agitur ex delictis servorum ad vindicandos conscios suos.”
D. 10, 4, 3, 10 (Ulpianus); “Plus dicit Iulianus, etsi vindicationem non habeam, interim posse me agere ad exhibendum, quia mea interest exhiberi: ut puta si mihi servus legatus sit quem Titius optasset: agam enim ad exhibendum, quia mea interest exhiberi, ut Titius optet et sic vindicem, quamvis exhibitum ego optare non possim.” “Julianus gaat nog verder door te zeggen ‘dat ik, zelfs als ik geen actie tot vordering van de eigendom heb, intussen wel een actie tot productie kan instellen, aangezien ik bij het produceren belang heb, bijv. wanneer aan mij een slaaf is gelegateerd, die Titius zou mogen uitkiezen. Ik stel dan namelijk de actie tot productie in, omdat het voor mij van belang is dat er productie plaatsvindt, teneinde Titius zijn keuze te laten maken en ik op die basis de eigendom kan vorderen, hoewel ìk de slaaf niet kan uitkiezen als hij wordt geproduceerd.’”
De grondslag van de actio ad exhibendum lag in de hoofdactie (de zogenaamde actio directa).1 Dit hield in dat zij (in beginsel) niet zonder een “hoofdactie” kon worden ingesteld:
“Deze actie is in hoge mate noodzakelijk en haar gewicht blijkt in de dagelijkse praktijk; zij is vooral met het oog op zakelijke acties ingevoerd.”2
De actie tot productie moest de hoofdactie van de eiser ondersteunen. Als de hoofdactie bij voorbaat geen kans van slagen had, dan slaagde de actie tot productie evenmin. Als bij voorbaat duidelijk was dat de gedaagde de hoofdactie kon afweren met bijvoorbeeld een exceptie, dan wees de rechter de actie tot productie eveneens af. Zij was dan nutteloos.3 De rechter behoorde derhalve bij zijn beslissing, of de gedaagde de zaak moest tonen, mee te wegen of de hoofdactie van de eiser kans van slagen had:
“Op dezelfde plaats voegt hij (Pomponius) eraan toe dat de rechter krachtens de hem bij deze actie gegeven beslissingsvrijheid ook de excepties die de bezitter opwerpt, moet beoordelen. En als er een exceptie zo evident geldig is dat zij de eiser gemakkelijk afweert, moet hij de eis tegen de bezitter afwijzen; maar als zij minder doorzichtig is of diepgaander onderzoek vraagt, moet hij, onder bevel tot productie, haar naar de hoofdprocedure opschuiven. Maar over sommige excepties moet de rechter die in de actie tot productie oordeelt, hoe dan ook zelf beslissen, zoals over de exceptie van gemaakte afspraak, van wangedrag, van afgelegde eed en van gewijsde zaak.”4
Was het niet bij voorbaat duidelijk of de hoofdactie zou slagen, dan wees de rechter de actie tot productie toe. Zo verhaalt Julianus van het geval dat “een slaaf van mijn vrouw de boekhouding heeft bijgehouden en ik die boekhouding met de revindicatie opeis. Dan hangt het ervan af of die boekhouding geschreven is op mijn papier. In dat geval is zij mijn eigendom en kan ik niet alleen revindiceren maar ook de productie vragen met de actio ad exhibendum. Is het papier niet van mij, dan heb ik geen revindicatie en ook geen actie tot productie. De billijkheid geeft mij dan toch een op de feiten toegesneden actie, een actio in factum”:5
Het belang bij de productie van de zaak ontbrak in de meeste gevallen waarin de eiser een persoonlijke (obligatoire) actie tegen de gedaagde had. Vandaar dat de actio directa doorgaans een zakelijke actie was. Obligatoire (dus persoonlijke) acties werden (vaak) ingesteld, omdat een overeenkomst niet was nagekomen. Partijen gingen een of meer verplichtingen aan, die uitgevoerd diende(n) te worden. De staat waarin een zaak zich bevond of het antwoord op de vraag of de schuldenaar de zaak in zijn bezit had, waren bij persoonlijke acties minder relevant. De schuldenaar diende te leveren conform de afspraken, of hij nou wel of niet het bezit van de zaak had. Deze levering was af te dwingen met de persoonlijke actie. Een actio ad exhibendum was niet nodig als hulpactie. In de (meeste) persoonlijke acties lag namelijk de eis tot exhibitie ingesloten. In het geval van een koopovereenkomst moesten de zaken worden geleverd in de staat waarin zij zich tijdens de overeenkomst bevonden. Als een huurder in het gehuurde gebouw bijvoorbeeld een deur had geplaatst, dan had de huurder de actie uit huur (actio conducti) om de deur uit het gebouw weg te halen.
“Welke actie is van toepassing als een huurder een deur of iets anders in het gebouw heeft aangebracht? Het meest juist is wat Labeo schrijft: dat de actie uit huur beschikbaar is om te bereiken dat hij een en ander mag weghalen, zij het met dien verstande dat hij een garantie inzake dreigende schade moet geven, om ervoor te zorgen dat hij bij het weghalen de toestand van het gebouw niet zal verslechteren, maar het zijn vroegere aanzien zal teruggeven.”6
De actie uit huur kon niet ingesteld worden in het geval de verhuurder het huis had overgedragen aan een ander. Dan had de huurder geen actio conducti tegen de nieuwe eigenaar, want laatstgenoemde had geen huurovereenkomst met de huurder gesloten; naar Romeins recht verbrak een overdracht van de zaak immers wél de huur (emptio tollit locatum).7
Toch kwam het wel voor dat de hoofdactie geen zakelijke actie was. Zo kon ook degene die een (persoonlijke) noxale actie had, de actie tot productie instellen. Een noxale actie werd ingesteld als bijvoorbeeld een slaaf van een ander schade had veroorzaakt. In dat geval was de eigenaar van de slaaf aansprakelijk voor diens daden. Voor het slagen van een noxale actie moest de gelaedeerde eiser de slaaf aanwijzen die de schade toebrengende handeling had verricht. Was de slaaf intussen verkocht en geleverd, dan was de nieuwe eigenaar aansprakelijk: de schade volgt de eigenaar (noxa caput sequitur). Met de actio ad exhibendum sommeerde de eiser de gedaagde aan hem zijn slaven te tonen, zodat hij de schadeveroorzakende slaaf kon aanwijzen. Ook kon productie van een slaaf gevorderd worden om de slaaf te martelen om informatie te verkrijgen.
“Op grond van delicten van slaven kan de actie tot productie worden ingesteld, met de bedoeling hen aan ondervraging met tortuur te onderwerpen teneinde hen hun medeplichtigen te laten aanwijzen.”8
De actie tot productie kon ook worden ingesteld om iemand te dwingen gebruik te maken van zijn keuzerecht. Zo verhaalde de jurist Julianus dat in een legaat was bepaald dat iemand (A) uit een paar slaven één slaaf moest kiezen, die vervolgens toekwam aan de ander (B). B kon de actio ad exhibendum instellen als A nog geen keuze had gemaakt. Zolang A de keuze nog niet had gemaakt, kon B de slaaf niet opeisen. Met de actio ad exhibendum werden de slaven getoond waaruit A moest kiezen. Zo werd A onder druk gezet een keuze te maken. B verkreeg pas een zakelijk recht op de slaaf nadat A de keuze had gemaakt. Omdat B belang had bij productie, kon hij de actie instellen.9