Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, rapport SFO, dossiernummer [dossiernummer] , gesloten op 15 juni 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1587.
Rb. Limburg, 18-03-2021, nr. 03/995003-14
ECLI:NL:RBLIM:2021:3148, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
18-03-2021
- Zaaknummer
03/995003-14
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2021:3148, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 18‑03‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2024:773, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBLIM:2020:1405, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 19‑02‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2024:772, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 18‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vast op € 167.394,00 en legt ook voor dit bedrag een betalingsverplichting op.
Partij(en)
RECHTbANK Limburg
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/995003-14 OWV
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 18 maart 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende te [adres 1] ,
hierna te noemen: [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 20, 21 en 28 januari en 5 februari 2020. Vervolgens heeft in deze ontnemingsprocedure een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden. Door de raadsman is op 22 mei 2020 een conclusie van antwoord ingediend. Op 7 juli 2020 heeft de officier van justitie een conclusie van repliek ingediend. De raadsman heeft vervolgens op 10 september 2020 een conclusie van dupliek ingediend. Op
4 maart 2021 is de zaak wederom inhoudelijk ter terechtzitting behandeld. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Op 19 februari 2020 heeft de rechtbank Limburg vonnis gewezen in de zaak met parketnummer 03/995003-14.
2. De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 324.130,00. In de conclusie van repliek d.d. 7 juli 2020 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in een bedrag van € 316.956,63. Ter zitting heeft de officier van justitie de vordering wederom gewijzigd in een bedrag van € 311.753,65 en daar aan toegevoegd de overweging dat de eerdere schattingen daarmee komen te vervallen.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten, waarvoor [verdachte] bij vonnis van 19 februari 2020 is veroordeeld, alsmede door middel van of uit de baten van een ander strafbaar feit, dan de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat dit andere strafbare feit door [verdachte] is begaan.
3. De beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] vast te stellen op € 311.753,65 en ook voor dit bedrag een betalingsverplichting op te leggen.
De officier van justitie heeft – kort gezegd – het volgende naar voren gebracht. De ontnemingsrapportage van 15 juni 2016 en het onderliggende vonnis van de rechtbank van 19 februari 2020 vormen de basis voor de ontnemingsvordering. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt moet worden geschat:
Strafbaar feit Opbrengst
Salaris juni 2007 tot en met 2008 (directeur) € 39.484,37
[bedrijf 1] € 30.000,00
Kasopnames/privé-uitgaven € 57.768,78
[adres 2] transacties € 184.500,50
Totale opbrengst € 311.753,65
Salaris juni 2007 tot en met 2008 (directeur)
In de berekening van de officier van justitie is het te veel betaalde salaris bepaald door het afgesproken en vastgelegde salaris te vergelijken met het daadwerkelijk ontvangen salaris.
[bedrijf 1]
De post [bedrijf 1] betreft een bedrag van € 30.000,- dat [verdachte] zichzelf wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dit bedrag heeft [verdachte] zich privé laten uitbetalen en hij heeft nagelaten dit bedrag aan de woningstichting over te maken. Dit betreft volgens de officier van justitie daarom zijn voordeel.
Kasopnames/privé-opnames
Met behulp van diverse constructies heeft [verdachte] zichzelf wederrechtelijk gelden uitgekeerd vanuit de woningstichting. Dit betreft volgens de officier van justitie opgeteld
€ 57.768,78. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de posten ten aanzien waarvan in het onderliggende vonnis van 19 februari 2020 door de rechtbank is bewezen verklaard, dat het voordeel door [verdachte] door een strafbaar feit is verkregen.
[adres 2] transacties
Dit betreft de post opgebouwd uit de winst die [verdachte] heeft verkregen door de aan- en verkoop van de woning aan de [adres 2] te Sittard . De hiermee behaalde winst betreft volgens de officier van justitie € 184.500,00. Volgens de officier van justitie bevat het dossier voldoende aanwijzingen voor de delicten oplichting, niet-ambtelijke omkoping en benadeling van een rechtspersoon door een bestuurder, in relatie tot de handelwijze van [verdachte] bij de transacties rond de woning aan de [adres 2] . In de voordeelberekening wordt dit meegenomen als wederrechtelijk verkregen voordeel uit een ‘ander feit’.
De officier van justitie heeft opgemerkt dat in de jurisprudentie is bepaald dat wanneer is overgegaan tot compensatie naar aanleiding van de overschrijding van de redelijke termijn en deze is toegepast in de strafzaak, er geen aanleiding meer bestaat om er eveneens consequenties aan te verbinden in de ontnemingsprocedure. Mocht de rechtbank toch besluiten rechtsgevolgen te verbinden aan het tijdsverloop, dan heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de aftrek op de betalingsverplichting conform geldende jurisprudentie niet meer zal kunnen bedragen dan € 5.000,-.
De officier van justitie heeft tenslotte opgemerkt dat voor zover al sprake zou zijn van ‘terugbetalingen’ door [verdachte] , dit geen invloed heeft op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Als er al rekening mee gehouden zou moeten worden, hetgeen het Openbaar Ministerie bestrijdt, dan zou dat bij de vaststelling van de betalingsverplichting moeten worden meegenomen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geheel geen voordeel op wederrechtelijke wijze heeft verkregen en dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen.
Salaris
De verdediging stelt zich omtrent het salaris op het standpunt dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de jaarverslagen is het salaris van de directeur opgenomen. Deze zijn door de Raad van Toezicht en de accountant akkoord bevonden. Hierdoor kan niet worden gesproken van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen. Omtrent het te veel betaalde salaris in 2007 zijn door [verdachte] met de Raad van Toezicht en de accountant afspraken gemaakt, die ook schriftelijk zijn vastgelegd, waardoor dat voordeel voor [verdachte] werd gecompenseerd. Ook daardoor kan er geen wederrechtelijk verkregen voordeel zijn, dat moet worden ontnomen.
[bedrijf 1]
De verdediging stelt zich omtrent het bedrag van € 30.000,- op het standpunt dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. [verdachte] heeft dit bedrag niet onder zich, maar heeft dit reeds overgemaakt aan de woningstichting. Gezien de wederkerigheid van de verplichtingen was [verdachte] niet gehouden om op een eerder tijdstip het betrokken bedrag van € 30.000,00 over te maken aan de woningstichting. Ook op dat moment kon niet gesproken worden van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Kasopnames/privé-opnames
De verdediging stelt zich ten aanzien van de kas- en privéuitgaven op het standpunt dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een aantal van de aangehaalde posten zijn door de woningstichting op de tussenrekening geplaatst. Van een aantal posten heeft [verdachte] zelf aangegeven dat deze op de tussenrekening thuishoorden en hier alsnog overleg over zou moeten plaatsvinden. Mochten het privéposten zijn, die door [verdachte] nog verrekend moeten worden, dan heeft hij dit al gedaan door middel van de betaling van € 50.000,-. Ten aanzien van de overige posten is er geen strafbaar handelen, had [verdachte] toestemming om deze uitgaven te doen of is het beweerdelijke voordeel niet in het vermogen van [verdachte] terecht gekomen.
[adres 2] transacties
De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de transacties met de woning aan de [adres 2] er geen voordeel is, dat op wederrechtelijk wijze werd verkregen. De prijs van het pand bij de aan- en verkoop door [verdachte] was marktconform. Daarnaast waren ook eerdere transacties tussen [verdachte] /de woningstichting en [bedrijf 2] zakelijke transacties voor een marktconforme prijs. Uit niets blijkt dat [verdachte] een niet verklaarbare winst heeft gemaakt. Er kan dan ook niet worden gesproken van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Berekening voordeel
De verdediging heeft verder aangevoerd dat [verdachte] uit eigen beweging een bedrag van
€ 50.000,00 heeft overgemaakt naar de woningstichting. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat [verdachte] voor dit bedrag niet ‘geplukt’ kan worden, omdat hij voor dit eventueel nadeel, de woningstichting al heeft gecompenseerd. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de strekking van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht met zich meebrengt, dat indien al € 50.000,00 aan ‘het slachtoffer’ is betaald, dat bedrag van het te ontnemen bedrag moet worden afgetrokken.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. Mocht de ontnemingsvordering worden toegekend, dan verzoekt de verdediging het te ontnemen bedrag wegens een overschrijding van de redelijke termijn te verminderen.
Ten slotte heeft de verdediging de rechtbank primair verzocht de vordering van de officier van justitie, inhoudende de duur van gijzeling op 1080 dagen te bepalen, af te wijzen, nu [verdachte] niet in staat is een eventueel ontnemingsbedrag in één keer te betalen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht te bepalen dat een eventueel te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel in termijnen mag worden voldaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 19 februari 2020 is [verdachte] veroordeeld wegens verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd in de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2012, het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd in de periode van 1 november 2008 tot en met 6 april 2010, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2021 en het medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 1 november 2008 tot en met 31 december 2008.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering daarvoor gegeven termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.
3.3.2
Het bewijs 1.
Volgens de officier van justitie kan het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel worden onderverdeeld in een viertal posten, te weten:
- 1.
Salaris juni 2007 tot en met 2008 (directeur);
- 2.
[bedrijf 1] ;
- 3.
Kasopnames/privéuitgaven;
- 4.
[adres 2] transacties.
De rechtbank zal bij haar beoordeling dezelfde structuur hanteren. De posten genummerd 1, 2 en 3 zien (deels) op feiten waarvoor [verdachte] bij vonnis van 19 februari 2020 is veroordeeld of vrijgesproken. Ten aanzien van deze feiten neemt de rechtbank wat betreft het bewijs, de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2020 zijn gebezigd over. Die moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Die bewijsmiddelen gelden als uitgangspunt én het bewijs voor de beoordeling, respectievelijk de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De post genummerd 4 ziet op een soortgelijk strafbaar feit, waaromtrent volgens de officier van justitie voldoende aanwijzingen bestaan dat dit feit door [verdachte] is begaan.
1. Salaris juni 2007 tot en met 2008 (directeur)
Salaris 2007
[verdachte] had recht op het salaris zoals dat is vastgesteld door de raad en vervolgens in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd door de voorzitter van de raad en [verdachte] . Voor het aan [verdachte] uitbetaalde surplus op het salaris in oktober, november en december 2007 ontbreekt elke grondslag. [verdachte] heeft zich dit te veel ontvangen salaris wederrechtelijk toegeëigend.
De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat [verdachte] ter zake van het teveel ontvangen salaris in 2007 voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van het salaris in 2007 een voordeel heeft verkregen van: € 31.863,96.
Salaris 2008
[verdachte] had recht op het salaris, zoals dat is vastgesteld door de raad en is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst van oktober 2008. Voor het ten titel van salaris meer uitbetaalde in 2008 ontbreekt elke grondslag. [verdachte] heeft zich dit bedrag wederrechtelijk toegeëigend.
De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat [verdachte] ter zake van het te veel ontvangen salaris in 2008 voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van het salaris in 2008 een voordeel heeft verkregen van: € 6.774,12.
Concluderend over het salaris in 2007 en 2008
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen betreffende het salaris in 2007 en 2008 over een totaalbedrag van € 31.863,96 +
€ 6.774,12 = € 38.638,08.
De verdediging heeft verwezen naar de jaarstukken over de jaren 2007 en 2008 als bewijs van rechtmatigheid van het ontvangen salaris. Deze stukken zijn voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak overgelegd door de verdediging. De rechtbank was bekend met de inhoud van die stukken. Deze zijn betrokken in de waardering van de bewijsmiddelen in de strafzaak, zodat deze stukken in de ontnemingsprocedure niet tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van de bedragen ten titel van salaris kunnen leiden.
2. [bedrijf 1]
In het onderliggende vonnis d.d. 19 februari 2020 heeft de rechtbank op basis van de voorliggende bewijsmiddelen geoordeeld dat [bedrijf 1] niet moet worden gezien als een onderdeel van de woningstichting, maar als een privéonderneming van [verdachte] . Dit betekent dat de kosten voor het ontplooien van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] , die ten laste zijn gekomen van de woningstichting, al dan niet onder de noemer ‘ [naam 1] ’, ten goede zijn gekomen aan een onderneming die (ten dele) toebehoorde aan [verdachte] . De rechtbank heeft in dit vonnis geoordeeld dat [verdachte] voor een totaalbedrag van € 78.608,07 met betrekking tot [bedrijf 1] heeft verduisterd in dienstbetrekking. In dit bedrag zitten onder andere de door de woningstichting betaalde kosten voor webdesign en de ontwikkeling van een website.2.
In de inbeslaggenomen administratie op het adres [adres 3] , het voormalig kantoor van [bedrijf 1] ., is een bankafschrift aangetroffen van het ABN-AMRO rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 1] ., [adres 4] , waarop te zien is dat op 18 november 2009 een bedrag van € 30.000,00 is overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [verdachte] , met omschrijving ‘Koop [bedrijf 1] concept’.3.
In de administratie bij [verdachte] , in beslag genomen op zijn woonadres [adres 5] , is een bankafschrift aangetroffen, betreffende de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] , welke rekening op naam staat van [verdachte] , [adres 6] . Op dit bankafschrift is te zien dat op 18 november 2009 op die rekening een bedrag van € 30.000,00 is ontvangen van [bedrijf 1] ., met omschrijving ‘KOOP [bedrijf 1] CONCEPT’.4.
[naam 13] heeft als getuige verklaard dat [verdachte] aan hem heeft verteld dat een bedrag van € 30.000,- aan de woningstichting moest worden betaald voor de ‘proof of concept’ van de website.5.Deze € 30.000,- is door [bedrijf 1] naar een privérekening van [verdachte] overgemaakt, omdat deze een rekeningcourantverhouding had met de woningstichting. [verdachte] zou dit dan later verrekenen met de woningstichting.6.De verbalisanten van FIOD hebben gerelateerd dat op een geen enkel bankafschrift te zien is dat dit bedrag is overgemaakt naar een bankrekening van de woningstichting.7.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] zich deze € 30.000,- wederrechtelijk heeft toegeëigend en ter zake van [bedrijf 1] dit voordeel heeft verkregen, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van [bedrijf 1] een voordeel heeft verkregen van: € 30.000,00.
3. Kasopnames/privéuitgaven
In het vonnis d.d. 19 februari 2020 is [verdachte] ten aanzien van de volgende posten vrijgesproken, met als gevolg dat ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] ten aanzien van deze posten enig wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen:
- een pinopname op 27 december 2007 ( [naam 2] ) voor een bedrag van € 250,-;
- stichting [naam 3] voor een bedrag van € 1.250,-;
- concert Beppie Kraft (Marlstone) voor een bedrag van € 2.975,-;
- een factuur van [bedrijf 3] ) voor een bedrag van € 2.007,05.
De rechtbank zal in deze uitspraak de structuur hanteren zoals door de FIOD gehanteerd op pagina 38 van de ontnemingsrapportage.
Zoals reeds eerder aangehaald neemt de rechtbank ook hier voor wat betreft het bewijs, de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2020 zijn gebezigd over. Die moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Die bewijsmiddelen gelden als uitgangspunt én het bewijs voor de beoordeling, respectievelijk de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
[naam 13] ter hoogte van € 1.965,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 1.965,00.
[naam 14] ter hoogte van € 250,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 250,00.
[bedrijf 9] ter hoogte van € 4.100,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 4.100,00.
[bedrijf 10] ( [naam 16] ) ter hoogte van € 1.000,-
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 1.000,00.
[bedrijf 11] ter hoogte van € 2.500,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 2.500,00.
[bedrijf 12] ter hoogte van € 2.600,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 2.600,00.
[bedrijf 13] ter hoogte van € 10.000,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 10.000,00.
[bedrijf 9] ter hoogte van € 2.445,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 2.445,00.
[naam 17] ter hoogte van € 3.250,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 3.250,00.
[bedrijf 14] ter hoogte van € 5.173,47
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 5.173,47.
Facturen van de [bedrijf 15] ter hoogte van € 1.335,99
In het vonnis d.d. 19 februari 2020 is [verdachte] veroordeeld voor de verduistering in dienstbetrekking van een camera en een camcorder aangekocht bij de Mediamarkt voor
€ 1.335,99. De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] door de besparing van de kosten voor de aankoop voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 1.335,99.
[bedrijf 16] ter hoogte van € 2.000,-
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] door de besparing van de kosten voor de aankoop van de goederen een voordeel heeft verkregen van: € 2.000,00.
[naam 18] ter hoogte van € 1.295,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 1.295,00.
[bedrijf 17] ter hoogte van € 3.293,60
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 3.293,60.
Kosten onderhoud auto ter hoogte van € 2.724,09 en € 2.724,61
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] door een besparing van de kosten op het onderhoud van zijn auto een voordeel heeft verkregen van: € 5.448,70.
[naam 19] ter hoogte van € 2.100,00
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post voordeel heeft verkregen, gelet op de bewijsmiddelen en de veroordeling van [verdachte] in de hoofdzaak. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] ter zake van deze post een voordeel heeft verkregen van: € 2.100,00.
Concluderend over de kasopnames/privéuitgaven
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk een voordeel heeft verkregen van € 48.756,75 door de opnames van contante bedragen uit de kas van de woningstichting en door de betalingen door de woningstichting voor goederen en diensten die aan [verdachte] in privé ten goede zijn gekomen.
4. [adres 2] transacties
Inleiding
Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tevens worden opgelegd indien door [verdachte] voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan dient, binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure, tot stand te komen in overeenstemming met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen, indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan.8.
Teneinde de leesbaarheid van deze uitspraak te bevorderen zal de rechtbank de aan-/verkoop van en andere transacties met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 2] te Sittard , zoals deze uit het dossier zijn gebleken, in chronologische volgorde weergeven.
Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] zijn een aantal originele taxatierapporten aangetroffen, betrekking hebbend op de woning [adres 2] te Sittard . Op 23 oktober 2006 wordt de waarde door taxateur [naam 4] geschat op € 75.000,-, met daarbij de opmerking: Slechte bouwkundige staat. Slopen?9.
2008
In de akte van levering is te lezen dat [verdachte] op 21 augustus 2008 ditzelfde pand van [bedrijf 4] koopt voor een bedrag van € 72.000,-. In de tussenliggende periode van twee jaren is de woning niet aan iemand anders te koop aangeboden.10.
2009
In een conceptrapport van [bedrijf 18] , getiteld [naam 20] in Sittard, gedagtekend 10 februari 2009 en opgemaakt in opdracht van [verdachte] namens de woningstichting, wordt de mogelijke haalbaarheid van onder andere het project [adres 2] te Sittard weergegeven.11.Op het moment dat opdracht wordt gegeven aan [naam 21] en [naam 22] om de haalbaarheid van de [adres 2] te onderzoeken en te rapporteren is [verdachte] de eigenaar van dit pand.
In de inbeslaggenomen administratie van [bedrijf 7] zijn meerdere verslagen van vergaderingen van de raad van toezicht aangetroffen. Uit een verslag van een vergadering van de raad van 17 februari 2009 blijkt dat tijdens deze vergadering voor de eerste keer over het project [adres 2] wordt gesproken. Het voorstel is om in de buurt van [adres 7] te Sittard een pand te kopen, waarin vijf studio’s kunnen worden gerealiseerd. Een onderzoek hiernaar en een voorstel van dit project zal op de volgende vergadering door de directie worden gepresenteerd.12.
Uit het verslag van de vergadering op 31 maart 2009 volgt dat de totale kosten voor het realiseren van deze studio’s worden geraamd op € 500.000,-. Gezien de ligging van dit project zou dit een mooie gelegenheid zijn voor verhuur aan personeel van de nieuwe huurder van [adres 7] . Er wordt ook gesproken over de mogelijkheid van verhuur aan studenten. Een voorstel voor dit project zal in de volgende vergadering door de directie worden gepresenteerd.13.In de daarop volgende vergaderingen volgt er geen nieuws over dit project. Uit het verslag van de vergadering van 10 november 2009 volgt dat er door de directie overleg is geweest met betrekking tot de subsidie van dit project. De aanvraag voor de subsidie zal door de directie worden gedaan. De start van de bouw wordt in het eerste kwartaal van 2010 verwacht.14.
Zoals vermeld zijn tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] een aantal originele taxatierapporten aangetroffen, betrekking hebbend op de woning [adres 2] te Sittard . Op 25 maart 2009 wordt de waarde van de woning door taxateur [naam 5] geschat op
€ 215.000,00.15.De WOZ-waarde is op 1 januari 2009 geschat op € 360.880,00.16.
2010
In een brief, gedateerd op 18 februari 2010, van [verdachte] aan het [fonds] is het volgende te lezen: ‘voor de volgende projecten zullen er (naar verwachting) medio 2010 nadere afspraken worden gemaakt en de intentieverklaringen worden ondertekend: [naam 23] – [adres 7] te Sittard: [naam 24] – [adres 2] te Sittard: [naam 25] – [instelling] ’.17.
Tijdens de vergadering van 27 april 2010 wordt het plan en de begroting dan definitief ter goedkeuring gepresenteerd aan de raad. Het betreft de aankoop van een pand op de [adres 2] voor realisatie van een zestal studio’s, inclusief zes parkeervoorzieningen. De aankoop is begroot op een bedrag van € 256.000,-. De renovatiekosten zijn begroot op
€ 497.395,50. De totale kosten worden geraamd op ongeveer € 750.000,-. De raad gaat ermee akkoord dat de directie bij [bedrijf 2] en bij [bedrijf 5] een offerte gaat opvragen voor dit project. Tevens zal de directie ook door een extern bureau een berekening laten maken voor de kosten van dit project.18.Uiteindelijk bleek dat [bedrijf 5] de verbouwing zou gaan doen.19.
Op 5 juli 2010 verkoopt [verdachte] het pand [adres 2] te Sittard aan [bedrijf 6] De verkoopprijs is niet vermeld in de akte van levering.20.In een kopie van de afrekening van de betrokken notaris, aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie van [bedrijf 7] , is te lezen dat het verkoopbedrag is vastgesteld op € 256.500,50.21.Uit emailverkeer tussen [naam 6] van het betrokken notariskantoor en [verdachte] komt naar voren dat [verdachte] vraagt om de vermelding in het kadaster van zijn naam als gerechtige op de [adres 2] te Sittard te verwijderen.22.
De leden van de raad hebben verklaard dat [verdachte] met het voorstel kwam om dit pand te kopen. [verdachte] heeft op geen moment verteld de eigenaar van het pand te zijn (geweest).23.Uit zowel de statuten van de woningstichting, als uit de arbeidsovereenkomst tussen de woningstichting en [verdachte] blijkt dat [verdachte] een meldingsplicht had voor de aankoop en de verkoop van de woning aan de [adres 2] en dat hij niet bevoegd was om de aankoop en de verkoop van deze woning in privé te doen, behoudens een uitdrukkelijke en schriftelijke vastgelegde toestemming van de voorzitter van de raad.24.
Zoals genoemd zijn tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] een aantal originele taxatierapporten aangetroffen, betrekking hebbend op de woning [adres 2] te Sittard . In 2010 hebben een tweetal taxaties plaatsgevonden, beide keren door taxateur [naam 5] . Op 25 februari 2010 is de waarde geschat op € 239.500,00 en op 5 december 2010 is de waarde geschat op € 249.000,00.25.
2011
Op 4 januari 2011 koopt de woningstichting het pand [adres 2] in Sittard voor een bedrag van € 297.380,25.26.In de akte van levering is voorts te lezen dat bij deze transactie [verdachte] optrad namens de woningstichting en [naam 7] namens de verkoper: [bedrijf 6]27.[naam 8] , werkzaam bij de woningstichting, heeft verklaard dat [naam 7] een hele goede vriend is van [verdachte] .28.Zijn bedrijf, genaamd [bedrijf 5] , was de hoofdaannemer van de woningstichting.29.
In de administratie van de woningstichting is een e-mailbericht aangetroffen gedateerd op 24 februari 2011 afkomstig van [naam 7] en gericht aan [verdachte] . In deze e-mail staat: ‘In bijlage WOZ waarden van de [adres 2] . Ik heb wel bezwaar gemaakt en onderbouwd dat het maar € 156.000,- waard is.’ In de bijlage is te lezen dat door de gemeente de WOZ-waarde van de winkel is gesteld op € 238.000,- en de WOZ-waarde van het voorhuis op € 104.000,-, peildatum 1 januari 2010.30.
2012
Zoals genoemd zijn tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] een aantal originele taxatierapporten aangetroffen, betrekking hebbend op de woning [adres 2] te Sittard . Op 3 april 2012 is de waarde door taxateur [naam 9] geschat op € 300.000,00.31.[naam 9] heeft verklaard dat hij nog steeds achter deze taxatie staat. Hij is ervan overtuigd dat een pand op de [adres 2] om en nabij de drie ton waard is. De eerder getaxeerde € 75.000,- noemt hij een lachertje.32.
[bedrijf 8] heeft over de transacties rondom de [adres 2] gerapporteerd dat de prijzen niet marktconform waren, dat de taxatierapporten, zeker in onderling verband bezien, niet allemaal realistisch waren, een winstmarge van ongeveer € 184.000,- op een transactie binnen een jaar ongeloofwaardig is en dat is gehandeld met personen die in een strakke zakelijke relatie stonden met de woningstichting.33.
Tussenconclusie [adres 2]
De rechtbank is van oordeel dat uit de voorgaande bewijsmiddelen het volgende kan worden afgeleid. [verdachte] wilde het pand [adres 2] verkopen aan de woningstichting waar hij directeur van is. Hij besloot zijn meldingsplicht aan de raad van toezicht te negeren en geen toestemming te vragen. Daardoor was het nodig dat hij buiten beeld bleef als eigenaar van het pand. In zijn hoedanigheid van directeur van de woningstichting heeft hij de raad van toezicht voorgesteld het pand aan te kopen en hierin studio’s te realiseren. Hij heeft in die hoedanigheid daartoe een haalbaarheidsrapport laten opstellen en een kostenbegroting. De hiermee gemoeide kosten hoefde hij zelf als eigenaar daardoor niet meer te maken. Deze onderzoeken hebben er uiteindelijk toe geleid dat het pand aan de [adres 2] niet slechts een oud pand in het centrum van Sittard was, maar dat het een oud pand werd met een plan, dus met potentie. In zijn hoedanigheid van directeur trof hij ook verdere voorbereidingen voor de realisatie van het project door het pand aan te melden bij het [fonds] en subsidie aan te vragen. Vrijwel direct nadat de raad van toezicht akkoord was met aankoop en realisatie van het project [adres 2] , verkocht hij het pand aan de [adres 2] aan een bevriende relatie, [bedrijf 6] , die als aannemer belang had de bouw van de studio’s te kunnen realiseren en dus ook belang had bij de uiteindelijke aankoop door de woningstichting. Juist omdat [bedrijf 6] wist dat de woningstichting het pand uiteindelijk zou kopen, kon [verdachte] het pand aan [bedrijf 6] verkopen. Niet lang daarna kocht [verdachte] in zijn hoedanigheid van directeur van de woningstichting het pand aan voor de woningstichting van [bedrijf 6] .
Strafbaar feit?
Een volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er op basis van het vorenstaande voldoende aanwijzingen als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht bestaan dat [verdachte] zich met zijn gedragingen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit en hieruit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan door de voorgaande overwegingen buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen. Door het verzwijgen van het eigenaarschap van het pand heeft hij eerst de raad van toezicht een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, mede waardoor hij in staat was voor rekening van de woningstichting onderzoek naar de haalbaarheid van het project te laten uitvoeren en waardoor de raad van toezicht niet kon beoordelen in hoeverre de voorstellen voor de aankoop van het pand beïnvloed waren door eigenbelang van [verdachte] .
Door vervolgens het pand niet rechtstreeks te verkopen aan de woningstichting, maar via het bedrijf van een goede vriend, [bedrijf 6] , werd voorkomen dat zijn dubbele hoedanigheid aan de woningstichting bekend werd en heeft [verdachte] tevens een listige kunstgreep toegepast.
Door deze handelwijze heeft [verdachte] kosten bespaard voor de ontwikkeling van zijn pand aan de [adres 2] . Mede daardoor kon hij in belangrijke mate de prijs van het pand samen met [bedrijf 6] bepalen en het pand met aanzienlijke winst verkopen, via [bedrijf 6] aan de woningstichting. Daardoor heeft [verdachte] op wederechtelijke wijze voordeel verkregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het salaris in 2007 en 2008
Vaststaat dat [verdachte] voordeel heeft verkregen betreffende het salaris in 2007 en 2008 met een totaalbedrag van € 38.638,08.
[bedrijf 1]
Vaststaat dat [verdachte] voordeel heeft verkregen betreffende [bedrijf 1] met een totaalbedrag van € 30.000,00.
De kasopnames/privéuitgaven
Vaststaat dat [verdachte] voordeel heeft verkregen betreffende de kasopnames/privéuitgaven met een totaalbedrag van € 48.756,75.
De [adres 2]
Vaststaat dat het totale voordeel voor [verdachte] € 184.000,- bedroeg. In hoeverre dit voordeel is toe te schrijven aan zijn wederrechtelijk handelen is niet eenvoudig vast te stellen, gelet op de uiteenlopende waardebepalingen van het pand. Was € 72.000,- voor een pand dat in zeer slechte staat was, een reële aankoopprijs? Was € 256.500,50 een reële aankoopprijs, een bedrag dat in samenspraak is bepaald? Vaststaat dat de waarde van het pand hoger is getaxeerd nadat er een concreet plan was om studio’s te realiseren, een plan dat op kosten van de woningstichting is ontwikkeld. Had [verdachte] zonder de projectontwikkeling een zelfde voordeel kunnen behalen? [naam 7] van [bedrijf 6] bepleitte als (WOZ-) voor peildatum 1 januari 2009 een waarde van € 156.000,-. Dit zal een voorzichtige schatting zijn, zoals dat gaat bij discussies over de WOZ-waarde. De rechtbank zal het voordeel schatten op het verschil tussen de verkoopprijs aan [bedrijf 6] en de waarde die [naam 7] van [bedrijf 6] schatte met een voorzichtige marge, rekening houdend ook met de bespaarde kosten. Het voordeel schat de rechtbank op € 50.000,00.
Conclusie
De rechtbank zal het bedrag, waarop het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 167.394,00.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [verdachte] betaalde bedrag van € 50.000,- van het geschatte voordeel dient te worden afgetrokken bij het vaststellen van de betalingsverplichting.
Ingevolge artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kosten in mindering brengen die rechtstreeks in verband staan met het begaan van strafbare feiten en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. Uit lid 9 van dit artikel volgt dat bij de bepaling van de omvang waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht. De rechtbank is van oordeel dat het door [verdachte] betaalde geldbedrag niet kan worden gezien als de in lid 8 bedoelde kosten die in rechtstreeks verband staan met het begaan van de strafbare feiten en redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk op welke posten deze betaling ziet. Het in de civiele procedure tussen de woningstichting en [verdachte] gewezen vonnis, waarbij [verdachte] is veroordeeld tot betaling van een aanzienlijke som geld aan de woningstichting, is door het in die procedure ingestelde hoger beroep niet onherroepelijk, zodat van een in lid 9 bedoelde vordering, die in rechte aan een benadeelde derde is toegekend, nog niet kan worden gesproken. De rechtbank ziet dan ook geen grond het door [verdachte] aan de woningstichting betaalde bedrag of de door de rechtbank in rechte vastgestelde vordering van de woningstichting op [verdachte] op de omvang van het ter ontneming van het door [verdachte] wederechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag in mindering te brengen.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 167.394,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank volgt de verdediging niet in haar standpunt dat het ontnemingsbedrag wegens (grove) overschrijding van de redelijke termijn op een lager bedrag moet worden vastgesteld, omdat deze geconstateerde verdragsschending naar het oordeel van de rechtbank voldoende wordt gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, aangezien in voormeld strafvonnis bij de straftoemeting reeds voldoende rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding de vordering van de officier van justitie, inhoudende dat de duur van de gijzeling wordt bepaald op 1080 dagen, af te wijzen, nu door [verdachte] niet aannemelijk is gemaakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.
De raadsman heeft voorts verzocht te bepalen dat het bedrag waartoe [verdachte] wordt verplicht aan de staat te betalen, in termijnen mag worden voldaan.
Uit het bepaalde van artikel 6:4:9 Wetboek van Strafvordering, dat op basis van artikel 6:4:9 Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing is indien een maatregel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, volgt dat een eventuele betaling in termijnen door de Minister kan worden toegestaan. Van een dienovereenkomstige bevoegdheid voor de rechtbank blijkt niet uit de wet.
4. Het wettelijke voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- -
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 167.394,00;
- -
legt ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 167.394,00;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2021.
Buiten staat
Mr. A.M. Schutte en mr. F.M. van Maanen Winters zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑03‑2021
Vonnis d.d. 20 februari 2020 van de rechtbank Limburg.
Schriftelijk bescheid, pagina 633.
Schriftelijk bescheid, pagina 633.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 13] d.d. 28 oktober 2014, pagina’s 1113 tot en met 1126.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 13] d.d. 28 oktober 2014, pagina’s 1113 tot en met 1126.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict d.d. 15 juni 2016, pagina 24.
Vindplaats: ECLI:NL:2020:1523.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 341 tot en met 356.
Proces-verbaal van internetonderzoek inzake SFO [verdachte] d.d. 16 maart 2016, pagina 1488.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2228 tot en met 2238 uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, proces-verbaalnummer 52294, gesloten d.d. 30 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3680.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2239 tot en met 2246 uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, proces-verbaalnummer 52294, gesloten d.d. 30 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3680.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2247 tot en met 2251.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 672 tot en met 681.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 388 tot en met 408.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 1522 tot en met 1529.
Schriftelijk bescheid, pagina 1587.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 1565 tot en met 1572.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 8] d.d. 31 juli 2014, pagina 697.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 74 tot en met 85.
Schriftelijk bescheid, pagina 374.
Schriftelijk bescheid, pagina 1578.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 10] d.d. 8 december 2014, pagina’s 1229 tot en met 1253, proces-verbaal verhoor getuige [naam 11] d.d. 15 december 2014, pagina’s 1168 tot en met 1189 en proces-verbaal verhoor getuige [naam 12] d.d. 9 december 2014, pagina’s 1127 tot en met 1143.
Arbeidsovereenkomst d.d. 23 oktober 2007, pagina’s 2419 tot en met 2423 uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, proces-verbaalnummer 52294, gesloten d.d. 30 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3680 en schriftelijk bescheid, pagina’s 739 tot en met 750.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 388 tot en met 406 en schriftelijk bescheid, pagina’s 2522 tot en met 2534.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 86 tot en met 94.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 86 tot en met 94.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 8] d.d. 31 juli 2014, pagina’s 1287 tot en met 1295.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 26] d.d. 16 september 2014, pagina’s 871 tot en met 881.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2314 en 2315.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 376 tot en met 387.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 9] d.d. 20 juni 2014, pagina’s 1269 tot en met 1276.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 1711 tot en met 1748.
Uitspraak 19‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor voormalig directeur woningstichting. Verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd en valsheid in geschrifte. Deels tezamen en in vereniging met een ander. Gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk en ontzet de verdachte uit het recht om de komende 5 jaar als directeur of bestuurder van een instelling voor volkshuisvesting te werken.
Partij(en)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/995003-14
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 februari 2020
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 20, 21 en 28 januari 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn telkens verschenen. Op 5 februari 2020 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging, op neer dat de verdachte:
Feit 1: al dan niet samen met een ander als medewerker en daarna als (assistent-)directeur van een woningstichting, geld van die woningstichting heeft verduisterd door zich teveel salaris te doen uitbetalen, betalingen aan en voor [naam bv 1] te doen plaatsvinden, kasopnames voor privéuitgaven te doen en betalingen aan [naam onderneming 1] te doen plaatsvinden;
Feit 2: al dan niet samen met een ander in de bedrijfsadministratie van deze woningstichting valse, dan wel vervalste geschriften heeft opgenomen of doen opnemen.
3. De voorvragen
3.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Enerzijds heeft de verdachte lange tijd op zijn berechting moeten wachten, met alle persoonlijke gevolgen van dien, anderzijds is de waarheidsvinding in het geding gekomen doordat belangrijke getuigen zich door het tijdsverloop niet alles meer kunnen herinneren.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. Zij heeft zich, onder verwijzing naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt gesteld dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding kan zijn het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk te verklaren. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze strafzaak niet gebleken. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn zal worden verdisconteerd in haar strafeis.
3.3
Het standpunt van de rechtbank
Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die redelijke termijn wordt in doorsneezaken in eerste aanleg in beginsel op twee jaren gesteld. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de (Nederlandse) Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het eerste verhoor van de verdachte op 7 april 2015 door de FIOD/Belastingdienst als eerste handeling moet worden aangemerkt.
De rechtbank stelt vast dat in deze strafzaak, die overigens niet als doorsneezaak is aan te merken, niettemin de redelijke termijn ruimschoots is overschreden.
Op 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen voor wat betreft de (rechtsgevolgen van) overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.1.De Hoge Raad heeft onder rechtsoverweging 3.21 overwogen:
“Overschrijding van de redelijke termijn (…) leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf, die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.”
De rechtbank volgt de lijn van de Hoge Raad en ziet géén zwaarwegende omstandigheden die tot gevolg zouden moeten hebben dat door de overschrijding van de redelijke termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank verwerpt het door de raadsman op dit punt geformuleerde verweer.
4. De beoordeling van het bewijs
Inleiding
Aan het einde van de zomer van 2012 berichtte het NRC Handelsblad dat de verdachte zich, als directeur van de woningstichting [naam woningstichting 1] , zou hebben verrijkt met een onroerendgoedtransactie. Daarnaast zouden een aantal gebeurtenissen en transacties binnen de woningstichting “vragen oproepen”. De minister van Binnenlandse Zaken heeft vervolgens aan de Raad van Toezicht van de woningstichting opdracht gegeven een onafhankelijk onderzoek in te laten stellen en een interim directeur te benoemen. Onafhankelijk onderzoeksbureau Intégis B.V. is vervolgens ingeschakeld om het onderzoek te verrichten. Dit onderzoeksbureau heeft onder meer een transactie met betrekking tot een pand aan de [adres 1] in Sittard bekeken, zijnde de onroerendgoedtransactie waarover het NRC had bericht. Daarnaast heeft het onderzoeksbureau de salarissen, de bedrijfsadministratie en andere aspecten van het zakelijk handelen van de verdachte onderzocht. Tijdens dit onderzoek kwamen ook een aantal declaraties van [medeverdachte] , de vader van de verdachte, aan het licht. Het rapport van Intégis B.V. is in januari 2013 naar de Belastingdienst/FIOD gestuurd. De verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD hebben vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte ingesteld. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft zich op een viertal onderwerpen gericht, te weten:
1. De salariëring van de verdachte door de woningstichting;
2. De handelswijze van en door [naam bv 1] , waarvan de verdachte voor 50 %
eigenaar was;
3. De privéopnames uit de kas/van de bank van de woningstichting door de verdachte;
4. De verrichte werkzaamheden van de onderneming [naam onderneming 1] van [medeverdachte] voor de woningstichting.2.
Een korte geschiedenis van de woningstichting
“ [naam woningvereniging] ” is opgericht op 16 juni 1920. Op 6 mei 1994 is deze vereniging omgezet in een stichting, genaamd “ [naam woningstichting 2] ”.3.De woningstichting had een woningbestand van ongeveer 300 eenheden, bestaande uit sociale woningbouw, appartementen, zorgcomplexen en bedrijfsruimtes.4.De vader van de verdachte, genaamd [medeverdachte] , was vanaf 6 mei 1994 tot 1 juni 2007 bestuurder en directeur van de stichting. De verdachte trad op 1 januari 2005 in dienst bij de woningstichting als junior adviseur bouw- en woningzaken. Met ingang van 1 juni 2007 heeft de verdachte zijn vader opgevolgd als bestuurder en directeur van de stichting. De naam van de stichting is op 1 november 2011 gewijzigd in “ [naam woningstichting 1] ”. Na het gesprek van de Raad van Toezicht met de minister van Binnenlandse zaken over mogelijke fraude is de verdachte op 31 augustus 2012 geschorst. Nadat het rapport van Intégis in januari 2013 verscheen, is de verdachte ontslagen.5.Om de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen zal de rechtbank in dit vonnis spreken van “de woningstichting”, waar zij bedoelt [naam woningstichting 2] of [naam woningstichting 1] .
Volgens de statuten van de woningstichting werd het toezicht op de directeur uitgeoefend door een Raad van Toezicht van ten minste drie en ten hoogste zes leden. Bij de politie en ter terechtzitting zijn een aantal oud-leden van de Raad van Toezicht gehoord, te weten:
[naam lid RvT 1] , [naam lid RvT 2] , [naam lid RvT 3] en [naam voorzitter RvT] .6.Laatstgenoemde was met ingang van 1 januari 2008 voorzitter van de Raad van Toezicht.7.Teneinde de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen zal de rechtbank in dit vonnis spreken van “de raad”, waar zij bedoelt de Raad van Toezicht van de woningstichting.
Bij de woningstichting werkte, behalve de directeur, [naam administratief medewerkster] als administratief medewerkster en een derde persoon in de functie van onderhoudsmedewerker.8.
[naam samenstellend accountant] was de samenstellend accountant, wat betekende dat hij informatie verzamelde voor de jaarrekening. De jaarrekening werd vervolgens gecontroleerd door de accountants van Ernst & Young. Deze werd jaarlijks aan de leden van de raad gepresenteerd.9.
[naam bv 1]
Op 29 juli 2009 werd mede door de verdachte de besloten vennootschap genaamd [naam bv 1] opgericht, waarvan hij via zijn eigen besloten vennootschap [naam bv 2] een aandeel had van 50 %. Dit formaliseerde de samenwerking die hij al in juli 2008 was aangegaan met het bedrijf [naam bedrijf 1] . [naam bv 1] was tot stand gekomen om de toenemende vraag naar zorgwoningen en de problematiek omtrent afstemming van vraag en aanbod naar woningen voor zorgbehoevenden te faciliteren.10.
[naam onderneming 1]
Na zijn pensionering heeft [medeverdachte] per 1 juni 2007 zijn bedrijf, de eenmanszaak genaamd [naam onderneming 1] in het handelsregister ingeschreven. Volgens de inschrijvingen in het handelsregister zijn de ondernemingsactiviteiten weer gestaakt per 1 januari 2009. Een jaar later heeft hij de onderneming [naam onderneming 2] ingeschreven in het handelsregister. Deze onderneming werd per 1 januari 2011 weer uitgeschreven.11.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat bewezen is dat de verdachte, al dan niet samen met [medeverdachte] , de in de tenlastelegging genoemde bedragen heeft verduisterd. De officier van justitie heeft haar standpunt uitvoerig uiteengezet in het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir.
Volgens de officier van justitie is bewezen dat de verdachte zich gedurende zijn dienstbetrekking bij de woningstichting een totaalbedrag van € 46.659,46 teveel aan salaris heeft laten uitbetalen en dat hij zich dit salaris wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarnaast is in opdracht van de verdachte door de woningstichting voor de oprichting van [naam bv 1] , zijnde een privéonderneming van de verdachte, een bedrag van € 81.108,07 betaald. Ook heeft de verdachte volgens de officier van justitie een totaalbedrag van € 62.971,76 aan privéuitgaven door de woningstichting laten betalen en heeft hij zich samen met
[medeverdachte] schuldig gemaakt aan de verduistering van in totaal € 200.441,08.
De verdachte had de gelden als directeur/bestuurder van de woningstichting en dus anders dan door misdrijf onder zich. Hij kon daar als heer en meester over beschikken. De verdachte was weliswaar gemachtigd ten behoeve van de woningstichting geld te pinnen of giraal over te (laten) boeken, maar dan wel binnen de grenzen van die machtiging. De leden van de raad waren niet op de hoogte van de salarisbetalingen aan de verdachte voor zover deze hoger waren dan was bepaald door de raad, noch van de verschillende facturen, noch van de gestelde en gefactureerde werkzaamheden door [medeverdachte] na 1 juli 2008.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat eveneens bewezen is dat het feit 2 door de verdachte is begaan: dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , de bedrijfsadministratie van de woningstichting opzettelijk heeft vervalst, door hierin valse en vervalste stukken te voegen. Die valse en vervalste stukken omvatten veelal kostennota’s, facturen en notities, opgesteld of ondertekend door de verdachte. Deze stukken zijn in de administratie gevoegd als geveinsde onderbouwing van zakelijke kosten en betalingen, terwijl in werkelijkheid deze kosten en betalingen betrekking hadden op privéuitgaven van de verdachte of op betalingen aan [medeverdachte] .
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota voor het merendeel van de kwestieuze betalingen vrijspraak bepleit en daartoe kort samengevat het volgende aangevoerd.
Feit 1
Ten aanzien van het als salaris verduisterde geld heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nimmer over zijn eigen salaris heeft beslist, dat alle uitgekeerde bedragen inzichtelijk waren voor de accountant en de leden van de raad en dat er nooit vragen zijn gesteld of onregelmatigheden zijn geconstateerd. Doorgevoerde salariscomponenten en correcties zijn telkens besproken met de raad, in ieder geval met de toenmalige voorzitter van de raad, de heer [naam voorzitter RvT] . De conclusie van de raadsman is dat de verdachte op geen enkele manier geld heeft verduisterd, dat aan hem als salaris is uitgekeerd.
Ten aanzien van het tenlastegelegde verduisterde geldbedrag ten behoeve van [naam bv 1] heeft de raadsman aangevoerd dat gesteld kan worden dat de kosten voor de ontwikkeling van de website, het plaatsen van woningen op de website van [naam bv 1] , het oprichten van [naam bv 1] en het huren van een stand op de [naam beurs] -beurs allemaal zakelijke uitgaven zijn geweest ten behoeve van de groei van de activiteiten van de woningstichting. Deze kosten zijn steeds bekend gemaakt aan de raad. Er zijn tijdens vergaderingen van die raad diverse presentaties gegeven en de concepten voor [naam bv 1] en de zorgkoepel waren intern bekend. De verdachte had toestemming van de raad voor het doen van deze uitgaven en had daarnaast een ruim mandaat. De verdachte heeft de woningstichting geen nadeel wensen toe te brengen. De verdachte was juist ambitieus en wilde door middel van [naam bv 1] de activiteiten van de woningstichting doen toenemen.
Ten aanzien van de privé-uitgaven ten laste van de woningstichting heeft de raadsman aangevoerd dat er een zogenoemde tussenrekening bestond, waarop uitgaven werden geboekt waarvan op voorhand niet duidelijk was of deze zakelijk waren of uiteindelijk toch als privé moesten worden bestempeld en alsnog worden ver- of afgerekend. De woningstichting houdt tot op de dag van vandaag deze tussenrekening geheim voor de verdachte, met als gevolg dat de verdachte niet weet welk saldo deze tussenrekening per heden aanwijst. In dit verband heeft de verdachte al in 2012, bij wijze van een voorschot, een bedrag van € 50.000,- aan de woningstichting terugbetaald. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de bonnen en nota’s, die op de tenlastelegging staan, niet originele facturen betreffen, maar briefjes met aantekeningen en een geldbedrag erop. Dat verdient wellicht geen schoonheidsprijs, maar mag niet worden verward met de situatie dat een poging wordt gedaan de bedrijfsadministratie te vervalsen. De kosten ten aanzien van MK project, [naam 1] en [naam 2] waren privé en die bedragen horen aldus ook op de tussenrekening thuis. Ten aanzien van de overige kosten heeft de raadsman inhoudelijk verweer gevoerd, zoals uiteengezet in de pleitnota.
Ten aanzien van de tenlastegelegde verduisterde geldbedragen ten behoeve van [naam onderneming 1] heeft de raadsman aangevoerd dat tegenover de onkosten, die de woningstichting heeft gedragen, werkzaamheden stonden die door [medeverdachte] ten behoeve van de woningstichting zijn uitgevoerd. De manier van afrekenen met [medeverdachte] op basis van een percentage van de aanneemsom was in het voordeel van de woningstichting. Over deze wijze van afrekenen met [medeverdachte] heeft voorafgaand overleg plaatsgehad met de voorzitter van de raad en met de accountant. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ten aanzien van het medeplegen van verduistering overigens ook op andere gronden vrijspraak dient te volgen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij vermogenswaarden pas kan worden gesproken van verduistering indien voldoende uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het geld wordt beheerd op een wijze die tegen de afspraken in gaat. De verdachte had het geld echter niet feitelijk onder zich en de betalingen verliepen via de administratief medewerkster van de woningstichting. Voor het medeplegen van verduistering is volgens de Hoge Raad vereist dat elk van de betrokkenen het goed anders dan door misdrijf onder zich heeft.12.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman algehele vrijspraak bepleit. Bij het gebruik van alle bescheiden, ten aanzien waarvan de verdachte wordt beschuldigd daarmee valsheid in geschrifte te hebben gepleegd, moet oogmerk bestaan tot die valsheid, zijnde oogmerk de zwaarste vorm van opzet. Aangezien van het oogmerk tot deze valsheid in geschrifte niet is gebleken, moet de rechtbank al op die enkele grond de verdachte vrij spreken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank13.
Feit 1 (verduistering in dienstbetrekking van een aantal geldbedragen)
Onder feit 1 is aan de verdachte verduistering in dienstbetrekking van een viertal geldbedragen ten laste gelegd. De rechtbank zal deze bedragen afzonderlijk bespreken en waar nodig uitsplitsen, daarmee de leesbaarheid van het vonnis bevorderend.
Salaris ten bedrage van € 48.943,48
Onder dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten dat hij in de jaren 2005, 2007, 2008, 2009 en 2010 zich meer salaris heeft doen uitbetalen dan waar hij recht op had.
2005
De verdachte trad op 1 januari 2005 in dienst van de woningstichting als junior-adviseur bouw- en woningzaken. Deze aanstelling van de verdachte is besproken in een vergadering van de raad op 14 december 2004. Tijdens de vergadering van deze zelfde raad op 25 januari 2005 werd het salaris van de verdachte vastgesteld op bruto € 2.930,-.14.De verdachte had op dat moment echter al een arbeidsovereenkomst ondertekend met de toenmalige directeur van de woningstichting, zijn vader [medeverdachte] . Deze arbeidsovereenkomst is door beiden ondertekend en vermeldt als datum van ondertekening 1 januari 2005. In de arbeidsovereenkomst werd een (hoger) salaris van € 3.442,60 bruto per maand overeengekomen.15.
Van januari 2005 tot en met oktober 2005 is het brutosalaris van € 3.442,60 per maand aan de verdachte uitbetaald. In november en december 2005 is een brutosalaris van € 3.485,63 per maand uitbetaald, zijnde het (hogere) basissalaris plus een cao-stijging van 1%.16.
Aan de verdachte wordt verweten dat hij in 2005 een bedrag van € 7.175,09 te veel aan salaris heeft ontvangen en dit geldbedrag heeft verduisterd.
Wie ging er over de vaststelling van de hoogte van het salaris van de verdachte in 2005?
Volgens de statuten van de woningstichting stelt de directeur de salariëring en overige arbeidsvoorwaarden van het personeel van de stichting vast.17.De taken en bevoegdheden van de raad bestonden onder andere uit het verlenen van goedkeuring voor een collectieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden en er was een besluit nodig van de raad voor individuele arbeidsovereenkomsten.18.
De verklaring van de verdachte
De verdachte was tijdens de vergadering van de raad op 25 januari 2005 aanwezig, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard. In die vergadering werd door deze raad de hoogte van zijn salaris vastgesteld. Hij heeft toen niets verteld over het hogere salaris dat al met de directeur in de arbeidsovereenkomst was afgesproken.19.
Het oordeel van de rechtbank
Over het in de notulen van de vergadering van de raad van 25 januari 2005 opgenomen salaris van € 2.930,- per jaar, acht de rechtbank met de officier van justitie aannemelijk geworden dat “per jaar” een kennelijke verschrijving in de notulen betreft en dat hiermee “per maand” wordt bedoeld. Dit gelet op de hoogte van het bedrag en temeer nu in verdere notulen van de woningstichting ook telkens over het salaris per maand wordt gesproken.
De rechtbank overweegt dat [medeverdachte] de bevoegdheid had, als toenmalige directeur van de woningstichting, om de salariëring en overige arbeidsvoorwaarden van de verdachte vast te stellen. Hij heeft op 1 januari 2005 met de verdachte een arbeidsovereenkomst ondertekend met daarin een salaris van € 3.442,60 per maand. Volgens de notulen van de raad is het lagere salaris pas op 25 januari 2005 aan de orde gekomen. Uit niets blijkt dat de verdachte ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst met de directeur op
1 januari 2005 wist dat het overeengekomen salaris hoger was dan dat de raad wenste toe te kennen. Het enkele feit dat de verdachte tijdens de vergadering van de raad niet heeft gemeld dat in zijn arbeidsovereenkomst een hoger salaris was opgenomen, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een wederrechtelijke toe-eigening door de verdachte van het gedeelte van het salaris dat uitgaat boven het door de raad gewenste bedrag. De verdachte zal aldus van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.
2007
Met ingang van 1 januari 2007 werd de verdachte aangesteld in de functie van assistent-directeur met een brutosalaris van € 3.897,00 per maand.20.
De verdachte werd op 1 juni 2007 directeur van de woningstichting. In afwachting van een advies over de hoogte van het salaris, ontving de verdachte vanaf 1 juni 2007 voorlopig een brutosalaris van € 4.500,- per maand.21.
De toenmalige voorzitter van de raad, de heer [naam toenmalig voorzitter RvT] , heeft op 16 oktober 2007 per brief aan de verdachte laten weten dat zijn brutosalaris per maand werd vastgesteld op
€ 4.750,- en dat de verdachte daarnaast recht had op 8% vakantietoeslag en een 13e maand van eveneens € 4.750,-. Op 23 oktober 2007 tekenden de verdachte en de voorzitter van de raad een arbeidsovereenkomst waarin deze bedragen werden opgenomen.22.Met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2007 had de verdachte recht op dat salaris ad € 4.750,- per maand.23.
De salarisbetalingen in 2007 waren als volgt. Van januari 2007 tot en met april 2007 is het afgesproken brutosalaris van € 3.897,00 per maand aan de verdachte uitbetaald. In mei 2007 is een brutosalaris van € 3.998,81 aan de verdachte uitbetaald, zijnde het basissalaris plus de in de cao overeengekomen stijging. In juni 2007 is aan de verdachte het afgesproken (tijdelijke) salaris van € 4.500,- uitbetaald. Van juli tot en met september 2007 is het brutosalaris van € 4.545,00 uitbetaald, zijnde het brutosalaris plus een cao stijging van 1%.24.
In oktober 2007 vond een correctie op het salaris van de verdachte plaats. Uit het logboek van het salarissysteem is gebleken dat op 8 oktober 2007 via een account met de naam “ [verdachte] ” werd ingelogd in het systeem van de salarisadministratie. Via dit account is onder meer een mutatiebestand aangemaakt.25.Op 15 oktober 2007 heeft de salarisbetaling van oktober plaatsgevonden.26.Op 15 oktober 2007 is aan de verdachte een brutosalaris van
€ 28.989,31 uitbetaald, uitgaande van een salaris van ruim € 6.500,- per 1 januari 2007.27.
In de maanden november en december 2007 is aan de verdachte een brutosalaris van
€ 6.737,00 uitbetaald.28.
De verdachte wordt verweten dat hij in de maanden oktober, november en december 2007 een bedrag van € 31.863,96 te veel aan salaris heeft ontvangen en dat hij dit geld heeft verduisterd.
Wie ging er over de vaststelling van de hoogte van het salaris van de (assistent-)directeur?
In de statuten van de woningstichting is opgenomen dat de directeur de salariëring en overige arbeidsvoorwaarden van het personeel vaststelt, ook de arbeidsvoorwaarden van de assistent-directeur.29.
De verklaringen van getuigen over het salaris in 2007
De heer [naam salarisadministrateur] deed in het jaar 2007 de salarisadministratie voor de woningstichting. Hij heeft geen verklaring voor wat in de maanden oktober, november en december 2007 is gebeurd. Hij heeft voorts verklaard dat elke mutatie in het salaris van de verdachte in opdracht van de verdachte is gebeurd.30.
Mevrouw [naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij de daadwerkelijke uitbetalingen voor de woningstichting verrichtte. De verdachte heeft haar destijds verteld dat de betaling in oktober 2007 te maken had met een bonus, die was geregeld via de raad.31.
De heer [naam lid RvT 2] , lid van de raad, heeft over de betaling in oktober 2007 verklaard dat de verdachte geen recht had op deze uitbetalingen en dat hij geen idee heeft waarom dit bedrag aan de verdachte is overgemaakt. Over het hogere salaris in november en december 2007 heeft [naam lid RvT 2] verklaard dat de raad hier ook niet van op de hoogte was.32.Mevrouw [naam lid RvT 3] , eveneens lid van de raad, heeft verklaard geen weet te hebben van de uitbetalingen aan de verdachte in oktober, november en december 2007. Zij voegde daar aan toe dat de raad nooit loonstaten te zien kreeg.33.
De heer [naam samenstellend accountant] heeft verklaard dat hij in 2008 heeft geconstateerd dat de verdachte in 2007 te veel salaris had ontvangen. Hij heeft de verdachte hier vervolgens op aangesproken. In eerste instantie was het de bedoeling dat de verdachte dit bedrag zou terugbetalen aan de woningstichting. De verdachte heeft later tegen hem gezegd dat hij dit bedrag niet terug hoefde te betalen en in ruil daarvoor twee jaar lang geen loonsverhoging zou krijgen.34.
De verklaring van de verdachte en de verklaring van de getuige [naam voorzitter RvT]
De verdachte heeft verklaard dat hij, na het ontvangen van het bedrag aan salaris in oktober 2007, hier melding van heeft gemaakt, zowel bij de raad als bij [naam samenstellend accountant] . De verdachte weet niet hoe het bedrag dat in oktober 2007 is uitbetaald, tot stand is gekomen en weet ook niet hoe dit bedrag in de salarisadministratie terecht is gekomen. Hij weet bovendien ook niet hoe het mogelijk is dat ondanks zijn melding in oktober, in november en december nog steeds een te hoog salaris aan hem werd uitbetaald. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij met [naam voorzitter RvT] , als toenmalige voorzitter van de raad, een afspraak over de terugbetaling van dit bedrag heeft gemaakt. Deze afspraak hield in dat de verdachte het te veel ontvangen salaris niet hoefde terug te betalen. In ruil daarvoor zou het salaris van de verdachte in 2008 en 2009 gelijk blijven en niet – zoals in de arbeidsoverkomst is opgenomen – na het afronden van elk nieuw project opnieuw zal worden vastgesteld.35.De verdachte verwijst in dit verband naar een document36., dat door de verdachte en [naam voorzitter RvT] zou zijn ondertekend, en waarin is opgenomen dat de teveel betaalde € 28.989,31 zal worden verrekend in het salaris van 2008 en 2009 en er in die jaren dus geen loonsverhoging plaats zal vinden.37.
[naam voorzitter RvT] heeft echter verklaard dat de betaling van € 28.989,31 in oktober 2007 niet bij hem en bij de raad bekend is geweest. Dit geldt ook voor het te veel genoten salaris in november en december 2007. Over het document, waarover de verdachte spreekt, heeft [naam voorzitter RvT] verklaard dat hij dit document niet kent, ondanks dat er een handtekening van hem onder staat.38.
[naam lid RvT 2] heeft nog verklaard dat de raad nooit van een dergelijke afspraak of het bestaan van het document op de hoogte is gesteld.39.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader verduistering in dienstbetrekking
Ingevolge artikel 321 in samenhang met artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht is sprake van verduistering in dienstbetrekking wanneer iemand opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft - uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep of tegen geldelijke vergoeding - zich wederrechtelijk toe-eigent. De wetgever vond een strafverzwaring van belang vanwege het bijzondere vertrouwen dat een werkgever in zijn personeel stelt.
Voor een bewezenverklaring van verduistering in dienstbetrekking gelden, gelet op het bovenstaande, de volgende drie objectieve bestanddelen:
- a.
een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;
- b.
anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich hebben;
- c.
wederrechtelijk toe-eigenen.
Het subjectieve bestanddeel is het opzet. Bij roerende zaken is van ‘toe-eigening’ sprake zodra de dader zijn besluit om zich de zaak naar eigen goeddunken ten nutte te maken in daden heeft omgezet door er als heer en meester over te gaan beschikken.
Het oordeel van de rechtbank over het salaris in 2007
De verdachte had recht op het salaris, zoals dat is vastgesteld door de raad en vervolgens in de arbeidsovereenkomst vastgelegd door de voorzitter van de raad en de verdachte. Voor het aan de verdachte uitbetaalde surplus op het salaris in oktober, november en december 2007 ontbreekt elke grondslag. De vraag is of de verdachte het te veel ontvangen salaris in het jaar 2007 zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de verklaring van de salarisadministrateur genaamd [naam salarisadministrateur] blijkt dat wijzigingen in het salaris van de verdachte slechts op verzoek van de verdachte werden doorgevoerd. Daar komt bij dat via een account onder de voornaam van de verdachte enkele dagen voor de uitkering van het salaris is ingelogd in het salarissysteem en toen onder meer een mutatiebestand is aangemaakt.
De rechtbank concludeert hieruit dat het de verdachte is geweest die ervoor heeft gezorgd dat aan hem hogere bedragen dan afgesproken werden overgemaakt. Deze hogere bedragen zijn aan de verdachte uitbetaald, waarbij hij het te veel ontvangen deel nooit heeft teruggestort. De rechtbank acht de verdere verklaring van de verdachte omtrent het te veel uitbetaalde salaris in 2007 niet aannemelijk geworden. Zo stelt de verdachte zich op het standpunt dat hij kort na de nabetaling de raad en [naam samenstellend accountant] van de betalingen op de hoogte heeft gesteld, terwijl [naam samenstellend accountant] heeft verklaard dat hij juist degene is geweest die de verdachte hierop heeft aangesproken en dat in de maanden november en december ook een veel te hoog salaris is uitbetaald, terwijl bij een snelle melding een tijdige correctie voor toekomstige betalingen mag worden verwacht. Ook strookt de verklaring van de verdachte op dit punt niet met de verklaring van [naam administratief medewerkster] , dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat de te veel uitbetaalde bedragen te maken hadden met een bonus, die via de raad zou zijn geregeld. Uit de verklaringen van de leden van de raad volgt bovendien dat zij niet op de hoogte zijn gesteld van de hoogte van de uitbetalingen aan de verdachte in 2007. Ook waren zij niet op de hoogte van een afspraak met de voorzitter van de raad over de verrekening van het surplus. Wat ook zij van deze afspraak die de verdachte met [naam voorzitter RvT] zou hebben gemaakt, feit is dat deze afspraak niet door andere bewijsmiddelen in het dossier wordt bevestigd, maar daarmee in tegenspraak is. Zo heeft de verdachte per 1 januari 2008 een loonsverhoging gekregen en per 1 januari 2009 een bonus in verband met het opleveren van een project, wat dan juist in strijd is met deze afspraak, zoals die tussen de verdachte en [naam voorzitter RvT] tot stand zou zijn gekomen.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dan ook bewezen dat de verdachte in 2007 opzettelijk een bedrag van € 31.863,96, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Door het handelen van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank daarmee de delictsomschrijving van verduistering in dienstbetrekking vervuld.
2008
Ingevolge de arbeidsovereenkomst d.d. 23 oktober 2007 had de verdachte over het gehele jaar 2008 recht op een salaris van € 4.923,05 bruto per maand. Per 1 januari 2008 vond een cao verhoging van 1% plaats. In juli 2008 vond er wederom een cao verhoging plaats van 1%. Per 1 juli 2008 had de verdachte aldus recht op een salaris van € 4.972,28 bruto per maand.40.
In werkelijkheid is aan de verdachte van januari tot en met juni 2008 € 5.420,00 bruto per maand uitbetaald. Van juli tot en met december 2008 was dat € 5.474,00 bruto per maand.41.
De verdachte wordt aldus verweten dat hij in 2008 een bedrag van € 6.774,12 teveel aan salaris heeft ontvangen.
De verklaringen van getuigen over het salaris in 2008
Vanaf 1 januari 2008 werd de salarisadministratie aan een externe partij uitbesteed en was [getuige] (van de Woningstichting [naam woningstichting 3] ) verantwoordelijk voor de salarisadministratie van de woningstichting. [getuige] heeft verklaard dat zij alle informatie omtrent de (hoogte van de) salarissen ontving van [naam administratief medewerkster] of van de verdachte. Eventuele salarisvoorstellen werden door de verdachte ondertekend en aan haar geretourneerd. Indien de verdachte een salarisverhoging wilde doorvoeren, gaf hij dat telefonisch aan [getuige] door. Zij verwerkte dit en stuurde vervolgens het nieuwe salarisvoorstel retour aan de verdachte, waarna zij dat voorstel ondertekend terug ontving. Ze heeft nooit onderliggende stukken van bijvoorbeeld een contract of van de toestemming van de raad ontvangen.42.
[naam administratief medewerkster] heeft hierover verklaard dat zij aan het begin van het jaar de jaarlijkse voorstellen tot salarisverhoging te zien heeft gekregen. De verdachte bekeek deze en maakte, indien nodig, aanpassingen. Het voorstel met die aanpassingen werd vervolgens teruggestuurd naar de salarisadministratie. Deze maakte dan een nieuwe versie. Dit gecorrigeerde exemplaar werd daarna door de verdachte ondertekend. De salarisadministratie ontving uiteindelijk deze door de verdachte ondertekende versie.43.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft over het salaris in 2008 verklaard dat hij niet wist dat hij te veel salaris uitbetaald kreeg. Dat hij een hoger salaris ontving dan in de arbeidsovereenkomst werd overeengekomen, kon te maken hebben met bijvoorbeeld verhogingen uit hoofde van de cao of wegens periodieken. Wellicht werd door de salarisadministratie met een foutief aantal werkuren gerekend. Hij ging ervan uit dat de salarisadministratie het juiste salarisbedrag berekende.44.
Het oordeel van de rechtbank over het ontvangen salaris in 2008
De verdachte had recht op het salaris, zoals dat is vastgesteld door de raad en afgesproken in de arbeidsovereenkomst van oktober 2008. Voor het meer uitbetaalde salaris in 2008 ontbreekt een grondslag. De vraag is of de verdachte het te veel ontvangen salaris in het jaar 2008 zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het de verdachte was die aan de salarisadministratie de informatie verschafte, die de basis was voor de salarisbetalingen. Hij kreeg de voorstellen van de salarisadministratie en wijzigde deze vervolgens naar believen. Hij liet zo aan zichzelf een hoger salaris uitbetalen, terwijl hij wist dat dit niet in overeenstemming was met het (lagere) salaris waarvan de uitbetaling hem toekwam en bovendien nadat al eind 2007 duidelijk was geworden dat zijn salaris in overeenstemming moest worden gebracht met dat waar hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht op had.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, bezien in onderlinge samenhang, bewezen dat de verdachte in 2008 opzettelijk een bedrag van € 6.774,12, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Door het handelen van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank ook hierdoor de delictsomschrijving van verduistering in dienstbetrekking vervuld.
2009
Conform het voorstel tot verhoging van zijn salaris zou de verdachte per 1 januari 2009 een salaris krijgen van € 5.500,-. Deze verhoging van het salaris had te maken met de oplevering van het project Agnetenberg en de lopende projecten van 2009 en 2010.45.Deze salarisverhoging is op 18 december 2008 unaniem door de raad goedgekeurd.46.In verband met een stijging overeenkomstig de cao werd het salaris per 1 januari 2009 € 5.571,50 bruto per maand.47.
Desondanks werd in 2009 meer loon aan de verdachte uitbetaald: tot een totaalbedrag van € 846,29 in dat jaar.48.
Zoals hierboven reeds opgenomen, voerde [getuige] van de salarisadministratie slechts wijzigingen op verzoek van de verdachte door,49.hetgeen ook, zoals hierboven al werd vermeld, door [naam administratief medewerkster] is bevestigd.50.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft over het salaris in 2009 verklaard dat hij niet wist dat hij te veel salaris uitbetaald kreeg. Dat hij een hoger salaris ontving dan in de arbeidsovereenkomst werd overeengekomen, kon te maken hebben met bijvoorbeeld verhogingen ingevolge de cao of periodieken. Hij ging ervan uit dat de salarisadministratie het juiste salarisbedrag berekende.51.
Het oordeel van de rechtbank over het ontvangen salaris in 2009
De verdachte had recht op het salaris, zoals dat werd vastgesteld door de raad met verhogingen op grond van de cao. Voor het aan de verdachte op het salaris in 2009 uitbetaalde surplus ontbreekt een grondslag. De vraag is of de verdachte dat surplus op het te ontvangen salaris in het jaar 2009 zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ook al gaat het hier om een relatief gering bedrag per maand, beantwoordt de rechtbank deze vraag wederom bevestigend. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het de verdachte was die de beslissingen nam over de hoogte van de salarisbetalingen en de bedragen doorgaf aan de salarisadministratie. Hij kreeg de voorstellen van de salarisadministratie en wijzigde deze vervolgens naar believen. Hij liet aan zichzelf bedragen aan salaris uitbetalen, terwijl hij wist dat hij feitelijk recht had de uitbetaling van een lager bedrag.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dan ook bewezen dat de verdachte in 2009 opzettelijk een bedrag van € 846,29, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Daarmee is eveneens de delictsomschrijving van verduistering van voornoemd surplus vervuld.
2010
Het oordeel van de rechtbank over het ontvangen salaris in 2010
Volgens de tenlastelegging zou de verdachte in 2010 een totaalbedrag van € 2.284,02 ten onrechte als surplus op zijn salaris hebben ontvangen.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dit geldbedrag heeft verduisterd, met als gevolg dat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
Totaaloverzicht verduistering salaris in de jaren 2007, 2008 en 2009
De rechtbank is aldus van oordeel dat de verdachte, in 2007, 2008 en 2009 in totaal voor een bedrag van € 39.484,37 als ten onrechte uitbetaald surplus op zijn salaris heeft verduisterd.
Het tenlastegelegde geldbedrag van € 81.108,07 ( [naam bv 1] )
De verdachte wordt onder dit geldbedrag verweten dat hij alle kosten voor het oprichten en vormgeven van de (deels) aan hem toebehorende vennootschap [naam bv 1] door de woningstichting heeft laten voldoen en dat hij kosten heeft doorberekend aan de woningstichting om klant te mogen worden van deze vennootschap, terwijl de woningstichting niet op de hoogte was dat [naam bv 1] een eigen onderneming van de verdachte betrof.
Inleiding over [naam bv 1] – de oprichting met [naam 3] in 2008
[naam 3] en de verdachte hebben [naam bv 1] rond 2007/2008 opgestart. Zij wilden een platform creëren waar vraag en aanbod van zorgwoningen en contacten werden gekoppeld. [naam bv 1] werd vervolgens opgericht als samenwerkingsverband tussen [naam bedrijf 1] , zijnde een vennootschap van [naam 3] , en [naam bv 2] , zijnde een vennootschap van de verdachte.52.
In de privéadministratie van de verdachte is een bierviltje gevonden, met daarop de tekst:
“8/7/8 [naam 4] , [naam bv 1] wonen zorg diensten 50% aandelen [verdachte] , 50% aandelen [naam 3]”. Bij beide namen zijn handtekeningen geplaatst.53.[naam 3] heeft verklaard dat dit een overeenkomst tussen hem en de verdachte betreft. Het is een schriftelijke vastlegging van datgene wat mondeling is afgesproken.54.
[naam 3] heeft verder verklaard dat de woningstichting niets met [naam bv 1] te maken had en dat de woningstichting wellicht klant kon worden van [naam bv 1] .55.
In het begin van 2009 heeft [naam 3] afstand gedaan van de rechten en plichten inzake [naam bv 1] .56.
[naam bv 1] in 2009 – verder met [naam 5]
[naam bv 1] was vervolgens van 17 juni 2009 tot en met 28 juli 2009 een vennootschap in oprichting. De bevoegde functionarissen zijn dan [naam 5] en de verdachte. [naam bv 1] is opgericht op 29 juli 2009 en de aandelen zijn 50/50 verdeeld tussen de verdachte en [naam 5] . In de periode van 20 juli 2009 tot en met 30 november 2009 was de vennootschap [naam bv 2] (alle aandelen in handen is van de verdachte) medebestuurder van [naam bv 1] . Vanaf 30 november 2009 tot op heden is dat alleen [naam 5] .57.
[naam 5] heeft verklaard dat de verdachte begin 2009 met het idee van [naam bv 1] bij hem kwam. Hij is er later achter gekomen dat de verdachte eerst samen met [naam 3] het idee heeft ontwikkeld onder de naam [naam bv 1] en dat er in dat verband in die tijd een website is gebouwd. Zoals [naam 5] het heeft begrepen, had de verdachte bij de woningstichting overleg gehad en toestemming gekregen om [naam bv 1] in privé op te richten.58.
Statuten/arbeidsovereenkomst van de verdachte met de woningstichting
In de statuten van de woningstichting staat dat de directeur de goedkeuring behoeft van de raad voor een bestuurslidmaatschap of een functioneel verband bij een ander bedrijf of instelling.59.In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat - behoudens nadrukkelijke schriftelijke toestemming van de voorzitter van de raad - het de statutair directeur niet is toegestaan nevenwerkzaamheden - hoe dan ook genaamd en al dan niet tegen vergoeding - te verrichten.60.
De plaats van [naam bv 1] binnen de woningstichting en de verklaringen van getuigen
In 2009 is binnen de raad voor het eerst over het idee “zorgkoepel” gesproken.61.Deze zorgkoepel zou een samenwerkingsverband worden tussen verschillende woningcoöperaties om het tekort aan zorgwoningen terug te dringen.62.Op de vergadering van de raad op 8 juni 2010 heeft de verdachte de kostenpost “Zorgkoepel Limburg” toegelicht. Uit de notulen blijkt dat de raad positief is over het idee, maar de kosten te hoog vindt.63.Op de vergadering van 7 september 2010 blijkt dat de zorgkoepel “in de markt zal worden gezet”.64.Op de vergadering van 15 maart 2011 worden er door de raad vragen aan de verdachte gesteld over de zorgkoepel, bijvoorbeeld over welke woningcorporaties eraan deelnemen. Er is vanuit de raad behoefte aan meer helderheid over de activiteiten van de zorgkoepel.65.Vervolgens blijkt uit de notulen dat op 12 april 2011 een toelichting door de verdachte is gegeven.66.Waaruit deze toelichting heeft bestaan, valt niet uit de notulen af te leiden.
In het jaarverslag van de woningstichting over 2011 staat dat er “samenwerking is gezocht door [naam woningstichting 1] met ervaringsdeskundige [naam bv 1]”.67.
De verklaringen van getuigen
[naam lid RvT 2] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat [naam bv 1] een project was binnen de woningstichting. Het was een project in het kader van de zorgkoepel. Om die reden zou de woningstichting de opstartkosten van de zorgkoepel voor haar rekening nemen. Er is intern gesproken over de gedachte om ten behoeve van de zorgkoepel een aparte juridische entiteit op te richten, maar daar zijn geen concrete afspraken over gemaakt. Het idee van de zorgkoepel is aangedragen door de verdachte. [naam lid RvT 2] heeft verklaard niet te hebben geweten dat [naam bv 1] een aparte onderneming betrof, waarvan de verdachte mede-eigenaar was. [naam lid RvT 2] heeft voorts verklaard dat uit de statuten van de woningstichting blijkt dat de verdachte de raad op de hoogte had moeten brengen van het feit dat hij mede-eigenaar was van [naam bv 1] . Dit is echter niet gebeurd.68.
[naam lid RvT 3] heeft verklaard ook niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat [naam bv 1] een privéonderneming van de verdachte betrof.69.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij niet wist dat de verdachte mede-eigenaar was van [naam bv 1] . In haar beleving was [naam bv 1] een onderdeel van de woningstichting. Alle kosten die door en voor [naam bv 1] werden gemaakt, boekte zij in de administratie als onkosten van de woningstichting. Over de facturen voor [naam bv 1] heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat zij van de verdachte te horen kreeg op welke grootboekrekening zij deze moest boeken.70.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in eerste instantie samen met [naam 3] en later met [naam 5] het idee had om [naam bv 1] op te richten. Al snel bleek de verdachte niet over voldoende financiële middelen te beschikken om dit te realiseren. Het idee van [naam bv 1] is mede om die reden binnen de woningstichting, onder de noemer van de zorgkoepel, verder doorontwikkeld. Met de raad was afgesproken dat de woningstichting de kosten voor de oprichting van de zorgkoepel zou dragen. Het is juist dat [naam bv 1] mede door de verdachte als een aparte juridische entiteit is opgericht, maar dit was ter bescherming van en in het belang van de woningstichting. Het idee van het oprichten van een aparte juridische entiteit is met de raad besproken. Het zou andere woningcorporaties namelijk kunnen afschrikken wanneer de zorgkoepel, dan wel [naam bv 1] aan een bepaalde woningstichting zou toebehoren. Daarnaast kon de verdachte op deze manier wel zicht op de ontwikkeling daarvan houden. De verdachte heeft verklaard wellicht niet met zoveel woorden aan de raad te hebben gezegd dat hij mede-eigenaar van [naam bv 1] was, maar uiteindelijk waren de activiteiten van [naam bv 1] in het voordeel van de woningstichting.71.
Tussenconclusie met betrekking tot [naam bv 1]
In 2009 is het idee van de zorgkoepel voor een eerste keer binnen de woningstichting besproken. Dit idee kwam uit de koker van de verdachte. De raad was enthousiast over het idee en de investeringskosten voor deze zorgkoepel zouden door de woningstichting worden gedragen. Dat de verdachte al in 2008, dus een jaar eerder, doende was om [naam bv 1] als privéonderneming op te richten en in dat verband al een website had laten bouwen die ook al door de woningstichting bekostigd was, heeft de verdachte blijkbaar niet aan de raad verteld. In 2010 en in 2011 heeft de verdachte op verzoek van de raad het idee van de zorgkoepel en de daarmee gepaarde kosten meermalen toegelicht, maar ook toen heeft de verdachte op geen enkel moment open kaart gespeeld. In de notulen van de raad, waarover de rechtbank de beschikking heeft, blijkt niet dat er over [naam bv 1] wordt gesproken. Uit het jaarverslag over 2011 moet worden afgeleid dat in dat jaar aan de raad kenbaar is gemaakt dat er in het kader van de zorgkoepel samenwerking was gezocht met “ervaringsdeskundige [naam bv 1] ”, maar ook nu benoemt de verdachte kennelijk niet dat [naam bv 1] zijn privéonderneming betreft.
Uit de verklaringen van de leden van de raad volgt dat zij instemmen met de kosten voor de oprichting van de zorgkoepel. Deze instemming is echter vanuit een onjuiste voorstelling van zaken gedaan. De verdachte heeft op geen enkel moment duidelijkheid verschaft over zijn privéonderneming en heeft de raad voorgehouden dat de zorgkoepel een onderdeel van de woningstichting betrof. Op deze manier heeft de verdachte de woningstichting kosten laten dragen, die ten goede aan zijn gekomen aan zijn privéonderneming. Uit de verklaringen van de leden van de raad blijkt dat wel is gesproken over het oprichten van een aparte juridische entiteit in het kader van de zorgkoepel, maar uit deze verklaringen volgt ook dat hierover geen concrete afspraken zijn gemaakt. In dat verband had het dan ook in de lijn van de verwachting gelegen om de woningstichting (deels) aandeelhouder van deze aparte juridische entiteit te maken, en niet de verdachte als privépersoon.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat [naam bv 1] niet moet worden gezien als een onderdeel van de woningstichting, maar als een privéonderneming van de verdachte. Dit betekent dat de kosten voor het ontplooien van bedrijfsactiviteiten van [naam bv 1] , die ten laste zijn gekomen van de woningstichting, al dan niet onder de noemer ‘Project Zorgkoepel’, ten goede zijn gekomen aan een onderneming die (ten dele) toebehoorde aan de verdachte.
De tenlastegelegde kosten die de woningstichting voor [naam bv 1] heeft gedragen
De facturen van het bedrijf [naam bedrijf 2]
In 2008 wordt aan het bedrijf [naam bedrijf 2] , zijnde een reclamebureau voor vormgeving, communicatie en marketingadvies, opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een website voor [naam bv 1] .72.De facturen voor het ontwikkelen van deze website zijn in de administratie van de woningstichting aangetroffen, met een totaalbedrag van € 6.354,60. Deze facturen zijn door de woningstichting voldaan en in de administratie van de woningstichting geboekt op de grootboekrekening “kosten automatisering”.73.Op drie facturen is de adressering handmatig gewijzigd in “ [naam woningstichting 2] ”. Deze facturen zijn voor akkoord tot uitbetaling ondertekend door de verdachte.74.
In de woning van de verdachte zijn een tweetal ordners met het opschrift “ [naam bv 1] ” aangetroffen. In een van die ordners is een factuur van [naam bedrijf 2] aangetroffen, qua inhoud eenzelfde factuur als bij de woningstichting is aangetroffen. De adressering van deze factuur is echter anders. De factuur die in de privé administratie van de verdachte is aangetroffen is namelijk gericht aan “ [naam bv 1] , [verdachte] ”, terwijl de factuur die bij de woningstichting is aangetroffen is geadresseerd aan “ [naam woningstichting 2] , [verdachte] ”.75.
Over een van deze facturen van [naam bedrijf 2] heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat deze factuur in eerste instantie anders was geadresseerd. De verdachte heeft hier vervolgens handmatig “ [naam woningstichting 2] ” opgeschreven. Dit heeft hij, zo verklaart [naam administratief medewerkster] , ook gedaan met de andere twee facturen.76.
Het oordeel van de rechtbank over de betalingen aan [naam bedrijf 2]
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd door de briefhoofden aan te passen. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door akkoord te gaan met de betaling van de facturen van [naam bedrijf 2] heeft bewerkstelligd dat de woningstichting deze facturen heeft betaald, terwijl de bovengenoemde kosten ten behoeve van [naam bv 1] zijn gemaakt, waarin hij een aandeel had van 50%.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dan ook bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een geldbedrag van € 6.354,60, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte op een drietal facturen van [naam bedrijf 2] in het briefhoofd “ [naam bv 1] ” heeft weggelakt en “ [naam woningstichting 2] ” met de hand op deze facturen heeft geschreven en op deze manier deze facturen heeft vervalst, met als oogmerk deze facturen in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich zo doende ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
De facturen van het bedrijf [naam bedrijf 3]
In de administratie van de woningstichting zijn meerdere facturen van [naam bedrijf 3] aangetroffen. Deze facturen zien op webdesign en de ontwikkeling van een website. Deze facturen zijn door de woningstichting betaald en in de administratie op de grootboekrekening geboekt als “kosten automatisering”. Deze facturen zijn voor akkoord geparafeerd door de verdachte.77.
[naam bedrijf 3] heeft op 12 november 2008 een factuur gestuurd voor € 9.186,80. Deze factuur is aangetroffen in de administratie van de woningstichting en is geadresseerd aan “ [naam woningstichting 2] , t.a.v. de heer [verdachte] ”.78.
In de privéadministratie van de verdachte is dezelfde factuur aangetroffen. De adressering op deze factuur is echter anders, te weten: “ [naam woningstichting 2] , t.a.v. [naam 3] ”. Deze laatstgenoemde naam is op die factuur met pen doorgestreept.79.[naam 3] heeft verklaard deze factuur nooit te hebben gezien.80.
Het oordeel van de rechtbank over de facturen van [naam bedrijf 3] ten bedrage van € 9.186,80
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde kosten ten behoeve van [naam bv 1] zijn gemaakt, zijnde de privéonderneming van de verdachte, terwijl deze door de woningstichting zijn betaald.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dan ook bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 9.186,80, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte op bovengenoemde factuur van [naam bedrijf 3] in het briefhoofd de naam “ [naam 3] ” heeft vervangen door “ [verdachte] ” en op deze manier deze factuur heeft vervalst, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
De verdere facturen van het bedrijf [naam bedrijf 3] ten bedrage van € 21.931,70
[naam bedrijf 3] heeft in de periode van december 2008 tot en met juni 2009 meerdere facturen gestuurd.81.Deze facturen zijn voor akkoord met uitbetaling geparafeerd door de verdachte. Deze facturen werden opgenomen in de administratie van de woningstichting en de woningstichting heeft deze facturen betaald, voor een totaalbedrag van € 21.931,70.82.
Het oordeel van de rechtbank
Verduistering
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde kosten ten behoeve van [naam bv 1] zijn gemaakt, zijnde de privéonderneming van de verdachte, terwijl deze door de woningstichting zijn betaald.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang, dan ook bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 21.931,70, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De geldsom voor het afkopen van [naam 3]
heeft op 1 februari 2009 een e-mailbericht en op 6 februari 2009 een gelijkluidende brief aan de verdachte gestuurd. In het kort geeft [naam 3] hierin aan dat hij uit [naam bv 1] wil stappen. Voor een afkoopsom van € 5.000,- is hij bereid om afstand te doen van alle rechten en plichten inzake [naam bv 1] .83.heeft bevestigd dat deze berichten van hem afkomstig zijn. Hij heeft voorts verklaard dat de afwikkeling op een nette manier is gebeurd en dat het gevraagde bedrag van € 5.000,- aan hem is overgemaakt.84.
In de privéadministratie van de verdachte is een schrijven aangetroffen, beweerdelijk afkomstig van [naam 3] , met als inhoud “afstand rechten [naam bv 1] voor € 2.500,-.” Dit schrijven is door de verdachte voor akkoord geparafeerd met de datum 1 juli 2008. Daarnaast is in de privéadministratie een declaratie aangetroffen, met daarop de datum 1 juli 2008 en de omschrijving “afkoop 50% aandeelbelang [naam bv 1] € 2.500,-“. Ook dit schrijven is ondertekend door de verdachte.85.[naam 3] heeft tegenover verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD verklaard deze brieven niet te kennen. Hij heeft voorts verklaard het genoemde bedrag van € 2.500,- niet te hebben ontvangen.86.
De verdachte heeft over bovengenoemd schrijven dat van [naam 3] afkomstig zou zijn, nadat hem is gevraagd hoe het kan dat dit schrijven dateert op 1 juli 2008, terwijl het idee van [naam bv 1] tussen hem en [naam 3] pas op 8 juli 2008 is ontstaan, verklaard dat hij de datum van dit schrijven niet kan plaatsen. Hij heeft voorts verklaard zeker te weten dat [naam 3] als afkoopsom deze € 2.500,- heeft ontvangen.87.
Uit de administratie van de woningstichting blijkt dat kort voor 1 juli 2008 twee keer een bedrag van € 1.250,- van de rekening van de woningstichting is gepind.88.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
[naam 3] heeft verklaard de genoemde € 2.500,- niet te hebben ontvangen en de daarop betrekking hebbende documenten nog nooit te hebben gezien. Uit de administratie van de woningstichting blijkt dat voorafgaand aan 1 juli 2008 voor een totaalbedrag van € 2.500,- van de bankrekening van de woningstichting is gepind. De rechtbank concludeert op basis van bovenstaande bewijsmiddelen dat de pinopnames vanaf de rekening van de woningstichting ten goede aan de verdachte in privé zijn gekomen en dat de verdachte, om deze opnames in de administratie van de woningstichting te verklaren, bovengenoemde valse geschriften heeft opgemaakt.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dan ook bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 2.500,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Nu dit geldbedrag niet ziet op kosten die in het kader van [naam bv 1] zijn gemaakt, maar als een privéopname van de verdachte moet worden bestempeld, moet dit geldbedrag worden gerangschikt onder het onderdeel “kasopnames/privéuitgaven” in de bewezenverklaring.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, aldus bewezen dat de verdachte valsheid in geschrifte heeft gepleegd door:
- -
in een document te vermelden dat [naam 3] afstand doet van zijn rechten en plichten in [naam bv 1] tegen een betaling van € 2.500,-, welke voor akkoord is ondertekend door de verdachte de dato 1 juli 2008, terwijl in werkelijkheid [naam 3] de betreffende brief niet heeft opgesteld en op voornoemde datum geen afstand heeft gedaan van rechten en plichten in [naam bv 1] ;
- -
in een document te vermelden dat er op 1 juli 2008 een afkoop van 50% in het aandeelbelang van [naam bv 1] of [naam bv 1] voor een bedrag van € 2.500,- zou hebben plaatsgevonden, terwijl in werkelijkheid op die datum geen afkoop van aandelen heeft plaatsgevonden van [naam bv 1] of [naam bv 1]
en dit met het oogmerk deze documenten in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich daardoor schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
De kosten voor de oprichting van [naam bv 2]
De verdachte heeft op 8 april 2008 een eigen vennootschap opgericht, genaamd [naam bv 2]89.De factuur van de notaris voor het oprichten van deze vennootschap was gericht aan de woningstichting en is ook door de woningstichting voldaan.90.
De leden van de raad hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de oprichting van deze vennootschap door de verdachte. Er is vanuit de raad geen goedkeuring gegeven om deze factuur door de woningstichting te doen betalen.91.
Verduistering
De rechtbank is van oordeel dat door bovengenoemde kosten ten behoeve van [naam bv 2] , zijnde een privéonderneming van de verdachte, door de woningstichting te doen betalen, het daarmee gemoeide geld is verduisterd.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 983,26, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De klantfacturen vanuit [naam bv 1] aan de woningstichting
Hoewel de investeringen in de Zorgkoepel met ingang van 2009 als activa op de jaarrekening van de woningstichting zijn gekomen met het oog op toekomstige opbrengsten, moet zij in 2009 voor het adverteren van 110 woningen op de website van [naam bv 1] betalen en wel voor een totaalbedrag van € 20.230,00.92.In de administratie van de woningstichting zijn deze kosten geboekt op de grootboekrekening ‘Werk derden/Lst onderhoud”.93.
De daarover gehoorde leden van de raad hebben unaniem verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van het bestaan van deze facturen afkomstig van [naam bv 1]94.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 20.230,00, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verdachte heeft op geen enkel moment aan de leden van de raad te kennen gegeven dat [naam bv 1] zijn privéonderneming betrof en heeft de woningstichting laten betalen voor het plaatsen van advertenties op de website van [naam bv 1] , terwijl het ontwikkelen van deze website nota bene al door de woningstichting werd bekostigd.
De kosten voor de stand op de [naam beurs] beurs
In 2012 heeft de verdachte met een stand op de vastgoedbeurs genaamd [naam beurs] in de Amsterdam RAI gestaan.95.In het contract met [naam beurs] inzake de huur van de stand zijn de adresgegevens van [naam bv 1] opgenomen, is de verdachte als contactpersoon vermeld en is als factuuradres de woningstichting opgenomen.96.
In een e-mail van de verdachte aan een medewerker van [naam beurs] is opgenomen dat op deze vastgoedbeurs het bedrijf [naam bv 1] de aandacht moest krijgen, niet de woningstichting.97.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat de kosten voor de stand op [naam beurs] zijn betaald door de woningstichting en dat deze zijn geboekt op de grootboekrekening ‘Leefbaarheid’.98.De leden van de raad hebben verklaard dat deze kosten niet thuishoren bij de woningstichting.99.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [naam voorzitter RvT] op de hoogte was van de stand op [naam beurs] . De verdachte had [naam voorzitter RvT] nog uitgenodigd voor een bezoek.100.
In de woning van de verdachte is een handgeschreven brief aangetroffen. In deze brief staat onder meer: “allerliefste, wat heb ik gedaan? Ik heb je teleurgesteld. (…) Ik heb alles kapot gemaakt! Het vertrouwen is weg! Dingen verzwijgen, de leugens. Het moet stoppen. ( …) Waar ging het mis?!?! In dit schrijven is onder meer opgenomen:
[naam bv 1] : heb [naam 5] bedrogen / mijn compagnon en vriend !
site ! [naam woningstichting 1] > afrekening [naam 6]
kosten [naam beurs] . [naam woningstichting 1].101.
De verbalisanten van Fiod/Belastingdienst hebben in het proces-verbaal opgenomen dat met “ [naam woningstichting 1] ” vermoedelijk [naam woningstichting 1] wordt bedoeld en met “kosten [naam beurs] ” worden vermoedelijk de kosten bedoeld die zijn gemaakt inzake de woonbeurs van [naam beurs] .102.
Verduistering
De rechtbank stelt vast dat bovengenoemde onkosten ten behoeve van [naam bv 1] zijn gemaakt, zijnde de privéonderneming van de verdachte, terwijl deze door de woningstichting zijn gedragen.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 19.921,71, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Totaaloverzicht verduistering inzake [naam bv 1]
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voor een totaalbedrag van € 78.608,07 met betrekking tot [naam bv 1] heeft verduisterd in dienstbetrekking.
Het tenlastegelegde geldbedrag van € 62.971,76 (kasopnames/privé-uitgaven)
De verdachte beschikte over zowel een pinpas als een creditcard van de bankrekening van de woningstichting. Er bestond een tussenrekening, waarop uitgaven werden geboekt waarvan op voorhand niet duidelijk was of deze zuiver zakelijk waren of als privé moesten worden bestempeld.103.
Het opmaken of laten opmaken van kwitanties of nota’s
Pinopnames op 9 en op 15 mei 2008 van telkens € 1.250,-
Op 9 mei 2008 wordt met de pinpas van de woningstichting een geldbedrag van € 1.250,- opgenomen.104.Op 15 mei 2008 wordt eenzelfde geldbedrag met de pinpas opgenomen.105.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat de verdachte dit geld heeft opgenomen.106.
In de administratie van de woningstichting wordt een ongedateerde nota aangetroffen, welke blijkens het opschrift afkomstig zou zijn geweest van [naam 7] voor een bedrag van € 2.300,-, gericht aan de woningstichting. Met een pen is op deze notitie vermeld dat er op 9 en op 15 mei 2008 een totaalbedrag van € 2.500,- ten behoeve van deze nota is gepind.107.
Deze kosten zijn in de administratie van de woningstichting geboekt als ‘advieskosten’.108.
[naam 7] heeft tegenover ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod verklaard deze nota niet te hebben gestuurd en dit geld nooit te hebben ontvangen.109.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.110.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 2.500,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er door [naam 7] (architect)kosten zijn gemaakt, terwijl er in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn verricht of kosten zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Een creditcardbetaling op 21 mei 2011 van € 2.600,-
Op 21 mei 2011 wordt met de creditcard van de woningstichting een bedrag van
€ 2.600,- overgemaakt aan [naam bv 3] Rotterdam.111.
In de administratie van de woningstichting is een door de verdachte ondertekend document aangetroffen met daarop “Advieswerkzaamheden [naam 8] ” met als datum 21 mei 2011.112.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij bovengenoemde advieswerkzaamheden van [naam 8] in opdracht van de verdachte op drie verschillende projecten heeft geboekt, namelijk op de projecten genaamd Pergamijn, Meulenwieër en [adres 1] . De handtekening op het document is van de verdachte en zij heeft dit document op verzoek van de verdachte uitgetypt.113.
[naam 8] heeft verklaard inderdaad advieswerkzaamheden voor de woningstichting te hebben verricht. In verband daarmee heeft hij een tweetal facturen aan de woningstichting gestuurd: één voor € 4.165,- en één voor € 4.040,88. Deze facturen zijn door de woningstichting per bank voldaan. [naam 8] heeft voorts verklaard dat hij pas vanaf juli 2011 werkzaamheden voor de woningstichting is gaan verrichten. Hij heeft verklaard het document niet te kennen en geen contante betalingen te hebben ontvangen.114.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, dus als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.115.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 2.600,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er door [naam 8] advieswerkzaamheden inzake subsidieaanvragen voor drie projecten zijn verricht, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht of deze kosten niet zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Pinopnames op 19 februari 2009 van € 3.350,- en op 14 juli 2010 van € 750,-
Op 19 februari 2009 wordt met de pinpas van de woningstichting een geldbedrag van
€ 3.350,- opgenomen.116.Op 14 juli 2010 wordt een geldbedrag van € 750,- opgenomen met de creditcard van de woningstichting.117.
In de administratie van de woningstichting is een document, gedateerd 19 februari 2009, aangetroffen waarin staat “ [naam bedrijf 4] [naam directeur bedrijf 4] kosten aankoop woning [adres 2] te Limbricht voor een bedrag van € 3.350,-“.118.Daarnaast wordt in de administratie van de woningstichting een document aangetroffen, gedateerd op 14 juli 2010, waarin staat “Project Einighausen kosten advies sloop [naam bedrijf 4] € 750,-“.119.
[naam administratief medewerkster] heeft ten aanzien van de geldopname op 19 februari 2009 verklaard dat zij het betreffende document op verzoek van de verdachte heeft uitgetypt. De handtekening is volgens haar verklaring de handtekening van de verdachte. De verdachte had eerst het geld gepind en toen het dagafschrift van de bank op kantoor werd ontvangen, heeft [naam administratief medewerkster] aan de verdachte gevraagd hoe deze pinopname in de administratie moest worden verwerkt. Vervolgens heeft zij op aanwijzing van de verdachte het document opgemaakt. Ten aanzien van het bedrag dat op 14 juli 2010 is gepind heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat dit geld ook door de verdachte is gepind en dat zij in opdracht van de verdachte het document met betrekking tot deze transactie heeft getypt en deze op een door de verdachte aangewezen project heeft geboekt.120.Dit bedrag is geboekt op het project Meulenwieër.121.
[naam directeur bedrijf 4] , directeur van [naam bedrijf 4] , heeft verklaard dat hij de nota van
19 februari 2009 niet kent. Door hem zijn weliswaar werkzaamheden uitgevoerd, maar dit was voor een bedrag van € 5.000,-. Dit bedrag is per bank overgemaakt. De nota van 14 juli 2010 komt [naam directeur bedrijf 4] ook niet bekend voor, zo verklaarde hij. De genoemde contante geldbedragen heeft hij niet gekregen.122.
In het rapport van Intégis is de gang van zaken rondom de aankoop van de woning aan de [adres 2] te Limbricht en de rol van [naam directeur bedrijf 4] hierin, uitvoerig beschreven. De woningstichting heeft deze woning op 12 december 2008 om 16.10 uur gekocht van [naam directeur bedrijf 4] voor een bedrag van € 205.000,-. [naam directeur bedrijf 4] heeft de betreffende woning twintig minuten daarvoor gekocht voor een bedrag € 215.000,-.123.[naam directeur bedrijf 4] heeft zijn rol als bemiddeling omschreven en heeft voor deze bemiddeling een vergoeding van € 5.000,- ontvangen. De betaling van deze vergoeding van € 5.000,- is geregeld via de notaris.124.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 4.100,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. De door de verdachte gepinde geldbedragen zijn immers niet aan [naam directeur bedrijf 4] of [naam bedrijf 4] , maar ten goede aan de verdachte gekomen.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte onder meer een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er kosten voor de aankoop van de woning aan de [adres 2] te Limbricht door [naam bedrijf 4] zijn gemaakt, terwijl in werkelijkheid de vergoeding voor deze werkzaamheden al was betaald De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Een pinopname op 18 februari 2012 van € 750,- en een kasopname op 10 augustus 2011 van € 250,-
Op 18 februari 2012 wordt met de pinpas van de woningstichting een geldbedrag van € 750,- opgenomen.125.Op 10 augustus 2011 wordt uit de kas een bedrag van € 250,- genomen.126.
In de bedrijfsadministratie van de woningstichting is een document aangetroffen, met pen gedateerd op 10 augustus 2011, en met de inhoud “ [naam 9] aanpassing website
€ 250,-“.127.Ook wordt een document, gedateerd op 18 februari 2012, aangetroffen met daarop de tekst “ [naam 9] , voorschot klappers huurders € 750,-“.128.
[naam 9] heeft verklaard in het verleden werkzaamheden voor de woningstichting te hebben verricht. Zij heeft echter nooit contante betalingen van de woningstichting of van de verdachte ontvangen.129.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard het document met daarop genoemd het bedrag van € 750,- opgemaakt in opdracht van de verdachte. De verdachte had dit geld gepind. [naam administratief medewerkster] heeft deze geldopname geboekt op een rekening waar alle kosten van deze klant op werden geboekt. Over de pinopname van € 250,- heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat de verdachte haar € 250,- uit de kas had gevraagd. Daarop heeft [naam administratief medewerkster] het document, waarin van een voorschot aan [naam 9] wordt gesproken, van de verdachte ontvangen. De handtekening op het document is van de verdachte. [naam administratief medewerkster] heeft de kosten geboekt op de grootboekrekening ‘Ontwikkeling website’.130.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.131.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij deze geldbedragen heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich opzettelijk deze bedragen tot € 1.000,-, welk geldbedragen toebehoorden aan de woningstichting en welk geldbedragen de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen inhoudende dat er kosten zijn gemaakt voor “aanpassing website” door [naam bedrijf 5] van [naam 9] , en daarnaast een geschrift inhoudende dat er kosten zijn gemaakt door [naam 9] in het kader van “voorschot klappers huurders”, terwijl in beide gevallen in werkelijkheid deze kosten niet zijn gemaakt, met als oogmerk deze documenten in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Een pinopname van € 250,- op 27 december 2007
Op 27 december 2017 is met de pinpas een geldbedrag van € 250,- van de rekening van de woningstichting opgenomen.132.
In de administratie van de woningstichting is een document aangetroffen, gedateerd op 27 december 2007, met daarop de tekst “Optreden van [naam 10] in verband met afscheid de heer [naam toenmalig voorzitter RvT] voorzitter RvT € 250,-“.133.
[naam 10] is door de ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod gehoord. Hij heeft verklaard niet voor de woningstichting te hebben opgetreden en dit geldbedrag niet te hebben gekregen. [naam 10] heeft voorts verklaard in die tijd voor zijn optredens hooguit
€ 175,- te vragen.134.[naam 10] is later door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen verklaard zich het optreden niet te kunnen herinneren en vraagt om foto’s, zodat hij het zich dan misschien wel te kunnen herinneren.135.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dit geldbedrag voor een betaling aan [naam 10] te hebben opgenomen en hem daarmee te hebben uitbetaald. [naam 10] heeft namelijk een optreden verzorgd op het gezamenlijk afscheid van [medeverdachte] en van de toenmalige voorzitter van de raad, de heer [naam toenmalig voorzitter RvT] .136.
[naam voorzitter RvT] en [naam lid RvT 2] hebben ter terechtzitting verklaard dat [naam 10] inderdaad op het afscheid van [medeverdachte] een optreden heeft verzorgd.137.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het bovenstaande niet bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde geldbedrag van € 250,- heeft verduisterd. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat [naam 10] een optreden heeft verzorgd op het voornoemde afscheid, wordt ondersteund door de verklaringen van [naam voorzitter RvT] en [naam lid RvT 2] . Dit afscheid heeft plaatsgevonden in dezelfde periode als waarin het geldbedrag is gepind. De verdachte zal aldus van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.
Een overboeking van € 1.965,- vanaf de rekening van de woningstichting naar de privérekening van de verdachte
Op 27 april 2010 is een bedrag van € 1.965,- overgemaakt vanaf de rekening van de woningstichting naar de privérekening van de verdachte met als omschrijving “ [naam 5] management ondersteuning Raad van Toezicht”.138.
In de administratie van de woningstichting is een kopie van een handgeschreven notitie op briefpapier van [naam woningstichting 2] aangetroffen met de volgende inhoud: “ [naam 5] Management ondersteuning RvT exploitatie opzet Silverstaete Wellness/Complex Hoogveld te Sittard € 1965,-.”139.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat ze dit document van de verdachte heeft ontvangen. Op de vraag waarom zij het bedrag naar de privérekening van de verdachte heeft overgeboekt, heeft ze verklaard dat ze denkt dat de verdachte het geldbedrag uit privémiddelen had voorgeschoten. Zij heeft deze uitgave geboekt op de rekening ‘Investering’. Later komt [naam administratief medewerkster] hierop terug en weet ze niet meer zeker of zij degene is geweest die dit bedrag naar de privérekening van de verdachte heeft overgemaakt.140.
[naam 5] heeft verklaard dat deze nota aan hem onbekend is. Hij heeft dit geld niet ontvangen. Bij de omschrijving van de overboeking naar de privérekening van de verdachte is zijn naam zelfs verkeerd gespeld. Als hij werkzaamheden zou hebben verricht, dan zou hij een factuur hebben gestuurd, zo verklaarde hij. De paraaf op het document herkent hij als een paraaf van de verdachte.141.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij namens de woningstichting voor [naam 5] een laptop en een IPad heeft gekocht. Dat heeft hij gedaan omdat [naam 5] op regelmatige basis werkzaamheden voor de woningstichting verrichte. Deze aankopen heeft de verdachte naar zijn zeggen uit privémiddelen voorgeschoten.142.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 1.965,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat [naam 5] op geen enkel moment over deze goederen heeft gesproken en de verdachte zijn stelling hieromtrent op geen enkele manier heeft onderbouwd. Daar komt bij dat de verdachte in het bezit was van zowel een pinpas, als van een creditcard van de woningstichting en er zo bezien dus geen enkele aanleiding denkbaar is dat de verdachte uit privémiddelen dergelijke uitgaven voorschiet.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er door [naam 5] management aan de raad ondersteuning is verleend bij de exploitatie opzet Silverstaete Welness/complex Hoogveld te Sittard, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht en daarvoor deze kosten niet zijn gemaakt, met als oogmerk dit document in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Een pinopname op 6 december 2009 van € 250,-
Op 6 november 2009 is van de bankrekening van de woningstichting een bedrag van € 250,- gepind.143.
In de administratie van de woningstichting is een brief van advocaat [naam advocaat] aangetroffen, ongedateerd en niet ondertekend, met als bijlage een niet ondergetekende brief van voornoemde advocaat, gedateerd op 10 november 2009, met de tekst “adviezen aan [naam woningstichting 2] ”. Op de eerste brief is een kopie van de bankopname van € 250,- aangehecht.144.
Over deze brief heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat zij deze zo heeft gekregen van de verdachte en dat zij de uitgave moest boeken op het project genaamd Hoogveld.145.
[naam advocaat] heeft verklaard dat hij de brief die bij de nota zit, vermoedelijk via e-mail vanuit zijn computer, zonder briefhoofd en als Word-bestand, op verzoek van de verdachte aan hem heeft toegezonden. Er heeft inderdaad op 2 november 2009 een bespreking plaatsgevonden, maar het contante geldbedrag van € 250,- heeft [naam advocaat] naar zijn zeggen niet ontvangen. Ook het project ‘Hoogveld’ zegt hem niets.146.[naam advocaat] heeft als advocaat dus wel werkzaamheden voor de woningstichting verzorgd, maar daarvoor is een declaratie gestuurd, welke door de woningstichting per bank werd voldaan.147.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geldbedrag van € 250,- ten goede is gekomen aan een zakelijk diner met [naam advocaat] en dat dit goedkoper was dan een declaratie van een advocaat voor een advies.148.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 250,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Uit het dossier blijkt niet dat dit bedrag ten goede aan [naam advocaat] is gekomen. De verklaring van de verdachte voor deze geldopname is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er kosten zijn gemaakt voor overleg met de heer [naam advocaat] van [naam advocaat] Advocaten inzake “Hoogveld”, terwijl in werkelijkheid hier geen kosten voor zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Het kwalificeren van een opname als voorschot
Op 28 oktober 2011 en op 17 november 2011 werd telkens een bedrag van € 5.000,- van de bankrekening van de woningstichting gepind.149.
In de administratie van de woningstichting werd een opdrachtbevestiging van [naam bv 4] te Nuth aangetroffen, geadresseerd aan [naam woningstichting 1] ter attentie van de verdachte en gedateerd
26 oktober 2011. Het betreft de levering van een kastenwand voor de zwembadruimte in complex Silverstaete te Sittard voor € 9.500,-. Met de hand is op deze opdrachtbevestiging geschreven:
“28-10 1e aanbetaling € 5.000,-
27-11 2e aanbetaling € 5.000,-.”150.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat bovengenoemde aantekeningen in opdracht van de verdachte door haar op de documenten zijn gezet. De verdachte heeft de betreffende bedragen gepind. [naam administratief medewerkster] heeft deze kosten op verzoek van de verdachte op het zwembad (van Hoogveld/Silverstaete) geboekt. Na ontvangst van de factuur van [naam bv 4] voor de werkzaamheden, constateerde [naam administratief medewerkster] dat de verdachte al twee maal € 5.000,- hiervoor had gepind. Toen zij de verdachte hiermee confronteerde, kreeg zij te horen dat de eerdere opnamen toch niet te maken hadden met de kastenwand, maar dat deze eerdere opnamen te maken hadden met twee bedrijfsruimten, die door de woningstichting werden verhuurd aan [naam bedrijf 6] . [naam bedrijf 6] zou deze bedragen nog tegoed hebben gehad. De kosten zijn echter wel ‘op het zwembad’ blijven staan.151.
[naam directeur bv 4] , directeur van [naam bv 4] , heeft verklaard dat het juist is dat zij voor het zwembad een kastenwand hebben geleverd, maar dat zij nooit twee keer € 5.000,- contant als aanbetaling hebben ontvangen. De facturen voor de kastenwand van het zwembad zijn per bank door de woningstichting betaald.152.
[naam directeur bedrijf 6] , directeur van [naam bedrijf 6] , heeft verklaard dat [naam bedrijf 6] inderdaad twee ruimten huurde van de woningstichting. [naam bedrijf 6] heeft echter nooit € 10.000,- contant of per bank van de verdachte of van de woningstichting ontvangen, zo verklaarde hij.153.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.154.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 10.000,- welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, waarop is vermeld “1e aanbetaling EURO 5000,-“ en “2e aanbetaling EURO 5000,-“ en “contant” terwijl in werkelijkheid dit geen aanbetalingen zijn geweest aan [naam bv 4] , met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Het opmaken van een vervalste factuur als dekmantel voor kasopnames
In de administratie van de woningstichting is een factuur ad € 2445,00 van [naam bedrijf 4] aangetroffen. Voor de betaling van deze factuur is op 14 februari 2008 een bedrag van € 850,00 gepind, op 22 februari 2008 een bedrag van € 500,00, op 7 maart 2008 een bedrag van € 250,00 en op 20 maart 2008 een bedrag van € 845,00.155.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij de penaantekeningen “pinacties” en de bedragen op de factuur heeft geschreven. De factuur heeft ze van de verdachte gekregen. Deze factuur is niet met de post gekomen. De verdachte heeft haar verteld waar de pintransacties betrekking op hadden.156.
[naam directeur bedrijf 4] van [naam bedrijf 4] heeft over deze factuur verklaard dat hij deze factuur niet heeft opgemaakt en dat hij niet weet wie deze factuur ondertekend heeft. Hij spreekt het vermoeden uit dat de verdachte zijn briefpapier heeft misbruikt om deze factuur te maken. Het bedrag op deze factuur heeft hij, naar zijn zeggen, niet ontvangen.157.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.158.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 2.445,- welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, inhoudende dat een overzicht is gemaakt van vier pinacties voor een totaalbedrag van € 2.445,- op een factuur van [naam bedrijf 4] met als onderwerp “werkzaamheden project klooster Agnetenberg te Sittard”, terwijl voornoemde werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht en die kosten niet zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Sponsoring
Stichting [naam stichting]
Op 27 maart 2011 is vanaf de rekening van de woningstichting een bedrag van € 750,- gepind.159.Uit de kas van de woningstichting is op 27 maart 2011 een bedrag van € 500,- opgenomen met als omschrijving “Sponsor Goede Doel 2011”.160.
In de administratie van de woningstichting is een kopie van een notitie van 27 maart 2011 aangetroffen, met daarop “Sponsoring [naam stichting] , Sponsoring Goede Doel 2011, ronde tafel 164,
€ 1.250,-. Naamsbekendheid nieuwe naam [naam woningstichting 1] , [naam woningstichting 2] . [verdachte] , akkoord.” Met de hand is erbij geschreven: “kas € 500 en pin € 750 = € 1.250”.161.Dit briefje heeft de verdachte aan [naam administratief medewerkster] overhandigd, waarna zij deze bedragen op de post ‘Leefbaarheid’ moest boeken, zo verklaarde zij.162.
[naam 11] heeft namens de stichting [naam stichting] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard de woningstichting niet te kennen en nooit geld van de woningstichting te hebben ontvangen.163.
De verdachte heeft tegenover ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod verklaard: “Ik moet hier echt mee lachen. Jullie zijn echt bij de verkeerde geweest”.164.Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat dit geldbedrag is opgenomen ten behoeve van de Ronde Tafel 164 in Valkenburg. [naam stichting] staat in dat verband voor het evenement genaamd ‘Monsieur op Sjiek’. Het betrof een sponsoring om de naamswijziging van de woningstichting onder de aandacht te brengen en de nieuwe naam te promoten.165.
Uit de notulen van de vergaderingen van de woningstichting blijkt dat de naam van de woningstichting per 12 april 2011 officieel is gewijzigd.166.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank is niet overtuigd geraakt van het feit dat de verdachte het tenlastegelegde geldbedrag van € 1.250,- heeft verduisterd. De verklaring door de verdachte kan niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven. De verdachte zal aldus van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.
Valsheid in geschrifte
In het verlengde van het hiervoor overwogene is eveneens niet bewezen dat de verdachte in dit verband valsheid in geschrifte heeft gepleegd. In zoverre moet de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Sponsoring van Klooster Agnetenberg
In de administratie van de woningstichting zijn drie reçu’s aangetroffen, die betrekking hebben op de opnames van de volgende geldbedragen: € 1.250,- op 12 mei 2010, € 1.250,- op 18 mei 2010 en € 750,- op 12 mei 2010. Met de hand is hierop geschreven: “€ 3.275 t.b.v. Agnetenberg”.167.Aan de hand van deze notitie heeft [naam administratief medewerkster] deze geldbedragen op de grootboekrekening ‘Project Agenetenberg’ geboekt.168.
Zuster [naam zuster] , administratrice bij de orde van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed, heeft verklaard dat het klooster dit geld niet heeft ontvangen.169.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.170.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 3.250,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Een donatie aan de Liefdeszusters van het Kostbaar Bloed
Op 18 oktober 2011 wordt van de bankrekening van de woningstichting een bedrag van
€ 5.000,- gepind.171.
In de administratie van de woningstichting wordt een notitie aangetroffen waarin staat dat dit geldbedrag is opgenomen ten behoeve van een donatie voor het 150-jarige bestaan van de congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed. Deze donatie zou hebben bestaan uit het op kosten van de woningstichting inhuren van het hoveniersbedrijf [naam hoveniersbedrijf] . Het hoveniersbedrijf zou voor dit bedrag het groenonderhoud op het park van het klooster hebben verricht. Aan de hand van deze notitie heeft [naam administratief medewerkster] deze uitgave op de grootboekrekening ‘Project Agnetenberg’ geboekt.172.
Zuster [naam zuster] heeft verklaard dat het klooster in 2011 geen donatie heeft ontvangen in de vorm van groenonderhoud van het park van het klooster Agnetenhof. Er zijn ook geen andere donaties door de woningstichting aan haar bekend.173.
[naam hovenier] heeft namens het hoveniersbedrijf verklaard geen onderhoud te hebben verricht voor de woningstichting en geen bedrag van € 5.000,- te hebben ontvangen. Het hoveniersbedrijf heeft wel onderhoudswerkzaamheden in de tuin van de privéwoning van de verdachte verricht, maar ook dat was niet tot een bedrag van € 5.000,-.174.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.175.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in deze valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 5.000,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, inhoudende dat er ten behoeve van “groenonderhoud Park Plakstraat te Sittard” er € 5.000,-, is gedoneerd aan de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed, terwijl in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn verricht en deze kosten niet zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Het (1-jarige) huwelijk van de verdachte
De facturen van [naam 2]
In de administratie van de woningstichting zijn een tweetal facturen aangetroffen, afkomstig van de horecagelegenheid [naam 2] , gelegen aan het Vrijthof te Maastricht. De facturen hebben betrekking op 28 entreekaarten van € 70,- per stuk en eenzelfde aantal diners, met de datum 16 juli 2011. Het totaalbedrag van de factuur is € 3.293,60.176.
Deze facturen heeft de verdachte aan [naam administratief medewerkster] overhandigd. [naam administratief medewerkster] kreeg van de verdachte de opdracht deze kosten te boeken op de grootboekrekeningen van twee projecten, te weten: de projecten Einighausen en Pergamijn.177.
In het dossier bevindt zich een e-mailbericht tussen de toenmalige echtgenote van de verdachte en het bedrijf [naam bedrijf 2] , waarin de opmaak wordt besproken van de uitnodiging ter ere van het 1-jarig huwelijksfeest van de verdachte op 16 juli 2011 bij [naam 2] .178.
De verdachte heeft verklaard dat dit bedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.179.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 3.293,60, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Een factuur van [naam bedrijf 7]
In de administratie van de woningstichting is een factuur van [naam bedrijf 7] aangetroffen, ter attentie van de verdachte, gedateerd 4 augustus 2010. De factuur heeft betrekking op de organisatie van “Jubileum 2010” voor onder meer “drank” en “orkest”. De factuur bedraagt € 5.173,47 en is door de woningstichting uitbetaald. [naam administratief medewerkster] heeft dit bedrag in opdracht van de verdachte op zeven verschillende grote complexen in de administratie geboekt.180.
[naam 12] heeft namens [naam bedrijf 7] verklaard dat zij in 2010 door de verdachte zijn ingehuurd. De verdachte heeft hem daarbij verteld dat in 2010 zowel zijn bruiloft als het jubileumfeest van de woningstichting werd gevierd. Langzaamaan werd het [naam 12] duidelijk dat het een gecombineerd feest zou worden. Hij moest in opdracht van de verdachte voor zijn werkzaamheden een tweetal facturen uitschrijven: een factuur op naam van de verdachte én een factuur op naam van de woningstichting. Op de factuur voor de woningstichting moest hij als omschrijving “Jubileum 2010” vermelden.181.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat de bruiloft van de verdachte en het bijbehorende feest niets te maken hadden met het 90-jarig bestaan van de woningstichting. De factuur van [naam bedrijf 7] heeft zij van de verdachte ontvangen.182.Deze factuur is door de woningstichting betaald.183.
De leden van de raad hebben allen verklaard op het huwelijksfeest van de verdachte aanwezig te zijn geweest. Er heeft geen jubileumfeest van de woningstichting plaatsgevonden en dus was er ook geen combinatie van beide feesten.184.
In de notulen van de vergadering van de raad van 6 juli 2010 is te lezen dat voor het huwelijk van de verdachte een eenmalige gratificatie zal worden verstrekt van € 1.500,-.185.
De verdachte heeft verklaard dat hij met de raad heeft besproken dat de receptie voor zijn huwelijk ook ter ere van het jubileum van de woningstichting zou zijn. Op die grond zou de woningstichting een deel van de kosten van het huwelijksfeest voor haar rekening kunnen nemen.186.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd. Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in dezen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Vanwege de samenhang zal de rechtbank deze onderdelen van de tenlastelegging tezamen bespreken.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 1.965,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de verklaring van de verdachte geen enkele steun vindt in andere bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld de verklaringen van de leden van de raad. Dat überhaupt een jubileumfeest heeft plaatsgevonden, vindt nergens in het dossier bevestiging. Dat dit jubileum begin 2010 ter sprake is gekomen tijdens een vergadering van de raad, is als bewijs daarvoor volstrekt onvoldoende. Daar komt bij dat de facturen op verzoek van de verdachte op meerdere verschillende projecten zijn geboekt en het alsdan voor de hand had gelegen deze kostenpost onder de omschrijving ‘Jubileum’ te boeken.
Valsheid in geschrifte
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat er ten behoeve van “Jubileum 2010” kosten zijn gemaakt van € 5.173,47, terwijl in werkelijkheid geen jubileum 2010 heeft plaatsgevonden en daarvoor ook geen kosten zijn gemaakt, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Concert [naam 13]
In de administratie van de woningstichting zijn een tweetal facturen van [naam bv 5] , gedateerd 2 december 2011, aangetroffen, gericht aan de woningstichting en ter attentie van de verdachte, ter hoogte van € 2.050,- en € 925,-. Deze facturen zijn in de administratie van de woningstichting geboekt als reis- en verblijfkosten.187.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat de verdachte een busreis heeft willen organiseren voor de bewoners van het complex Pergamijn. Dat bleek echter niet mogelijk. Het was daarna de bedoeling om de huurders van verschillende complexen voor dit concert uit te nodigen, maar in verband met de schorsing van de verdachte is dit niet meer gebeurd. [naam administratief medewerkster] heeft nog geprobeerd de busreis en de entreekaarten te annuleren, maar dit bleek niet meer mogelijk.188.
De verdachte heeft verklaard dat hij deze uitgaven ten behoeve van de woningstichting heeft gedaan. Het was de bedoeling een aantal huurders voor dit concert uit te nodigen en deze reis voor hen te verzorgen.189.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaring van de verdachte en de bevestiging daarvan door de getuige [naam administratief medewerkster] , niet is bewezen dat de verdachte dit geldbedrag heeft verduisterd. De verdachte zal aldus van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.
De aanschaf van roerende goederen
De aanschaf van een zeefdruk
In de administratie van de woningstichting is een factuur aangetroffen van [naam bedrijf 8] voor de aanschaf van een zeefdruk van [naam 14] voor de prijs van € 1.295,-.190.De aanschafprijs van de zeefdruk is door [naam administratief medewerkster] in opdracht van de verdachte geboekt op de grootboekrekening ‘Zwembad Silverstaete’.191.
Tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte op 13 maart 2013 is de computer van de verdachte onderzocht. Op deze computer is een foto aangetroffen, waarop bovengenoemde zeefdruk te zien is.192.
[naam klusjesman] , als vaste klusjesman verbonden aan de woningstichting, heeft verklaard dat deze foto in de huiskamer van de verdachte genomen is.193.
De leden van de raad van toezicht hebben verklaard deze zeefdruk niet te kennen en dus ook niet te weten waar deze gehangen heeft.194.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een aantal schilderijen, die in privé aan hem toebehoorden, op het kantoor van de woningstichting hingen en hij, in ruil voor het gebruik daarvan, op kosten van de stichting de zeefdruk heeft aangeschaft, die vervolgens inderdaad bij hem thuis is komen te hangen.195.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
Gezien de zeefdruk kennelijk voor privégebruik was bestemd, acht de rechtbank op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk € 1.295,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Een factuur van [naam bv 6]
In de administratie van de woningstichting is een factuur aangetroffen van [naam bv 6] , voor de aanschaf van een laptop van het merk Acer en een camera, voor een totaalbedrag van
€ 2.007,05.196.Deze uitgave is geboekt als “investering inventaris”.197.
[naam lid RvT 1] heeft verklaard dat hij zeker weet dat de verdachte geen Acer laptop in zijn bezit had.198.
De verdachte heeft verklaard deze goederen ten behoeve van de woningstichting te hebben aangeschaft en dat hij niet over deze goederen beschikt.199.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op basis van het bovenstaande niet bewezen dat de verdachte het geldbedrag ten behoeve van de aanschaf van deze goederen heeft verduisterd, nu niet kan worden uitgesloten dat deze goederen ten goede aan de inventaris van de woningstichting zijn gekomen. De verdachte zal aldus van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.
De factuur van [naam 1]
In de privéadministratie van de verdachte zijn twee originele aankoopbewijzen van het bedrijf [naam 1] aangetroffen, gedateerd 22 november 2010 en 29 januari 2011. De betreffende uitgaven hebben betrekking op de aanschaf van skikleding voor dames en heren. De pinbonnen voor deze aankopen zijn in de administratie van de woningstichting aangetroffen.200.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij deze pinbonnen van de verdachte heeft gekregen.201.Zij heeft deze uitgaven op verzoek van de verdachte als zakelijke kosten op een project geboekt.202.
De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag thuishoorde op de tussenrekening van de woningstichting, als kosten die hij moest verrekenen met de woningstichting.203.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 2.000,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Facturen van de [naam bedrijf 9]
In de administratie van de woningstichting zijn een aantal facturen aangetroffen van de [naam bedrijf 9] voor de aankoop van:
- een Bosch wasdroger en koelkast op 19 juli 2009, totaalbedrag € 1.081,-;204.
- een Canon camera en Philips televisie op 3 september 2010, totaalbedrag € 879,-205.;
- een Canon printer, een stofzuiger, een Apple adapter, een Apple kabel en muis, totaalbedrag van € 309,98206.;
- een Sony handycam camcorder op 25 november 2011, totaalbedrag € 759,99207.;
- een Sony televisie op 9 februari 2012, totaalbedrag € 697,98208.;
- een magnetron en koelkast op 22 september 2011, totaalbedrag € 340,-209..
[naam administratief medewerkster] heeft deze kosten in opdracht van de verdachte in de administratie van de woningstichting als zakelijke kosten geboekt.210.
In de woning van de verdachte is een handgeschreven brief aangetroffen. In deze brief staat onder meer: “allerliefste, wat heb ik gedaan? Ik heb je teleurgesteld. (…) Ik heb alles kapot gemaakt! Het vertrouwen is weg! Dingen verzwijgen, de leugens. Het moet stoppen. ( …) Waar ging het mis?!?!” en de volgende opsomming:
Medoclaan - TV / stofzuiger / koelkast
- (…)
- fototoestel / camera / Ipad / comp
- (…)211.
De leden van de raad hebben verklaard deze goederen niet te hebben gezien bij de woningstichting.212.
De verdachte heeft verklaard dat alle aangeschafte goederen ten goede aan de woningstichting zijn gekomen, behalve de producten van het merk Apple.213.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzettelijk ten behoeve van de aanschaf van een camera en een camcorder voor een totaalbedrag van € 1.335,99, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. De aanschafprijs van de stofzuiger en de producten van het merk Apple heeft de rechtbank op basis van de aankoopbewijzen niet kunnen vaststellen. Voor de verduistering van de overige geldbedragen acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig, met als gevolg dat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
De kosten voor het onderhoud van de privéauto’s van de verdachte
In de administratie van de woningstichting zijn meerdere facturen aangetroffen, die betrekking hebben op de kosten voor het onderhoud van twee aan de verdachte in privé toebehorende auto’s. Dit zijn facturen tot een totaalbedrag van € 5.448,70.214.
Leden van de raad hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van deze betalingen door de woningstichting en hebben verder verklaard dat de verdachte geen toestemming had om het onderhoud van zijn auto’s door de woningstichting te laten bekostigen.215.
In de notulen van de vergadering van de raad van 14 november 2007 is opgenomen dat de verdachte het idee opperde om via de woningstichting een auto te leasen. Er is niet gesproken over de betaling van onderhoudskosten van privéauto’s van de verdachte.216.
De verdachte heeft verklaard dat hij heeft overlegd met [naam voorzitter RvT] , als toenmalige voorzitter van de raad, en dat [naam voorzitter RvT] toestemming heeft gegeven om het onderhoud van de privéauto’s door de woningstichting te laten betalen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij een lening bij de woningstichting had ten behoeve van de aanschaf van een auto.217.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van
€ 5.448,70,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat [naam voorzitter RvT] zijn akkoord zou hebben gegeven om de onderhoudskosten door de woningstichting te laten dragen, wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund en is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Niet doel-gebonden uitgaven voor een derde
Goederen aangeschaft voor klusjesman [naam klusjesman]
De verdachte heeft een wasmachine, een droger en een koel-/vrieskast gekocht voor de klusjesman van de woningstichting.218.Deze goederen zijn betaald door de woningstichting.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat zij deze kosten in opdracht van de verdachte op een project heeft geboekt en dat deze goederen bij klusjesman [naam klusjesman] thuis staan.219.
[naam klusjesman] heeft verklaard dat hij deze goederen van de verdachte heeft gekregen omdat hij een aantal kluswerkzaamheden in de woning van de verdachte heeft verricht.220.
Het oordeel van de rechtbank
Onder feit 1 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij dit geldbedrag heeft verduisterd.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte opzettelijk een bedrag van € 2.100,-, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Totaaloverzicht verduistering privéuitgaven en kasopnames
De rechtbank is aldus van oordeel dat de verdachte in totaal voor een bedrag van € 53.048,29 oor privéuitgaven en kasopnames heeft verduisterd.
De facturen van [naam onderneming 1] met een totaalbedrag van € 200.441,08
Onder dit feit wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking tot een bedrag van € 200.441,08. Dit bedrag bestaat uit een tweetal bedragen, te weten: een bedrag van € 141.595,06 en een bedrag van € 58.846,02. Deze bedragen hebben betrekking op naar verluidt door de [medeverdachte] na zijn pensionering voor de woningstichting uitgevoerde werkzaamheden. Deze bedragen zijn door de woningstichting aan [medeverdachte] uitbetaald.
De kwestie [naam onderneming 1]
In de vergadering van de raad op 6 maart 2007 geeft [medeverdachte] , zijnde de vader van de verdachte, bij de raad aan dat hij zijn arbeidsovereenkomst als directeur van de woningstichting per 1 juli 2007 wenst te beëindigen. Hij geeft dan tevens aan in de toekomst als technisch adviseur inzetbaar te willen blijven voor de woningstichting. De ontslagdatum werd nadien gewijzigd in 1 juni 2007.221.
De raad heeft op 3 april 2007 en 1 mei 2007 over de inzet van [medeverdachte] als technisch adviseur gesproken. Besloten werd dat [medeverdachte] na zijn pensioen nog maximaal twintig uren per week werkzaamheden zou verrichten als adviseur en begeleider van de projecten Molenbron en Hoogveld tegen een vergoeding van € 70,- per uur, exclusief BTW ingaande
1 juni 2007. Er zou een overeenkomst worden opgemaakt voor de duur van één jaar.222.
Per 1 juni 2007 heeft [medeverdachte] zich met zijn eenmanszaak [naam onderneming 1] ingeschreven in het handelsregister. De ondernemersactiviteiten zijn volgens deze inschrijving gestaakt per 1 januari 2009. [medeverdachte] heeft per 1 januari 2010 de onderneming [naam onderneming 2] in het handelsregister ingeschreven. Deze onderneming is per 1 januari 2011 weer uitgeschreven.223.
Voor werkzaamheden in de periode van juni tot september 2007 factureerde [medeverdachte] aan de woningstichting. De eerste vier facturen waren alle gedateerd 8 oktober 2007. De facturen bedragen bedroegen een totaal van € 25.239,90.224.Deze bedragen zijn door de woningstichting aan [medeverdachte] uitbetaald.225.Alhoewel deze facturen geen onderdeel uitmaken van de tenlastelegging, vallen er wel een aantal dingen op aan deze facturen. Deze facturen hebben namelijk geen (opvolgend) factuurnummer, bevatten geen specificatie van de (aard) van de werkzaamheden, en evenmin was een urenspecificatie bijgevoegd en zijn, zoals vermeld, telkens gedateerd op 8 oktober 2007.
Op 1 juli 2008 werden de diensten van [medeverdachte] opnieuw in een vergadering van de raad van toezicht besproken. Afgesproken werd dat [medeverdachte] vanaf 1 juli 2008 net als voorheen op regiebasis zal worden ingezet.226.
De verduistering in dienstbetrekking en de valsheid in geschrifte van een drietal documenten
In de administratie van de woningstichting is een offerte aangetroffen met de dagtekening
2 februari 2007 van [naam onderneming 1] , [medeverdachte] , voor werkzaamheden ten behoeve van complex Hoogveld tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW (D-031). Dit document is door de verdachte ondertekend.227.Daarnaast is in de administratie een factuur aangetroffen gedateerd op 18 november 2008 van [naam onderneming 1] voor verrichte werkzaamheden ten behoeve van Hoogveld ten bedrage van deze 3,5 %, zijnde dat € 141.595,06 inclusief BTW (D-044). Op dit document staat een handtekening van de verdachte en van [medeverdachte] .228.Deze factuur werd door de woningstichting betaald met verrekening van de eerder gefactureerde bedragen. De woningstichting betaalde aan [medeverdachte] vervolgens een bedrag uit van € 127.094,24.229.
Met betrekking tot het werken op basis van een percentage van de aanneemsom zijn onder meer nog een tweetal andere documenten in de administratie van de woningstichting aangetroffen.
Dit betreft een document met dagtekening februari 2007 waarop staat dat er een opdracht wordt verstrekt aan [medeverdachte] inzake werkzaamheden Hoogveld te Sittard. Het tarief wordt gesteld op 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW. (D-033) Onder dit document staat: “voor akkoord [verdachte] ”.230.
Het tweede document (D-034) heeft als briefhoofd [naam woningstichting 2] en is gedateerd op 21 februari 2007. Dit document is gericht aan [naam onderneming 1] en het onderwerp is Project Hoogveld Sittard. De tekst luidt: “Geachte heer [medeverdachte] , wij verzoeken u om uitvoering van de werkzaamheden van het project Hoogveld te Sittard conform uw offerte d.d. 2 februari 2007, met een tarief van 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW. [verdachte] ”.231.
In het dossier bevindt zich een schermafdruk van een document dat met behulp van Word is opgemaakt. Het gaat hierbij om de opdrachtbevestiging d.d. 21 februari 2007 (D-034). Op de schermafdruk is te lezen dat het document is aangemaakt en afgedrukt op 26 november 2008.232.
De verklaringen van getuigen over het factureren op basis van percentage aanneemsom
[medeverdachte] heeft tegenover ambtenaren van de Fiod/Belastingdienst verklaard dat eind 2008 de verdachte, samen met [naam samenstellend accountant] , aan hem heeft voorgesteld om zijn werkzaamheden met betrekking tot het project Hoogveld af te gaan rekenen op basis van een percentage van de aanneemsom. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij de offerte heeft ondertekend, die [naam administratief medewerkster] al voor hem had opgemaakt. Over de datum van de offerte heeft [medeverdachte] in eerste instantie verklaard dat deze is opgemaakt in februari 2007, zoals daarin ook vermeld staat. Als hem dan wordt voorgehouden dat hij op deze datum nog directeur was van de woningstichting, geeft hij aan dat de offerte na juli 2007 door hem is ondertekend. Later heeft [medeverdachte] verklaard dat de datum op de offerte hem in het geheel niet is opgevallen. Hij heeft voorts verklaard deze nieuwe wijze van facturering niet met de raad te hebben besproken.233.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard bovengenoemde offerte te hebben opgemaakt en de gegevens hiervoor van de verdachte en van [medeverdachte] te hebben ontvangen. De offerte is volgens haar rond november/december 2018 opgemaakt. De verdachte was haar aanspreekpunt in deze kwestie. Over de datum op de offerte heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat haar is gezegd een datum in het verleden te kiezen en dat zij toen maar voor deze datum heeft gekozen.234.[naam administratief medewerkster] heeft verder verklaard het document, inhoudende de opdrachtbevestiging tegen het nieuwe tarief wel te kennen, maar dat zij die niet heeft opgemaakt. Ze weet niet wie dit document wel heeft opgemaakt.235.
[naam samenstellend accountant] heeft verklaard dat hij [naam onderneming 1] kent als de onderneming van [medeverdachte] . [naam onderneming 1] hield toezicht op de ontwikkeling van het project Hoogveld. Hij heeft op een gegeven moment bij de verdachte aangegeven dat de facturen van [naam onderneming 1] tijdiger moesten worden aangeleverd. Er kon wekelijks of maandelijks gefactureerd worden of met een vast gedrag per maand. Hij heeft toen ook bij de verdachte aangegeven dat het in de bouwwereld niet ongebruikelijk is om met een vast percentage van de aanneemsom te werken. Hij weet zeker erbij te hebben gezegd dat er dan wel een nieuwe opdracht moet komen. Hij denkt erbij te hebben gezegd dat het goedgekeurd moet worden door de raad. Het vaste percentage van 3,5% heeft [naam samenstellend accountant] samen met de verdachte vastgesteld via informatie, verkregen na een zoekopdracht in Google.236.
De leden van de raad hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de offerte van [naam onderneming 1] van februari 2007 en ook niet op de hoogte te zijn geweest van de nieuwe afspraak, inhoudende dat [naam onderneming 1] op basis van een percentage van de aanneemsom betaald zal worden voor werkzaamheden. Ze kennen alleen de oude afspraak van maximaal 20 uren per week voor een tarief van 70 euro per uur.237.De notulen van de vergaderingen van de raad bevatten geen besluit of discussie over een nieuw tarief. De leden van de raad kennen ook de brief aan [naam onderneming 1] niet, inhoudende de opdrachtbevestiging tegen het nieuwe tarief.238.
De verdachte heeft verklaard dat de overeenkomst met [medeverdachte] , inhoudende dat hij op basis van een percentage van de aanneemsom zou gaan factureren, op advies van [naam samenstellend accountant] tot stand is gekomen. De factuur van [medeverdachte] met een totaalbedrag van
€ 141.595,06 is opgenomen in de accountsverslagen bij de jaarrekening van 2008, dus de raad had er op deze manier vanaf kunnen weten. De verdachte heeft deze wijziging in de manier van factureren niet expliciet met de raad besproken, maar het betrof de afkoop van een risico voor de woningstichting. Ook vond er op deze manier een kostencontrole plaats, waaruit kan worden geconcludeerd dat deze nieuwe afspraak sowieso in het voordeel van de woningstichting was. Over de datum op het document heeft de verdachte verklaard dat de afspraak over het factureren op basis van een percentage van de aanneemsom eind 2008 tot stand is gekomen. Het kan dan ook zijn dat de offerte van eind 2008 dateert en niet van 2 februari 2007.
Conclusie ten aanzien van het afgesproken tarief
Op grond van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] eind 2008 hebben afgesproken dat [medeverdachte] op basis van een percentage van de aanneemsom zijn werkzaamheden voor de bouwbegeleiding van het project Hoogveld aan de woningstichting zou factureren, ook al had de raad in 2007 een ander tarief bepaald. Zonder dit aan de raad voor te leggen heeft [medeverdachte] vervolgens eind 2008 een offerte ingediend gedateerd op 2 februari 2007. De verdachte heeft vervolgens in zijn functie van directeur een opdrachtbevestiging opgesteld, eveneens gedateerd op 2 februari 2007, de offerte door de verdachte ondertekend en de opdracht aan [medeverdachte] bevestigd met een brief, gedateerd op 21 februari 2007. Uit de verklaring van getuige [naam samenstellend accountant] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting kan worden afgeleid dat het de bedoeling was om eind 2008 al duidelijkheid te hebben over de totale kosten van het project Hoogveld. Daarnaast was het kennelijk de bedoeling de werkzaamheden tegen een substantieel hogere vergoeding af te rekenen. Dat dit mede een vergoeding was voor toekomstige werkzaamheden na 2008, is in tegenspraak met de facturen, zoals deze door [medeverdachte] voor werkzaamheden tot en met 2008 bij de woningstichting zijn ingediend. De factuur is vervolgens in opdracht van de verdachte door de woningstichting uitbetaald.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 141.595,06 welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Voor medeplegen van verduistering is, volgens de Hoge Raad, niet noodzakelijk dat de rechtsbetrekking waarin de personen het goed onder zich hebben, dezelfde is. Voldoende is dat ieder van de handelende personen zich ervan bewust was dat niet alleen bij hem, maar ook bij de ander, geen recht op toe-eigening bestond (HR 28 juni 1949, NJ 1950/343). Hoewel in het algemeen elk van de deelnemers niet eigenhandig alle delictsbestanddelen hoeft te vervullen, is voor medeplegen vereist dat elk van de partners de goederen anders dan door misdrijf onder zich heeft.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Dat de verdachte deze gelden niet feitelijk onder zich heeft gehad, maakt dit niet anders, nu de verdachte als directeur van de woningstichting zeggenschap over deze gelden had en de gelden onder zijn toezicht en mede door zijn toedoen aan [medeverdachte] zijn overgemaakt.
Valsheid in geschrifte
Door de offerte en de opdrachtbevestigingen, zijnde documenten die bestemd waren voor de bedrijfsadministratie van de woningstichting als basis voor de afrekening, te voorzien van een onjuiste datum hebben zowel de verdachte als de medeverdachte die administratie vervalst.
Medeplegen
Het initiatief voor de nieuwe afspraak over het tarief voor [naam onderneming 1] lag bij de verdachte, kennelijk na overleg met [naam samenstellend accountant] . Om aan die afspraak uitvoering te geven hebben echter zowel de verdachte als [medeverdachte] geantedateerde documenten opgesteld, waaronder de documenten D-031, D-033 en D-034. Gelet op deze gang van zaken en gelet op de intentie van de verdachte en van [medeverdachte] , oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van de valsheden, die hebben geleid tot een vervalsing van de bedrijfsadministratie, in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waartoe zij nauw en bewust hebben samengewerkt. Door deze samenwerking acht de rechtbank het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen met een ander :
- -
een offerte voor werkzaamheden heeft gedateerd op 2 februari 2007;
- -
een notitie inhoudende een opdrachtbevestiging heeft gedateerd op februari 2007;
- -
een brief aan [medeverdachte] heeft gedateerd 21 februari 2007;
terwijl al deze documenten in werkelijkheid in november of december 2008 zijn opgesteld en ondertekend, met als oogmerk deze documenten in de bedrijfsadministratie van de woningstichting als echt en onvervalst te gebruiken.
Het tenlastegelegde geldbedrag van € 58.846,02
In de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 november 2010 heeft [medeverdachte] een aantal facturen aan de woningstichting gericht voor een totaalbedrag van € 58.846,02. Hij factureerde aanvankelijk € 70,- per uur, later € 78,- per uur, e.e.a. vermeerderd met B.T.W. Ook deze facturen hebben geen (opvolgend) factuurnummer, er is geen specificatie van de (aard) van de werkzaamheden bijgevoegd en er is geen urenspecificatie bijgevoegd. Deze facturen zijn, behalve de eindafrekening, door de woningstichting uitbetaald.239.
[naam administratief medewerkster] kent deze facturen. Zij heeft deze opgemaakt. Het briefpapier van [naam onderneming 1] lag op kantoor van de woningstichting. Naar zij meende gaf [medeverdachte] een briefje mee aan de verdachte met de uren. De verdachte gaf dit briefje vervolgens aan haar zodat zij de facturen kon opmaken. [medeverdachte] kwam na zijn pensionering niet meer op kantoor. De verdachte nam de facturen mee en liet [medeverdachte] deze ondertekenen. Vervolgens tekende de verdachte de facturen voor akkoord.240.
Welke werkzaamheden zijn door [medeverdachte] in 2009 en 2010 voor de woningstichting verricht?
Na afloop van het jaar waarin [medeverdachte] nog werkzaamheden had verricht voor de projecten Molenbron en Hoogveld, heeft de raad op 1 juli 2008 besloten dat [medeverdachte] vanaf 1 juli 2008 op regiebasis zal worden ingezet.241.
De verklaringen van de leden van de raad over werkzaamheden na 2008
Volgens de verklaring van [naam voorzitter RvT] is project Hoogveld in oktober 2007 opgeleverd. Hij heeft de facturen voor werkzaamheden in de periode 2009 en 2010 nooit gezien. Hij heeft geen weet van nieuwe projecten na Hoogveld, waaraan [medeverdachte] zijn medewerking heeft verleend.242.
[naam lid RvT 2] heeft verklaard dat [medeverdachte] , na zijn pensionering, in eerste instantie voor de duur van één jaar nog betrokken zou blijven bij de woningstichting en dan vooral voor wat betreft de projecten Hoogveld en Molenbron. Na dat jaar is overeengekomen dat [medeverdachte] eventueel bij nieuwe projecten op regiebasis zal worden ingezet, maar volgens [naam lid RvT 2] zijn er na Hoogveld en Molenbron geen nieuwbouwprojecten meer geweest waarvoor de verdachte door de woningstichting is ingeschakeld. [naam lid RvT 2] kan zich nu niet meer precies herinneren wanneer Hoogveld is opgeleverd. [naam lid RvT 2] was niet op de hoogte van de facturen van [medeverdachte] in 2009 en 2010, die door de woningstichting zijn uitbetaald.243.
[naam lid RvT 1] heeft verklaard zich de “tweede” regieafspraak met [medeverdachte] te kunnen herinneren. Dit had betrekking op een stukje begeleiding en advisering door de verdachte. [naam lid RvT 1] weet dat [medeverdachte] wel zijdelings betrokken was bij projecten, maar niet structureel. Dit was volgens [naam lid RvT 1] ook nog wel zo na 2008. [naam lid RvT 1] denkt dat de oplevering van het project Hoogveld in 2008 heeft plaatsgevonden. Het kwam tijdens een vergadering van de raad wel eens ter sprake, dat [medeverdachte] een locatie had bezocht, als er bijvoorbeeld sprake was geweest van een calamiteit. Dit was ook wel uit praktische overwegingen, nu [medeverdachte] in de buurt van deze locaties woonachtig was. [naam lid RvT 1] was niet op de hoogte van de facturen van de verdachte in de jaren 2009 en 2010.244.
Gezien de notulen daarvan, is tijdens de vergadering van de raad van 18 december 2008 de eindafrekening van Hoogveld, inclusief zwembad, besproken.245.
[medeverdachte] heeft tegenover ambtenaren van de Fiod/Belastingdienst in eerste instantie verklaard dat de factuur van november 2008 de laatste was.246.Als hem dan wordt gevraagd naar de facturen in 2009 en 2010 geeft hij aan dat hij zich heeft vergist. Hij weet niet meer op welke projecten of werkzaamheden deze facturen precies betrekking hadden. Hij weet ook niet meer hoeveel uren of wanneer hij heeft gewerkt. Hij kan hij zich van een aantal projecten wel nog iets herinneren.247.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de projecten Molenbron en Hoogveld waren opgeleverd vóór 1 januari 2009 en de raad na 2008 geen nieuwe opdracht tot werkzaamheden aan [medeverdachte] heeft gegeven. Voor project Hoogveld had
[medeverdachte] al eerder gefactureerd, namelijk tot en met december 2008. Uit de facturen van [medeverdachte] is niet af te leiden op welke werkzaamheden deze facturen betrekking hebben en wanneer daarvoor een opdracht is verstrekt. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] na 2008 wel eens een project of complex bezocht, zoals uit de ter zitting overgelegde documenten blijkt, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd, dan dat de in 2009 en 2010 gefactureerde advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding door [medeverdachte] niet in opdracht van de woningstichting hebben plaatsgevonden. In opdracht van de verdachte zijn deze facturen door de woningstichting uitbetaald.
Verduistering
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich opzettelijk een bedrag van € 58.846,02, welk geldbedrag toebehoorde aan de woningstichting en welk geldbedrag de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur onder zich had, door het doen uitbetalen daarvan aan zijn vader zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Medeplegen
[medeverdachte] heeft met medeweten van de verdachte en met zijn instemming ook na 2008 nog valse facturen ingediend, welke door het optreden van de verdachte hun weg naar de bedrijfsadministratie van de woningstichting hebben gevonden. Deze facturen zijn door de woningstichting betaald. Gelet op deze gang van zaken en gelet op de intentie van de verdachte en van [medeverdachte] , oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van de verduistering in dienstbetrekking, ook in dit geval in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waartoe zij nauw en bewust hebben samengewerkt. Door deze samenwerking acht de rechtbank het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen.
Totaal verduisterd met betrekking tot [naam onderneming 1]
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, samn met een ander, voor een totaalbedrag van € 200.441,08 met betrekking tot [naam onderneming 1] heeft verduisterd in dienstbetrekking.
Feit 2
De rechtbank heeft vanwege de onderlinge samenhang het merendeel van feit 2 reeds hierboven besproken. De rechtbank zal nu overgaan tot de bespreking van de twee resterende punten, te weten de verweten valsheid in geschrifte van een factuur van Babette Kessels en de uitgekeerde kilometervergoeding aan [naam administratief medewerkster] .
Een factuur van [naam bedrijf 10]
In de administratie van de woningstichting is een kopiefactuur van [naam bedrijf 10] aangetroffen. Deze factuur ziet onder meer op de koop van bloemen en kerstdecoraties. De originele factuur is aangetroffen in de privéwoning van de verdachte.
De originele factuur verschilt echter van de kopiefactuur, zoals die in de administratie van de woningstichting is aangetroffen. Zo zijn op de kopiefactuur de namen “ [verdachte] ” en “ [naam 15] ” niet meer zichtbaar en ontbreken een aantal omschrijvingen op de factuur.248.
De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting op de originele factuur waargenomen dat de originele tekst nog leesbaar was onder de Typex en heeft ook gezien dat alleen tekst en geen bedragen zijn weggelakt.249.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat op bovengenoemde factuur deels privé en deels zakelijke uitgaven zichtbaar zijn. De verdachte heeft uit privacyoverwegingen een aantal privégegevens onzichtbaar gemaakt.250.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte een geschrift in de administratie heeft opgenomen, met als inhoud dat tekstdelen en namen met Typex zijn weggelakt op de factuur afkomstig van [naam bedrijf 10] , met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verdachte alleen de omschrijvingen heeft weggelakt, maar de daarbij behorende geldbedragen heeft laten staan, met als gevolg dat de gehele factuur voor rekening van de woningstichting is gekomen.
Kilometervergoeding aan [naam administratief medewerkster]
In de administratie van de woningstichting is een notitie aangetroffen met betrekking tot een kilometervergoeding aan [naam administratief medewerkster] voor een bedrag van € 3.000,-. Deze vergoeding zou betrekking hebben op de zakelijke kilometers, bekostigd door [naam administratief medewerkster] in de jaren 2009 tot en met 2011.251.
[naam administratief medewerkster] heeft verklaard dat de verdachte met het idee kwam om de door haar gereden zakelijke kilometers alsnog te vergoeden. Op de vraag waar de berekening van het bedrag op is gebaseerd, heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dit niet te weten. Zij heeft geen declaratie van de door haar gereden kilometers aan de verdachte overgelegd. Zij heeft de vergoeding wel ontvangen. Op de mededeling dat (gelet op de fiscaal toegestane vergoeding van € 0,19 per kilometer) zij dan per jaar 5.263 zakelijke kilometer zou hebben gereden, heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat zij inderdaad veel zakelijke kilometers maakte. Zij heeft vervolgens verder verklaard dat in het bedrag de kilometervergoeding zit, maar zeker niet het hele bedrag. Er zitten meer overuren in het bedrag dan gereden zakelijke kilometers.252.
[naam samenstellend accountant] heeft verklaard dat hij, na het zien van deze kostenpost, direct bij de verdachte navraag heeft gedaan naar dit hoge bedrag, want hij kwam bij zijn berekening niet tot dit bedrag. Een onderbouwing is wel gegeven, maar dekte deze uitkering slechts gedeeltelijk.253.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte wordt onder dit onderdeel van de tenlastelegging verweten dat hij, om de loonheffing te omzeilen, een notitie heeft gemaakt, inhoudende dat het bedrag voor deze afkoop betrekking had op gereden zakelijke kilometers en dat hij deze notitie opzettelijk hiertoe liet opnemen in de administratie van de woningstichting.
De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de verdachte heeft vermeld dat ten behoeve van een kilometervergoeding voor de jaren 2009 en 2010 en 2011 een bedrag is betaald van
€ 3.000,- voor [naam administratief medewerkster] terwijl in werkelijkheid deze betaling niet (geheel) op reiskosten betrekking had, met als oogmerk deze factuur in de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:
Feit 1a
op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2012 te Limbricht opzettelijk bedragen tot
EURO 39.484,37 (toelichting griffier: inzake surplus salaris) en
EURO 78.608,07 (toelichting griffier: inzake [naam bv 1] ) en
EURO 53.048,29 (toelichting griffier: inzake kasopnames/privéuitgaven)
die toebehoorden aan [naam woningstichting 1] (voorheen [naam woningstichting 2] ),
welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als statutair directeur vanaf 1 juni 2007 van [naam woningstichting 1] (voorheen [naam woningstichting 2] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Feit 1b
op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2008 tot en met 6 april 2010 te Limbricht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een bedrag van EURO 200.441,08 (toelichting griffier: inzake [naam onderneming 1] )
dat toebehoorde aan [naam woningstichting 1] (voorheen [naam woningstichting 2] ), welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als statutair directeur vanaf 1 juni 2007 van [naam woningstichting 1] (voorheen [naam woningstichting 2] ) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Feit 2a
in de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2012 te Limbricht of Maastricht, althans in Nederland, de bedrijfsadministratie van [naam woningstichting 2] of [naam woningstichting 1] - zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feite te dienen- heeft vervalst, immers heeft hij opzettelijk in die bedrijfsadministratie valse of vervalste geschriften, althans brieven of notities of declaraties of facturen of nota’s of kwitanties en offertes opgenomen of verwerkt of doen opnemen of doen verwerken, bestaande die valsheden of vervalsingen hierin, dat in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven- op de navolgende documenten met betrekking tot [naam bv 1] (zijnde een rechtspersoon die is opgericht de dato 29 juli 2009 en privé-eigendom is van
verdachte), te weten:
-Is vermeld dat [naam 3] afstand doet van zijn rechten en plichten in [naam bv 1] tegen een betaling van EURO 2.500,-, welke voor akkoord is ondertekend door
[verdachte] de dato 1 juli 2008, terwijl in werkelijkheid [naam 3] betreffende brief niet heeft opgesteld en hij op voornoemde datum géén afstand heeft gedaan van rechten en plichten in [naam bv 1] (brief D-208) en
-Is vermeld dat er op 1 juli 2008 een afkoop van 50% in het aandeelbelang van [naam bv 1] of [naam bv 1] voor een bedrag van EURO 2.500,- ten name van [naam 3] zou hebben plaatsgevonden, terwijl in werkelijkheid op die datum geen afkoop van aandelen heeft plaatsgevonden van [naam bv 1] of [naam bv 1] (declaratie D-209) en
-Dat telkens in de briefhoofd " [naam bv 1] " met Typex is weggelakt en " [naam woningstichting 2] " is bijgeschreven op facturen (D-197A en D-198A en D-199A) afkomstig van [naam bedrijf 2] , zijnde een reclamebureau voor vormgeving, communicatie en marketingadvies en gericht aan [verdachte] , ten behoeve van conceptuitwerking van het ontwerp logo en huisstijl of
visitekaartjes of briefpapier of enveloppes of ontwerp website van [naam bv 1] of [naam bv 1] en
-Dat in het briefhoofd " [verdachte] " is vermeld terwijl daar in werkelijkheid [naam 3] diende te zijn vermeld op een factuur (D-201A) afkomstig van [naam bedrijf 3] (zijnde een bureau voor webdesign en software ontwikkeling) ten behoeve van "webdesign en ontwikkeling conform opdracht" en
op de navolgende documenten met betrekking tot privé-opnames, te weten:
-Dat tekstdelen en namen, zoals " [verdachte] " en " [naam 15] " en "Bloemen" en "Salon en hal" en "Rode pot" met Typex is weggelakt op de factuur afkomstig van [naam bedrijf 10] (D-346) en
-Dat er door [naam 7] (architect) kosten zijn gemaakt voor "Schetsontwerpen/Tekeningen inrichting schootsvelden: Complex Agnetenberg Klooster te Sittard", terwijl er in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt voor voornoemde locatie (ongedateerde factuur D-097A) en
-Dat er advieswerkzaamheden van [naam 8] inzake subsidieaanvragen voor 3 projecten zijn verricht, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht en kosten niet zijn gemaakt (nota of kwitantie (D-102A) en
-Dat er "kosten aankoop woning [adres 2] te Limbricht afkomstig" van [naam bedrijf 4] Dhr. [naam directeur bedrijf 4] zijn gemaakt, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht en kosten niet zijn gemaakt (D-305A) en
-Dat er kosten zijn gemaakt voor "aanpassing website" door [naam bedrijf 5] van [naam 9] , terwijl in werkelijkheid voornoemde kosten niet zijn gemaakt en werkzaamheden niet zijn verricht (D-123A) en
-Dat er kosten zijn gemaakt door [naam 9] in het kader van "voorschot klappers huurders", terwijl in werkelijkheid deze kosten niet gemaakt (D-124A) en
-Dat is vermeld dat [naam 5] Management de RvT ondersteuning heeft verleend bij de exploitatie opzet Silverstaete Welness/complex Hoogveld te Sittard, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht en kosten niet zijn gemaakt (D-246 1/2) en
-Dat er kosten zijn gemaakt voor overleg met de heer [naam advocaat] van [naam advocaat] Advocaten inzake "Hoogveld", terwijl in werkelijkheid hier geen kosten voor zijn gemaakt (D-291 1/5) en
-Dat is vermeld "1e aanbetaling EURO 5000,-", 2e aanbetaling 5000,-" en "contant", terwijl er in werkelijkheid geen aanbetalingen zijn geweest aan [naam bv 4] (D-56) en
-Dat een overzicht is gemaakt van 4 verschillende pinacties voor een totaalbedrag van EURO 2.445,- op een factuur (D-309) volgens afdruk afkomst van [naam bedrijf 4] met als onderwerp "werkzaamheden project klooster Agnetenberg te Sittard", terwijl voornoemde werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht en voornoemde kosten niet zijn gemaakt en
-Dat is vermeld dat ten behoeve van "groenonderhoud Park Plakstraat te Sittard" er een donatie aan de Liefdezusters van het kostbaar bloed heeft plaatsgehad voor een bedrag van EURO 5.000,-, terwijl in werkelijkheid deze werkzaamheden niet zijn verricht en er hiervoor geen kosten zijn gemaakt (D-110A) en
-Dat is vermeld dat er ten behoeve van "Jubileum 2010" kosten zijn gemaakt van EURO 5.173,47, terwijl in werkelijkheid geen jubileum 2010 heeft plaatsgevonden en geen kosten zijn gemaakt voor het jubileum in 2010 (D-240 ½) en
-Dat is vermeld dat ten behoeve van een kilometervergoeding voor de jaren 2009 en 2010 en 2011 er een bedrag is betaald van EURO 3.000,- voor [naam administratief medewerkster] , terwijl er in werkelijkheid geen kilometervergoeding heeft plaatsgevonden en voornoemde kosten niet zijn gemaakt door [naam administratief medewerkster] (D-287)
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften en die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Feit 2b.
in de periode van 1 november 2008 tot en met 31 december 2008 te Limbricht of Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, de bedrijfsadministratie van [naam woningstichting 1] - zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feite te dienen- heeft vervalst, immers heeft hij en zijn mededader opzettelijk in die bedrijfsadministratie valse of vervalste geschriften, althans brieven of notities of declaraties of facturen of nota’s of kwitanties en offertes, opgenomen of verwerkt of doen opnemen of doen verwerken, bestaande die valsheden of vervalsingen hierin, dat in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven-
Op de navolgende documenten met betrekking tot ' [naam onderneming 1] ' (zijnde een eenmanszaak opgericht op 1 juni 2007 en in eigendom van [medeverdachte] ) , te weten:
-dat de dato 2 februari 2007 een tarief van 3,5% van de aanneemsom is overeengekomen, terwijl in werkelijkheid betreffende offerte in november of december 2008 is ondertekend (D-31) en
- dat de dato februari 2007 in een notitie of opdrachtbevestiging is vermeld "opdracht verstrekken aan Dhr. [medeverdachte] inzake werkzaamheden Hoogveld te Sittard" tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom en welke voor akkoord is ondertekend door
[verdachte] , terwijl in werkelijkheid deze notitie of opdrachtbevestiging in november of december 2008 is ondertekend (D-033) en
-dat de dato 21 februari 2007 in een brief afkomstig van [naam woningstichting 2] en gericht aan [naam onderneming 1] is vermeld dat uitvoering mag worden gegeven aan Project Hoogveld Sittard tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom, welke is ondertekend door [verdachte] , terwijl in werkelijkheid voornoemde brief in november of december 2008 is ondertekend (D-034)
zulks met het oogmerk om die geschriften en die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1a
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd
Feit 1b
medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd
Feit 2a
valsheid in geschrifte
Feit 2b
medeplegen van valsheid in geschrifte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De straf
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de oplegging van een eventuele voorwaardelijke straf bovenop een onvoorwaardelijk gedeelte gelijk aan het voorarrest bepleit. Deze straf kan eventueel worden gecombineerd met de oplegging van een taakstraf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrifte. Zo heeft de verdachte privéuitgaven door de woningstichting laten betalen en om dit te verdoezelen heeft hij valse nota’s uitgeschreven en deze in de boekhouding laten opnemen. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een man met een grote zucht naar geld en de wens tot het ophouden en uitstralen van een beeld van een zakelijk en financieel geslaagd directeur. De materiële eisen van de verdachte gingen blijkbaar ver uit boven zijn financiële mogelijkheden en kennelijk zag hij geen reden om die eisen in overeenstemming met zijn reguliere inkomen en vermogen te brengen.
De verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen, dat de raad van de stichting in hem stelde, geschaad door het betalen van privéuitgaven door de woningstichting en heeft daarmee misbruik gemaakt van zijn positie als directeur van de woningstichting. Ook heeft de verdachte door zijn handelen grote schade toegebracht aan de woningstichting. De woningstichting had de door de verdachte ontvreemde bedragen bijvoorbeeld aan de verbetering van de voorzieningen van haar huurders kunnen besteden. De verdachte wist dit en toch heeft dit gegeven hem er niet van weerhouden om aan te vangen met, en te volharden in zijn maatschappelijk gezien sterk af te keuren handelen.
De oriëntatiepunten
De rechtbank heeft zich in eerste instantie voor de straftoemeting georiënteerd op de voor soortgelijke strafbare feiten gebruikelijke straffen. Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting, gepubliceerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), is voor een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- tot € 500.000,-,- de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden passend. In combinatie met de valsheid in geschrifte acht de rechtbank een gevangenisstaf in deze categorie in beginsel passend.
Strafverzwarende omstandigheden
De handelwijze van de verdachte is temeer laakbaar nu hij fungeerde als directeur van een woningstichting, die zich richt op de sociale woningbouw en de volkshuisvesting voor de minst bedeelden in de samenleving. Hij vervulde aldus een maatschappelijke voorbeeldfunctie en zijn gedrag in die hoedanigheid had daarom bij uitstek onberispelijk moeten zijn. Hij heeft door zijn vergaand grensoverschrijdend gedrag niet alleen het vertrouwen van de woningstichting geschaad, maar ook het vertrouwen van de maatschappij in de integriteit van bestuurders van woningstichtingen.
Bij dit alles wordt in verzwarende zin meegewogen dat verdachte jarenlang gelden heeft verduisterd en valsheid in geschrifte heeft gepleegd en daarbij slechts een gering inzicht in het laakbare van zijn handelen heeft getoond. De schaamteloze wijze waarop hij gedurende een aantal jaren heeft gehandeld, rekent de rechtbank hem zwaar aan.
Strafverminderende omstandigheden
De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf mee dat deze strafzaak een zware wissel op het (financiële) leven van de verdachte heeft getrokken.
De overschrijding van de redelijke termijn
Zoals de rechtbank al onder de voorvragen heeft overwogen is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overschreden. Wat in een zaak een redelijke termijn is, is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM van kracht is geworden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).
Op 7 april 2015 is de verdachte voor de eerste keer verhoord en vanaf dat moment heeft de op de redelijkheid daarvan te beoordelen termijn een aanvang genomen. Het onderzoek door de Belastingdienst/FIOD is in 2015 afgerond. Het strafrechtelijk financieel onderzoek is in 2016 afgerond. Vervolgens zijn door de verdediging onderzoekswensen kenbaar gemaakt, zijn op verzoek van de verdediging getuigen gehoord door de rechter-commissaris en hebben meerdere (regie)zittingen plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn op dit moment met ongeveer drie jaar is overschreden, zodat strafvermindering op zijn plaats is.
Ten aanzien van de media-aandacht waar door de verdediging op is gewezen, acht de rechtbank aannemelijk dat alle media-aandacht rondom de persoon van de verdachte en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven. Tegelijkertijd ziet de rechtbank de media-aandacht voor deze zaak evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen, dat zich bij uitstek in zaken als deze met een zekere impact op het maatschappelijk leven voordoet. Als de directeur van een woningstichting op een wijze handelt, zoals de verdachte dat heeft gedaan, dan is de kans groot dat indien dat uitkomt, aandacht van de openbare media niet gering zal zijn. Het komt de rechtbank dan ook voor dat de verdachte dit gevolg van zijn handelen had kunnen voorzien. De rechtbank zal derhalve de media-aandacht voor de zaak tegen verdachte niet in strafmatigende zin meewegen.
Welke straf is passend?
De rechtbank zal ondanks de strafverzwarende omstandigheden een lagere straf opleggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. Zij zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Met de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank enerzijds de ernst van de strafbare feiten benadrukken, anderzijds wil de rechtbank de verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Beroepsverbod
Gelet op wat hiervoor met betrekking tot de feiten is overwogen, acht de rechtbank het aangewezen om verdachte, die in de uitoefening van zijn beroep delicten heeft gepleegd en het daarbij noodzakelijke vertrouwen ernstig heeft beschaamd, voor langere tijd te weren als directeur of bestuurder van een instelling voor volkshuisvesting. De rechtbank vreest dat verdachte opnieuw zijn eigen financiële gewin zal laten prevaleren boven het belang van de woningzoekenden. De rechtbank acht daarom een beroepsverbod passend. De rechtbank zal de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaar ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van directeur of bestuurder van een instelling voor volkshuisvesting.
8. De wettelijke voorschriften
9. De beslissing
De rechtbank:
Ontvankelijkheid
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
- -
verklaart het onder 1a., onder 1b., 2a. en het onder 2b. aan hem tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 4.4 is omschreven;
- -
spreekt de verdachte vrij van wat onder 1a., onder 1b., onder 2a. of onder 2. meer of anders aan hem is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- -
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 5 zijn omschreven;
- -
verklaart de verdachte daardoor strafbaar;
Straf
- -
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;
- -
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- -
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Bijkomende straf
- ontzet de verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van directeur of bestuurder van een instelling voor volkshuisvesting voor de duur van vijf jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2020.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat
1.
Hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
2005 tot en met 31 augustus 2012 te Limbricht (gemeente Sittard-Geleen),
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een bedrag van
(ongeveer) EURO 48.943,48 (D-436) en/of EURO 81.108,07 (D-436) en/of EURO
62.971,76 (D-441) en/of EURO 200.441,08 (AMB-028), in elk geval een
geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [naam woningstichting 1]
(voorheen [naam woningstichting 2] ), in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn
persoonlijke dienstbetrekking van/als Junior Adviseur Bouw- en Woningzaken
vanaf (ongeveer) 1 januari 2005 en/of Assistent Directeur vanaf (ongeveer) 1
januari 2006 en/of statutair directeur vanaf (ongeveer) 1 juni 2007 van
[naam woningstichting 1] (voorheen [naam woningstichting 2] ) , in elk geval
anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft
toegeëigend.
2.
Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2007
tot en met 31 augustus 2012 te Limbricht en/of Maastricht, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een deel van) de bedrijfsadministratie
van [naam woningstichting 2] en/of [naam woningstichting 1] - zijnde (dat deel van) die bedrijfsadministratie
(telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om
tot bewijs van enig feite te dienen- (telkens) valselijk heeft opgemaakt
en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door
(een) ander(en),
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s),
toen aldaar (telkens) opzettelijk in (dat deel van) die
bedrijfsadministratie, een of meerdere valse en/of vervalste geschrift(en),
te weten 22, althans een of meer (afschrift(en) van) brief/brieven en/of
notitie(s) en/of declaratie(s) en/of factu(u)r(en) en/of nota(s) en/of
kwitantie(s) en/of offerte(s) en/of een arbeidsovereenkomst, opgenomen en/of
verwerkt en/of doen opnemen en/of doen verwerken, bestaande die
valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin, dat in strijd met de
waarheid, -zakelijk weergegeven-
Op het/de navolgende document(en) met betrekking tot [naam bv 1] (zijnde een
rechtspersoon die is opgericht de dato 29 juli 2009 en privé-eigendom is van
verdachte), te weten:
-Is vermeld dat [naam 3] afstand doet van zijn rechten en
plichten in [naam bv 1] tegen een betaling van EURO 2.500,-, welke voor akkoord
is ondertekend door [verdachte] de dato 1 juli 2008, terwijl in
werkelijkheid [naam 3] betreffende brief niet heeft opgesteld
en/of hij op voornoemde datum géén afstand heeft gedaan van rechten en
plichten in [naam bv 1] (brief (D-208) en/of
-Is vermeld dat er op 1 juli 2008 een afkoop van 50% in het aandeelbelang
van [naam bv 1] en/of [naam bv 1] voor een bedrag van EURO 2.500,- ten
name van [naam 3] zou hebben plaatsgevonden, terwijl in
werkelijkheid op die datum geen afkoop van aandelen heeft plaatsgevonden van
[naam bv 1] en/of [naam bv 1] (declaratie (D-209)) en/of
-Dat (telkens) in de briefhoofd " [naam bv 1] " met typex is weggelakt en
" [naam woningstichting 2] " is bijgeschreven op een of meer factu(u)r(en) (D-197A en/of D-198A
en/of D-199A) afkomstig van [naam bedrijf 2] (zijnde een (reclame)bureau voor
vormgeving, communicatie en marketingadvies) en gericht aan [verdachte] ,
ten behoeve van conceptuitwerking van het ontwerp logo en huisstijl en/of
visitekaartjes en/of briefpapier en/of enveloppes en/of ontwerp website van
[naam bv 1] en/of [naam bv 1] en/of
-Dat in de briefhoofd " [verdachte] " is vermeld terwijl daar in
werkelijkheid [naam 3] diende te zijn vermeld op een factuur
(D-201A) afkomstig van [naam bedrijf 3] (zijnde een bureau voor webdesign en
software ontwikkeling) ten behoeve van "webdesign en ontwikkeling conform
opdracht" en/of
Op het/de navolgende document(en) met betrekking tot privé-opnames, te weten:
-Dat tekst(delen) en/of na(a)m(en), zoals " [verdachte] " en/of " [naam 15] " en/of
"Bloemen" en/of "Salon en hal" en/of "Rode pot" met typex is weggelakt op de
factuur afkomstig van [naam bedrijf 10] (D-346)
en/of
-Dat er door [naam 7] (architect) kosten zijn gemaakt voor
"Schetsontwerpen / Tekeningen inrichting schootsvelden: Complex Agnetenberg
Klooster te Sittard" terwijl er in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn
verricht en/of kosten zijn gemaakt voor voornoemde locatie ((ongedateerde)
factuur (D-097A)) en/of
-Dat er advieswerkzaamheden van [naam 8] inzake subsidieaanvragen voor 3
projecten zijn verricht, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden
niet zijn verricht en/of kosten niet zijn gemaakt (nota of kwitantie
(D-102A)) en/of
-Dat er "kosten aankoop woning [adres 2] te Limbricht afkomstig" van [naam bedrijf 4]
Dhr. [naam directeur bedrijf 4] zijn gemaakt, terwijl in werkelijkheid voornoemde
werkzaamheden niet zijn verricht en/of kosten niet zijn gemaakt (D-305A) en/of
-Dat er kosten zijn gemaakt voor "aanpassing website" door [naam bedrijf 5] van
[naam 9] , terwijl in werkelijkheid voornoemde kosten niet zijn gemaakt
en/of werkzaamheden niet zijn verricht (D-123A) en/of
en/of
-Dat er kosten zijn gemaakt door [naam 9] in het kader van "voorschot
klappers huurders", terwijl in werkelijkheid deze kosten niet gemaakt (D-124A)
-Dat er kosten zijn gemaakt voor "optreden van [naam 10] in verband met
afscheid dhr. [naam toenmalig voorzitter RvT] voorzitter RvT", terwijl dit optreden niet is verzorgd en
of voornoemde werkzaamheden en/of kosten niet zijn verricht (D-290) en/of
-Dat is vermeld dat [naam 5] Management de RvT ondersteuning heeft
verleend bij de exploitatie opzet Silverstaete Welness/complex Hoogveld te
Sittard, terwijl in werkelijkheid voornoemde werkzaamheden niet zijn verricht
en/of kosten niet zijn gemaakt (D-246 1/2) en/of
-Dat er kosten zijn gemaakt voor overleg met de heer [naam advocaat] van [naam advocaat]
Advocaten inzake "Hoogveld", terwijl in werkelijkheid hier geen kosten voor
zijn gemaakt en/of (D-291 1/5) en/of
-Dat is vermeld "1e aanbetaling EURO 5000,-", 2e aanbetaling 5000,-" en
"contant", terwijl in werkelijkheid geen aanbetaling(en) zijn geweest aan [naam bv 4]
(D-56) en/of
-Dat een overzicht is gemaakt van 4 verschillende pinacties voor een
totaalbedrag van EURO 2.445,- op een factuur (D-309) volgens afdruk afkomst
van [naam bedrijf 4] met als onderwerp "werkzaamheden project klooster
Agnetenberg te Sittard" , terwijl voornoemde werkzaamheden in werkelijkheid
niet zijn verricht en/of voornoemde kosten niet zijn gemaakt en/of
-Dat is vermeld dat ten behoeve van "Sponsering Goede Doel 2011, Ronde tafel
164, naamsbekendheid nieuwe naam [naam woningstichting 1] " kosten zijn gemaakt, te weten
EURO 1.250,-, welke voor akkoord is ondertekend door [verdachte] , terwijl
in werkelijkheid deze sponsoring niet heeft plaatsgevonden en/of voornoemde
kosten niet zijn gemaakt Een notitie (D-092A) waarin en/of
-Dat is vermeld dat ten behoeve van "groenonderhoud Park Plakstraat te
Sittard" er een donatie aan de Liefdezusters van het kostbaar bloed heeft
plaatsgehad voor een bedrag van EURO 5000,-, terwijl in werkelijkheid deze
werkzaamheden niet zijn verricht en/of er hiervoor geen kosten zijn gemaakt
(D-110A) en/of
-Dat is vermeld dat er ten behoeve van "Jubileum 2010" kosten zijn gemaakt
van EURO 5.173,47, terwijl in werkelijkheid geen jubileum 2010 heeft
plaatsgevonden en/of geen kosten zijn gemaakt voor jubileum 2010 (D-240 ½)
waarin en/of
-Dat is vermeld dat ten behoeve van een kilometervergoeding voor de jaren 2009
en 2010 en 2011 er een bedrag is betaald van EURO 3000,- voor [naam administratief medewerkster] ,
terwijl er in werkelijkheid geen kilometervergoeding heeft plaatsgevonden
en/of voornoemde kosten niet zijn gemaakt door [naam administratief medewerkster] (D-287) en/of
Op het/de navolgende document(en) met betrekking tot ' [naam onderneming 1]
' (zijnde een eenmanszaak opgericht op 1 juni 2007 en in
eigendom van [medeverdachte] ) , te weten:
-dat de dato 2 februari 2007 een tarief van 3,5% van de aanneemsom is
overeengekomen, terwijl in werkelijkheid betreffende offerte in november en/of
december 2008, in elk geval niet op 2 februari 2007 is ondertekend (D-31)
en/of
- dat de dato februari 2007 in een notitie en/of opdrachtbevestiging is
vermeld "opdracht verstrekken aan Dhr. [medeverdachte] inzake werkzaamheden
Hoogveld te Sittard" tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom en welke voor
akkoord is ondertekend door [verdachte] , terwijl in werkelijkheid deze
notitie en/of opdrachtbevestiging in november en/of december 2008, in elk
geval niet in februari 2007 is ondertekend (D-033) en/of
-dat de dato 21 februari 2007 in een brief afkomstig van [naam woningstichting 2]
en gericht aan [naam onderneming 1] is vermeld dat
uitvoering mag worden gegeven aan Project Hoogveld Sittard tegen een tarief
van 3,5% van de aanneemsom, welke is ondertekend door [verdachte] ,
terwijl in werkelijkheid voornoemde brief in november en/of december 2008, in
elk geval niet op 21 februari 2007 is ondertekend (D-034)
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) en/of
(dat deel van) die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken
of door anderen te doen gebruiken.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑02‑2020
Vindplaats: ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina’s 11 tot en met 14.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.
Proces-verbaal van verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 30 juli 2014, pagina 689.
Proces-verbaal verhoor van getuige [naam samenstellend accountant] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2018.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 53.
Schriftelijk bescheid, pagina 1992.
Vindplaats: NJ 1998:695.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, proces-verbaalnummer 52294, gesloten d.d. 30 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3680.
Het verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 25 januari 2005, pagina 2405.
Arbeidsovereenkomst d.d. 1 januari 2005, pagina’s 2401 en 2402.
Mutatieoverzicht d.d. 11 januari 2006, pagina 3546.
Statutenwijziging d.d. 9 februari 2004, pagina’s 3550 tot en met 3561a.
Rolbeschrijving Raad van Toezicht, pagina’s 3332 tot en met 3337.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Voorstel salarissen d.d. 1 januari 2007, pagina 2412.
Schriftelijk bescheid, pagina 3375.
Schriftelijk bescheid, zijnde functieprofiel directeur bestuurder, pagina 2424.
Schriftelijk bescheid, pagina 3549.
Schriftelijk bescheid, pagina 3375.
Schriftelijk bescheid, pagina 3538.
Schriftelijk bescheid, pagina 3375.
Schriftelijk bescheid, pagina 3375.
Schriftelijk bescheid, pagina 3375.
Mutatieoverzicht d.d. 11 januari 2006, pagina 3546.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam salarisadministrateur] d.d. 28 januari 2015, pagina 626.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 26 augustus 2014, pagina 712.
Proces-verbaal verhoor van getuige [naam samenstellend accountant] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2018.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 3452.
Schriftelijk bescheid, pagina 3452.
Arbeidsovereenkomst d.d. 23 oktober 2007, pagina’s 2419 tot en met 2433.
Schriftelijk bescheid d.d. 30 juli 2015, pagina 46.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 16] d.d. 12 november 2014, pagina’s 652 tot en met 654.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 26 augustus 2014, pagina’s 710 en 711.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2425.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 18 december 2008, pagina’s 3376 tot en met 3377.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 46.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 46.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 16] d.d. 12 november 2014, pagina’s 652 tot en met 654.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 26 augustus 2014, pagina’s 710 en 711.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 633.
Schriftelijk bescheid, pagina 2813.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 635.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 635.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 639.
Proces-verbaal van onderzoek in bescheiden en gegevens van [naam woningstichting 1] inzake [naam bv 1] d.d. 26 januari 2014, pagina 1002.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 5] d.d. 28 oktober 2014, pagina 428..
Schriftelijk bescheid, pagina 3546.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2413 tot en met 2417.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 8 juni 2010, pagina 2247.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 7 september 2010, pagina’s 3424 tot en met 3425.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 15 maart 2011, door de raadsman overgelegd.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 12 april 2011, door de raadsman overgelegd.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 56.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 30 juli 2014, pagina 693.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2787 en 2788.
Schriftelijk bescheid, pagina 3542.
Proces-verbaal van bevindingen [naam bv 1] d.d. 27 juli 2015, pagina 1074.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2816 tot en met 2821.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 31 juli 2014, pagina 699.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2092 tot en met 2100 en schriftelijk bescheid, pagina 3542.
Schriftelijke bescheiden, pagina 2823.
Schriftelijk bescheid, pagina 2822.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 637.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2092 tot en met 2100.
Schriftelijk bescheid, pagina 3542.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2851 en 2852.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 638.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2851 en 2852.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 juli 2014, pagina 638.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 3651.
Schriftelijk bescheid, pagina 3094.
Schriftelijk bescheid, pagina 3094.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 2] d.d. 15 december 2014, pagina 523, proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 3] d.d. 8 december 2014, pagina 587, proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 1] d.d. 9 december 2014, pagina 461 en proces-verbaal verhoor getuige[naam voorzitter RvT] d.d. 11 februari 2015, pagina 406.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2137 tot en met 2140.
Schriftelijk bescheid, pagina 3542.
Proces-verbaal van bevindingen [naam bv 1] d.d. 27 juli 2015, pagina 1085.
Schriftelijk bescheid, pagina 3620.
Schriftelijk bescheid, pagina 2132.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 16 september 2014, pagina 740.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2951 en 2952.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 64.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2152.
Schriftelijk bescheid, pagina 2153.
Proces-verbaal van getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 729.
Schriftelijk bescheid, pagina 2149.
Proces-verbaal van getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 728.
Proces-verbaal van getuige P.W.H.M. Geelen d.d. 19 september 2014, pagina 774.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2159.
Schriftelijk bescheid, pagina 2158.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 730.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 8] d.d. 15 september 2014, pagina 787.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 3179.
Schriftelijk bescheid, pagina 3182.
Schriftelijk bescheid, pagina 3178.
Schriftelijk bescheid, pagina 3180.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 756.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1607.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam directeur bedrijf 4] d.d. 6 oktober 2014, pagina 803.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1603.
Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1606.
Schriftelijk bescheid, pagina 2191.
Schriftelijk bescheid, pagina 2190.
Schriftelijk bescheid, pagina 2189.
Schriftelijk bescheid, pagina 2187.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 9] d.d. 15 september 2014, pagina’s 824 tot en met 826.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 731.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 71.
Schriftelijk bescheid, pagina 3152.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 10] d.d. 16 september 2014, pagina 864.
Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 10] d.d. 4 juli 2018 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2943 en 2944.
Schriftelijk bescheid, pagina 3204.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 734.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 5] d.d. 28 oktober 2014, pagina 436.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 3218.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 3154 tot en met 3157.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 10 september 2014, pagina 734.
Proces-verbaal verhoor getuige P.J.M. [naam advocaat] d.d. 9 september 2014, pagina 868.
Proces-verbaal verhoor getuige P.J.M. [naam advocaat] d.d. 9 september 2014, pagina 870.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2066 en 2067.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2061 tot en met 2063.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 30 juli 2014, pagina 689.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 17] d.d. 15 september 2014, pagina’s 765 tot en met 768.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 18] d.d. 25 september 2014, pagina 891.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3183 tot en met 3190.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 757.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam directeur bedrijf 4] d.d. 6 oktober 2014, pagina 805.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2145.
Schriftelijk bescheid, pagina 2144.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2142 tot en met 2143.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2142 tot en met 2143 en proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 75.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 11] d.d. 9 september 2014, pagina’s 770 en 771.
Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april 2015, pagina 208.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Verslag van de vergadering van de Raad van Toezicht van [naam woningstichting 2] d.d. 21 april 2011, overgelegd door de raadsman.
Schriftelijk bescheid, pagina 2166.
Schriftelijk bescheid, pagina 2169.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam zuster] d.d. 15 september 2014, pagina’s 790 en 791.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2173.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2171 en 2172.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam zuster] d.d. 15 september 2014, pagina’s 790 en 791.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam hovenier] d.d. 16 september 2014, pagina’s 797 en 798.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2896.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 717.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3194 tot en met 3197.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2910.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 12] d.d. 12 november 2014, pagina’s 860 tot en met 862.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 722.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2911 tot en met 2930.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 6 juli 2010, pagina’s 3426 tot en met 3428.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2899 en schriftelijk bescheid, pagina 3541.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 717.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2902.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 717.
Schriftelijk bescheid, pagina 3158.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 19] d.d. 16 september 2014, pagina 874.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3092 en 3093.
Schriftelijk bescheid, pagina 3540.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2905 en 2906 en proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 723.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 723.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina 723.
Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2900.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2935 tot en met 2937.
Schriftelijke bescheiden, pagina 2938.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2939 en 2940.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2941 en 2942.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3089 en 3090.
Proces-verbaal van verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 27 augustus 2014, pagina’s 719 tot en met 721.
Schriftelijk bescheid, pagina 2951 en 2952.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3098 tot en met 3100, pagina 3102 en pagina’s 3167 tot en met 3175.
Notulen vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 14 november 2007, overgelegd door de raadsman.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2860.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 26 augustus 2014, pagina’s 712 en 713.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam 19] d.d. 16 september 2014, pagina 878.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 6 maart 2007, pagina’s 1976 tot en met 1979.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 3 april 2007, pagina’s 1980 tot en met 1983 en Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 mei 2007, pagina’s 1984 tot en met 1988.
Schriftelijk bescheid, pagina 1992.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 1998 tot en met 2009.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2006 en 2007 en de schriftelijke bescheiden, pagina’s 2010 tot en met 2012.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 juli 2008, pagina’s 1989.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 1990 en 1991.
Schriftelijk bescheid, pagina’s 2014 en 2015.
Schriftelijk bescheid, pagina 2016.
Schriftelijk bescheid, pagina 1994.
Schriftelijk bescheid, pagina 1995.
Schriftelijk bescheid, pagina 1997.
Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 7 april 2015, pagina’s 928 en 929 en proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 april 2015, pagina 931.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 maart 2015, pagina 749.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 759.
Proces-verbaal verhoor van getuige [naam samenstellend accountant] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2018.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2018 tot en met 2034.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 757.
Verslag Vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 juli 2008, pagina 1989.
Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 18 december 2008, pagina’s 3376 tot en met 3377.
Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 9 april 2015, pagina 940.
Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 9 april 2015, pagina 940 tot en met 943.
Schriftelijke bescheiden, pagina’s 3277 en 3278.
De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.
Schriftelijk bescheid, pagina 2131.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 26 augustus 2014, pagina 709.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam samenstellend accountant] d.d. 9 februari 2015, pagina 902.