Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/83
83 Absolute bevoegdheid tijdens een aanhangig geding
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458246:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Zie over aanhangigheid par. 5.3.
Zie hierover bijvoorbeeld Hof Amsterdam 11 augustus 1988, ECLI:NL:GHAMS:1988:AC2087, NJ 1989, 192.
Hof ’s-Hertogenbosch 9 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2194.
PG Herziening Rv 2002, p. 353; Beenders 2014 (T&C Rv), art. 155 Rv, aant. 3. Zie over de van toepassing verklaring van art. 155 Rv op het voorlopig getuigenverhoor via de schakelbepaling art. 189 Rv: Asser Procesrecht/Asser 3 2013/79. Asser meent dat de toepassing van art. 155 Rv op het voorlopig getuigenverhoor niet voor de hand ligt, met name omdat het een zelfstandige procedure betreft.
Uiteraard is een praktischer oplossing dat de verzoeker zijn verzoekschrift intrekt. Overigens doet het gerecht er verstandig aan de mondelinge behandeling van het verzoek op te schorten zolang het rechtsmiddel niet is ingesteld om onnodig werk te voorkomen. Doorgaans zal dit geen vertraging van de voorlopig getuigenverhoorprocedure opleveren; de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel bedraagt in beginsel niet langer dan drie maanden na de uitspraak, terwijl tussen het indienen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en de mondelinge behandeling daarvan helaas meer tijd verstrijkt.
Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ7312; Rb. Rotterdam 18 mei 1988, ECLI:NL:RBROT:1988:AD0315, NJ 1989, 330; Ktg. Amsterdam 29 september 1982, ECLI:NL: KTGAMS:1982:AI7099, Prg. 1983, 1895. Als de appelrechter de zaak aan zich houdt (evocatie), bijvoorbeeld op grond van art. 356 Rv, dan dient het verzoek wel bij de appelrechter te worden ingediend.
Als een geding reeds aanhangig1 is, is alleen de rechter voor wie het geding aanhangig is bevoegd (art. 187 lid 2 Rv, maar dit blijkt reeds uit de redactie van art. 186 lid 2 Rv).2 Deze regel geldt zowel voor de absolute als de relatieve bevoegdheid.
Na een uitspraak en voor het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak dient een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor naar mijn mening te worden ingediend bij de rechter die bevoegd zal zijn het rechtsmiddel te behandelen. Ten eerste om proceseconomische redenen. Het hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in een dergelijk geval dat de verweerder geen belang had bij zijn verweer dat het verzoek was ingediend vóórdat de hoofdzaak bij het hof aanhangig was gemaakt en dat daarom de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek was: “Wanneer het hof zich onbevoegd verklaart en de zaak naar de rechtbank verwijst, kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat de zaak thans wel bij het hof aanhangig is, zodat het verzoek wegens verknochtheid naar het hof verwezen zal moeten worden.”3 Ten tweede vanwege het uitgangspunt dat ook de voorlopige bewijslevering zoveel mogelijk moet gebeuren ten overstaan van de rechter die in de hoofdzaak moet beslissen (art. 155 Rv).4 Als de verzoeker vervolgens toch nalaat het rechtsmiddel tegen de uitspraak in te stellen, waardoor de uitspraak kracht van gewijsde krijgt, dient zijn verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende belang te worden afgewezen.5
Na het wijzen van een tussenvonnis en het instellen van appel tegen dat tussenvonnis is de rechtbank die het tussenvonnis heeft gewezen niet meer bevoegd kennis te nemen van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek moet worden gericht aan het hof, omdat het geding bij het hof wordt voortgezet. Pas na afloop van de procedure bij het hof, bijvoorbeeld na intrekking van het beroep of na een beslissing van het hof met verwijzing naar de rechtbank, wordt doorgeprocedeerd bij de rechtbank en moet een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor weer bij de rechtbank worden ingediend.6