Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.5
8.5 Slotbeschouwingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971965:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik heb niet meegerekend Hof Amsterdam (OK) 19 mei 2020, ARO 2020/138 (Bakker Beheer/Haasnoot Beheer); Hof Amsterdam (OK) 1 november 2022, ARO 2022/217 (Fuikebrug); Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2022, ARO 2022/141 (Boonstra Beheer); en Hof Amsterdam (OK) 18 december 2018, JOR 2019/104 m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon). Dit betroffen zaken waarin niet de reguliere civiele rechter, maar de Ondernemingskamer over exhibitievorderingen van aandeelhouders besliste in het kader van een uitkoop of de geschillenregeling.
Dit betreft Hof Amsterdam 3 mei 1978, NJ 1980/49 (Scholte-Honig); Rb. Amsterdam (pres.) 15 juni 1988, KG 1988/276 (HCS); Rb. Groningen (pres.) 11 september 1996, KG 1996/326 (Houtgroep Nederland); Rb. Utrecht 29 juli 1998, JOR 1999/58 (Resort Haamstede), waarbij ik opmerk dat dit een coöperatie betrof; Rb. Amsterdam (pres.) 27 juli 1999, JOR 1999/178 m.nt. M.P. Nieuwe Weme (Otra); Rb. ’s-Hertogenbosch (pres.) 5 augustus 1999, JOR 1999/202 (Origin); Rb. Rotterdam (pres.) 24 februari 2000, JOR 2000/57 m.nt. M.P. Nieuwe Weme (Furness); Rb. Amsterdam (pres.) 22 mei 2000, KG 2000/129 (World Online); Rb. Leeuwarden (vzr.) 15 april 2009, JOR 2009/187 m.nt. T.S. Jansen (DZ Software/Pars Pro Toto); Rb. Amsterdam (vzr.) 22 oktober 2020, JOR 2021/269 m.nt. P.J. van der Korst; Rb. Amsterdam (vzr.) 18 oktober 2021, C/13/706346 / KG ZA 21-716 MDvH/TF (ICTS/Whiteline) (niet gepubliceerd); Rb. Amsterdam (vzr.) 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7409; Hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022, JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont); Rb. Gelderland 14 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5344 (Mecus/Helisa); Rb. Midden-Nederland 12 december 2022, JOR 2023/67 m.nt. P.H.M Broere; Rb. Amsterdam (vzr.) 28 april 2023, C/13/731092 / KG ZA 23-212 HJ/JT (KJD) (niet gepubliceerd); en Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17634. Uit Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2023, ARO 2023/15 (Sportsweb) is kenbaar dat in deze zaak ook in kort geding toegang tot informatie is gevorderd, overigens zonder succes (zie r.o. 3.3). Zie over enkele van deze uitspraken ook Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 71 e.v.
Zie ook Rb. Rotterdam (vzr.) 6 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8406, die ik niet heb meegeteld omdat de informatievordering (mede) was gesteld op een contractueel informatierecht uit de aandeelhoudersovereenkomst. Vgl. voorts Rb. Den Haag 6 april 2022, RO 2022/37, waarin geen informatievordering was ingesteld maar wel toegang tot informatie is verleend die nodig was om externe financiering te krijgen voor de aankoop van aandelen die waren aangeboden onder een statutaire aanbiedingsregeling (r.o. 4.3).
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal ongepubliceerde uitspraken over informatievorderingen. Zelf heb ik twee ongepubliceerd uitspraken meegenomen in mijn onderzoek: Rb. Amsterdam (vzr.) 18 oktober 2021, C/13/706346 / KG ZA 21-716 MDvH/TF (ICTS/Whiteline); en Rb. Amsterdam (vzr.) 28 april 2023, C/13/731092 / KG ZA 23-212 HJ/JT. Overigens verwacht ik dat in de toekomst meer uitspraken zullen worden gepubliceerd, mede gezien de tendens naar toenemende openbaarheid in de rechtspraak (vgl. HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658).
Zie Rb. Amsterdam (vzr.) 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7409, waarin de Voorzieningenrechter overwoog dat de betrokken aandeelhouders “domweg recht [hadden] op alle informatie over de verkoop van de onderneming” (r.o. 4.6); en Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17634, r.o. 4.6 en 4.7.
Ik verwijs met name naar de in hoofdstuk 5 aangehaalde rechtspraak.
Zie ook De Jongh 2011, par. 3; en Timmerman 2013, p. 246.
Ik noem ter illustratie: Section 220 DGCL in Delaware (Verenigde Staten); § 51b GmbHG en § 131b AktG in Duitsland; artikel 1400-3 van de Loi du 10 août 1915 concernant les sociétés commerciales in Luxemburg; en Section 247A van de Corporations Act 2001 in Australië.
Een illustratief voorbeeld is Rb. Amsterdam (pres.) 22 mei 2000, KG 2000/129 (World Online), waarin het verweer is gevoerd dat “de vordering tot informatieverschaffing op geen enkel rechtsvoorschrift is gebaseerd. Eisers hebben deze in de dagvaarding niet genoemd.” (zie r.o. 5). De President is daarop zelf op zoek gegaan naar een mogelijke grondslag voor de vordering, maar heeft die uiteindelijk niet gevonden. De vordering werd afgewezen omdat “thans niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre en ten opzichte van wie de eisers recht hebben op beantwoording van hun vragen” (r.o. 12).
Zie hierover Lennarts 2023, p. 122-123, onder verwijzing naar Van der Korst in Van der Korst 2022. Vgl. Van den Ingh & Nowak 2003, par. 3.
Artikel 150 Rv. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 26 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:539 (Everizone), 3.11 (in enquête); en Hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022, JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont), r.o. 4.15 e.v. (in kort geding).
Zie Lennarts 2023, p. 122-123.
Aandeelhouders dienen te beschikken over effectieve middelen om hun informatierechten te handhaven. Dit stelt hen niet alleen in staat om hun positie te beschermen indien hun informatierechten worden geschonden, belangrijker nog is dat hier een preventieve werking van uitgaat. Het Nederlands recht biedt aandeelhouders een aantal handhavingsinstrumenten, maar voorziet niet in een wettelijke procedure voor het verkrijgen van informatie. Aandeelhouders wenden zich met name tot de Ondernemingskamer om gebrekkige informatievoorziening in enquête aan de kaak te stellen, in plaats van hun informatierecht te handhaven bij de (reguliere) civiele rechter.
Dit laatste punt laat zich goed illustreren aan de hand van de rechtspraak over informatievorderingen. Ik ben bekend met (slechts) achttien uitspraken van een ‘reguliere’ civiele rechter1 vanaf mei 1978.2, 3 Hoewel zeker niet alle uitspraken worden gepubliceerd,4 lijkt het aantal informatievorderingen gering in vergelijking met het aantal enquêteprocedures waarin aandeelhouders stellen ontoereikend te zijn geïnformeerd. Dit is een indicatie dat aandeelhouders relatief terughoudend zijn met het instellen van dergelijke vorderingen bij de civiele rechter. Deze terughoudendheid lijkt op het eerste gezicht opmerkelijk, maar kan worden verklaard uit een aantal samenhangende factoren die ik hierna zal toelichten.
Ik begin bij de rechterlijke terughoudendheid. In slechts twee van de mij bekende uitspraken is de informatievordering toegewezen.5 De civiele rechter lijkt terughoudender dan de Ondernemingskamer, die reeds lange tijd met regelmaat in haar beschikkingen informatierechten van individuele aandeelhouders erkent.6 Deze terughoudendheid zou verband kunnen houden met de belangrijke rol die de redelijkheid en billijkheid speelt bij informatievorderingen. De civiele rechter zal in het algemeen geneigd zijn zich terughoudender op te stellen dan de Ondernemingskamer bij de toepassing van artikel 2:8 BW. Dat laat zich mede verklaren uit de ruime ervaring van de Ondernemingskamer op dit gebied.
Ook zal dit een reflex zijn van sommige civiele rechters gezien de terughoudende toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het verbintenissenrecht. In het rechtspersonenrecht staat de gedragsnormerende functie van artikel 2:8 BW op de voorgrond. De redelijkheid en billijkheid is de centrale norm die het gedrag van de vennootschap en haar institutioneel betrokkenen reguleert. Daarbij past een ruime toepassing van artikel 2:8 BW.7 Dat is anders in het verbintenissenrecht, waar de redelijkheid en billijkheid met name een corrigerende functie vervult en aldus bij toepassing inbreuk wordt gemaakt op de partijafspraken. Een dergelijke schending van de partijautonomie rechtvaardigt een hogere drempel en meer rechterlijke terughoudendheid dan de toepassing van een fundamentele gedragsnorm.
Dan het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag. Anders dan sommige andere jurisdicties,8 kent het Nederlandse vennootschapsrecht geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor de informatievordering. Dit kan eraan bijdragen dat sommige aandeelhouders (en hun adviseurs) zich wellicht niet bewust zijn van de mogelijkheid van een informatievordering. In de beschikbare rechtspraak lijken partijen bovendien te worstelen met het gebrek aan een duidelijke grondslag.9 De onzekerheid die dit met zich brengt, maakt de informatievordering onaantrekkelijk. Ook kan ik mij voorstellen dat dit de terughoudendheid van de rechter verder versterkt. Overigens zal de ontwikkeling van een bestendige lijn in de rechtspraak van de Ondernemingskamer deze onduidelijkheid verminderen.
Ook komt betekenis toe aan de ‘informatieparadox’ waarmee de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder in dit soort situaties wordt geconfronteerd.10 De ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder draagt de stelplicht en eventuele bewijslast ter zake van zijn informatievordering.11 Om daaraan te kunnen voldoen, zal hij voldoende concreet moeten kunnen maken waarom hij toegang zou moeten krijgen tot informatie, alsmede op welke informatie hij aanspraak kan maken. Dit zal een hoge drempel blijken indien de aandeelhouder onvoldoende inzicht heeft in wat er is gebeurd, en dus slechts kan speculeren over de feitelijke grondslag van zijn vordering. In het enquêterecht zal de informatieparadox doorgaans een minder hoge drempel opleveren.12
Voorts wijs ik erop dat ontoereikende informatieverstrekking vaak onderdeel uitmaakt van een breder geschil. Verwijten over ontoereikende informatieverstrekking staan zelden op zichzelf en zijn daardoor niet goed los te zien van een bredere discussie binnen (en over) de governance van de vennootschap. Het enkele verstrekken van informatie lost die discussie nog niet op. Het ware oogmerk dat de aandeelhouder nastreeft met een informatievordering, is dan ook zelden gelegen in het verkrijgen van toegang tot die informatie.
De enquêteprocedure komt goeddeels aan de hiervoor geschetste bezwaren tegemoet. Deze procedure biedt een efficiënte en flexibele rechtsgang waarbinnen de Ondernemingskamer de nodige vrijheid heeft om tot een passende oplossing te komen. De Ondernemingskamer biedt, als gespecialiseerde rechter, een bij uitstek deskundig forum met ruime ervaring in de omgang met informatierechten van aandeelhouders. De Ondernemingskamer is goed gepositioneerd en geëquipeerd om niet alleen in te grijpen in de governance van de vennootschap, waaronder de informatievoorziening aan aandeelhouders, maar ook een oplossing te vinden voor het achterliggende (‘ware’) geschil.
Ik zie niettemin een rol weggelegd voor de civiele rechter, met name in zaken waar het geschil met name is beperkt tot de informatieverstrekking en waar weinig behoefte is aan een onderzoek. Daarvoor is wel van belang dat de civiele rechter de ontwikkelingen uit de rechtspraak van de Ondernemingskamer ter harte neemt, en de haar geboden ruimte benut. De civiele rechter kan vergelijkbare voorzieningen treffen als de Ondernemingskamer ter bescherming van de positie van de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder, en de informatievordering kan een krachtig instrument zijn om op snelle en efficiënte wijze toegang te krijgen tot informatie van de vennootschap die ten onrechte is onthouden.