Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.3.4:9.3.6.3.4 Oplossing voor de problemen bij de verpanding van een wilsrecht
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.3.4
9.3.6.3.4 Oplossing voor de problemen bij de verpanding van een wilsrecht
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648704:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bergervoet 2014, par. 4.2.6.
De 403-vordering ontstaat dan wel op een later moment dan de bestaande hoofdvordering die is overgegaan door bijvoorbeeld cessie. Het later ontstaan van de 403-vordering heeft wel enkele consequenties, bijvoorbeeld voor de aanvang van de verjaringstermijn van het vorderingsrecht dat is gekoppeld aan die nieuwe 403-vordering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit voorgaande paragrafen is gebleken dat de wilsrechttheorie in het kader van de verpanding van het wilsrecht tot problemen kan leiden. Dat is vervelend, nu is geconstateerd dat het meer voor de hand ligt aan te nemen dat een 403-verklaring leidt tot het ontstaan van een wilsrecht en niet direct tot het ontstaan van een vorderingsrecht.
Wordt de mogelijkheid om een wilsrecht te verpanden en de mogelijkheid van een pandhouder om het wilsrecht uit te oefenen, vergeleken met de situatie van borgtocht, dan valt op dat het systeem van borgtocht een stuk overzichtelijker is. Vraagstukken of verpanding mogelijk is en zo ja of dit dan noodzakelijk is, spelen niet. Ook bestaat er geen discussie over de vraag of de pandhouder de borg kan aanspreken. Zie in dit verband onder meer Bergervoet:1
“De rechten uit borgtocht zijn vanwege hun afhankelijke karakter niet vatbaar voor verpanding. Om een pandrecht te kunnen vestigen op een goed is immers vereist dat dit goed overdraagbaar is (vgl. art. 3:228 BW). Voor de rechten uit borgtocht moet echter worden aangenomen dat zij in beginsel vanwege hun afhankelijke karakter naar hun aard onoverdraagbaar zijn, en daarom niet vatbaar voor verpanding. Indien iemand een pandrecht wil krijgen op de rechten uit borgtocht, kan dit dus niet geschieden door de rechten zelf te verpanden. Mits de gesecureerde vordering overdraagbaar is, kan deze vordering wel worden verpand. Door een pandrecht te vestigen op de gesecureerde vordering verkrijgt de pandhouder van deze vordering evenwel de beschikking over de aan de vordering verbonden accessoria, waaronder de rechten uit borgtocht.”
Wanneer zou worden aangenomen dat een 403-verklaring leidt tot een zekerheid die op een lijn kan worden gesteld met borgtocht, dan is daar een overeenkomst voor nodig. Daarvoor is acceptatie van de schuldeisers vereist. In de fase die is gelegen voor de acceptatie van de zekerheid door de schuldeiser, is er een nog niet geaccepteerd aanbod dat is gedaan door de consoliderende rechtspersoon. De mogelijkheid om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken, kan kwalificeren als een wilsrecht. Het lijkt mij het meest gewenst om de wilsrechttheorie te koppelen aan de ontspringingstheorie, wat betekent dat het wilsrecht niet kan worden overgedragen en een schuldeiser, die een reeds bestaande vordering op de vrijgestelde rechtspersoon verkrijgt, de consoliderende rechtspersoon zelfstandig aan kan spreken op basis van de 403-verklaring.2 Het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken zou bij voorkeur wel toekomen aan de pandhouder.