Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/4.4
4.4 Oude zakelijke rechten
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491160:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 november 1847, W 875 (Veerrecht Engelen); Ketelaar 1978, p. 234, 246-247.
Kamerstukken II 1917, 198, nr. 3, p. 6; Ketelaar 1978, p. 234, 246-247, 248-249; De Meyere 1928, p. 68-69, 169 e.v., beiden met verwijzingen naar andere literatuur.Veerrechten kunnen niet meer worden gevestigd (art. 8 Verenwet), maar veerrechten die reeds bestonden bij de invoering van de Verenwet in 1921 zijn blijven bestaan. Zie: Kamerstukken II 1917, 198, nr. 3, p. 10-11; Ketelaar 1978, p. 234-235, met verwijzingen naar andere literatuur.
Ketelaar 1978, p. 151-152, 246-247, 248-249; De Meyere 1928, p. 67-68; hof Zuid-Holland 1 juni 1864, W 2926 (Domeinen/Van den Doel); (vonnis a quo) rb. Brielle 31 oktober 1862, W 2431 (Domeinen/Van Doel); concl. OvJ J. C.M. van den Honert voor het rechtbankvonnis, W 2418.
Rechten van tiend kunnen niet meer worden gevestigd vanaf 10 augustus 1907; de rechten zijn vervallen op 1 januari 1909 (art. 1 en 86 Tiendwet 1907, Stb. 1907, 222). Zie daarover: De Blécourt 1913.
HR 26 november 1857, W 1909 (Staatsraad-administrateur/Domeinen); HR 26 november 1857, W 1910 (Staatsraad-administrateur/Domeinen); De Bussy 1914; Kosters 1909, p. 185; concl. A-G C. Polis voor HR 27 april 1877, W 4113 (Lucardie/Staat); tiendcommissie in het tweede tienddistrict (Arnhem) 27 juli 1913, W 9814; hof Arnhem 18 september 1889, W 5788 (Hohenzollern/Termaat); hof Gelderland 11 april 1855, W 1641 (Domeinen/Staatsraad-administrateur); hof Zuid-Holland 4 juni 1845, W 645.
46. Bij twee oude zakelijke rechten – het veerrecht en het tiendrecht – is ook de idee te herkennen dat beperkte rechten wél op een eigen zaak kunnen rusten als extra bevoegdheden kunnen worden ontleend aan het beperkte recht. Het veerrecht wordt weliswaar gezien als een zakelijk recht,1 maar de bevoegdheden die de rechthebbende aan het recht kan ontlenen, zijn van publiekrechtelijke aard. Het geeft de rechthebbende de exclusieve bevoegdheid om ‘personen en goederen over te zetten’ (art. 7 Verenwet).2 Op grond van het eigendomsrecht van de waterbodem heeft de eigenaar niet de bevoegdheid om een veer uit te baten. Daarom wordt in de literatuur en de rechtspraak aangenomen dat een eigenaar een veerrecht kan hebben op zijn eigen zaak (of beter gezegd: op zijn eigen waterbodem).3 Het veerrecht geeft de rechthebbende bevoegdheden die niet besloten liggen in het eigendomsrecht.
Het tiendrecht gaf de rechthebbende het recht op (in beginsel) een tiende gedeelte van de vruchten van het bezwaarde perceel (art. 788 oud BW).4 In de literatuur en rechtspraak werd verschillend gedacht over de vraag of een eigenaar een tiendrecht op zijn eigen zaak kon hebben. Volgens sommigen was het tiendrecht niet zozeer een zakelijk recht dat rust op het bezwaarde perceel, maar gaf het tiendrecht een directe aanspraak op de vruchten. Het werd meer gezien als een quasi-publiekrechtelijk recht, een vorm van private belastingheffing. Volgens die laatste opvatting bleef het tiendrecht bestaan als de eigenaar de vertiende grond had verpacht aan een derde. Hij kon bij de pachter aanspraak maken op een tiende deel van de vruchten. Het tiendrecht gaf de eigenaar méér bevoegdheden dan hij had op grond van zijn eigendomsrecht.5